ECLI:NL:RBAMS:2025:9414

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
1324347725
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees Aanhoudingsbevel met betrekking tot strafzaak in Italië

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering op basis van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Parket van de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep in Brescia, Italië. De opgeëiste persoon, geboren in Italië in 1992, was gedetineerd in Nederland en had geen vaste woon- of verblijfplaats. De behandeling van het EAB vond plaats op 18 november 2025, waarbij de opgeëiste persoon niet aanwezig was, maar vertegenwoordigd werd door zijn raadsvrouw. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon juist was en dat hij de Franse nationaliteit heeft. Het EAB was gebaseerd op een arrest van 1 februari 2022, waarin de opgeëiste persoon was veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden. De rechtbank heeft de weigeringsgrond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) onderzocht, maar concludeerde dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en impliciet afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank oordeelde dat er geen weigeringsgronden waren en dat de overlevering kon worden toegestaan.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, naar Nederlands recht kwalificeert als diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf is verkregen door middel van braak. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij de relevante wetsbepalingen zijn toegepast. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, met de voorzitter en twee andere rechters, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-243477-25
Datum uitspraak: 2 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 24 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2025 door de
Prosecutor General's Office at the Court of Appeal of Brescia,Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsvrouw, mr. S.R. Heerenveen, waarnemend voor mr. Z.L. Moezel, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Franse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest van 1 februari 2022 van
the Court of Appeal of Brescia, onherroepelijk geworden op 18 mei 2022, met referentie: No. 212/2022 R. Sen. – 2949/2015 R.G.C. App. – 344/2023 SIEP.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Inleiding
In onderdeel d) van het EAB staat het volgende vermeld:
“After being identified by Carbinieri officers on 11 January 2013 the sentenced person had appointed a defence lawyer of his own choosing and had stated address for service at the law firm of the said lawyer, where he was served with the decree of committal to trial. After he was declared absent, at the trial, the defence lawyer waived representation and [opgeëiste persoon] was represented and defended by a court-appointed lawyer. After the first-instance conviction the requested person, by a statement dated 22 May 2015, appointed a new lawyer of choice, who lodged an appeal. At the hearing to deal with the case in point before the Court of Appeal, [opgeëiste persoon] was represented by a court-appointed lawyer, who replaced the new defence lawyer of choice, as the latter meanwhile had waived representation.”
Op 6 oktober 2025 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) de volgende aanvullende vragen gesteld aan de Italiaanse autoriteiten:
“In Section D of the EAW it is mentioned that the requested person did not appear in person at the appeal trial, but that he was represented by a court-appointed lawyer. In light of this, could you answer the following question?
1. Was this court-apointed lawyer mandated by [opgeëiste persoon] to represent him at trial? In case the requested person did not give a mandate to the lawyer who actually represented him at the trial, could you please answer the following questions?
In section D, under b, you mention the requested person was not summoned in person, but by other means actually received official information of the scheduled date and place of the trial regarding the judgment of the Court of Appeal of Brescia of 1 February 2022 (ref. no. No. 212/2022 R. Sen – 2949/2015 R.G.C. App. – 344.2023 SIEP). In section D of the EAW, under point 4, it is explained that the requested person provided an addres during the proceedings in first instance, namely the address of his lawyer at the time.
2. Did [opgeëiste persoon] , during the (pre-trial) proceedings, receive instructions about:
a) the duty to inform the Italian authorities about address changes, and
b) the consequences of not complying with this obligation (including that, in case of [opgeëiste persoon] ’s absence at trial, the proceedings could take place in absentia)?
3. Were these instructions applicable to the criminal proceedings as a whole, including the appeal procedure? If yes,
4. And was [opgeëiste persoon] informed about this?
5. Did [opgeëiste persoon] provide the Italian authorities with a new address in light of the Appeal procedure after his statement of 22 May 2015, where he appointed a new defence lawyer?
6. Was the summons for the Appeal Court hearing, that resulted in the judgement of 1 February 2022, sent to the address that [opgeëiste persoon] provided for this Appeal procedure? In section D, under 4, of the EAW, it is mentioned that the requested person appointed a new defence lawyer of choice, who lodged an appeal, on 22 May 2015. After this appeal, the Court of Appeal of Brescia issued its judgement on 1 February 2022. In regards to this, could you please answer the following question:
7. What is the reason for the significant amount of time between the lodging of the appeal (May 2015) and the judgement of the Court of Appeal of Brescia (February 2022)”
Op 16 oktober 2025 heeft de
Deputy Prosecutor Generalde volgende antwoorden verstrekt op de door het IRC geformuleerde vragen:
“1. No, the public defender is appointed by the Italian judicial authorities in cases where the defendant, left without a lawyer, has not indicated another of his own choosing.
2. (section D – b):
a) Yes (in the report of election of domicile and receipt of the appointment of the public defender dated January 11, 2013);
b) Yes (in the above report, the suspect was advised that in the event of a change of domicile not communicated to the judicial authorities, service of documents at the lawyer's office would be valid, a place also indicated by the suspect as his domicile for the purposes of service of documents relating to the criminal proceedings).
3. Yes.
4. Yes. The summons for the first-instance trial was served on the trusted defendant's attorney and the defendant at the attorney's office (in accordance with the designated domicile) with the express notice that, since the defendant failed to appear without legitimate impediment, proceedings would be conducted against him in absentia.
Service at the designated domicile and the assistance of a designated attorney during the criminal proceedings were deemed, pursuant to current legislation, sufficient to ensure effective knowledge of the commencement of the first-instance trial phase.
5. NO. [opgeëiste persoon] , being aware of the first-instance conviction, promptly appointed a designated attorney by deed dated May 22, 2015, also confirming the appointment of the previous court-appointed attorney. Two separate appeals were consequently filed by Attorney Nicola Carcaterra and Attorney Roberto Maria dall'Olmo, without prejudice to the previous election of domicile at the office of Attorney Gianfranco Abate (the original trusted defense attorney, who had resigned from the position).
Italian law allows the effects of the election of domicile at a law firm to continue even if the defense mandate has expired, unless otherwise indicated by the interested party or the owner of the firm designated as the domicile.
The appeal signed by Attorney Dall'Olmo specifically designated the office of Attorney Gianfranco Abate (the first defense attorney originally appointed in the 2013 minutes) as the domicile for service purposes.
The summons for the appeal proceedings was served at the domicile previously elected and never changed, with the express indication that in the event of the defendant's failure to appear, the proceedings would proceed in his absence.
6. Since no new domicile was elected for the appeal proceedings, the summons for trial before the Court of Appeal was served on the two aforementioned defense attorneys and on the defendant at the office of his first defense attorney.
It should be emphasized that neither in the first-instance proceedings, regarding the declaration of default, nor in the appeal documents, nor in the appeal proceedings, did [opgeëiste persoon] 's defense argue that there were procedural defects or that their client was unaware of the proceedings.
7) The considerable time lag between the first instance ruling and the appeal hearing was due to the large number of proceedings pending before the Brescia Court of Appeal, many of which were of greater urgency due to the particularly serious nature of the crimes or the defendants' subjection to precautionary measures. Between 2020 and 2021, judicial activity was severely delayed due to the intensity of the COVID-19 pandemic and the resulting prevention measures.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd moet worden omdat uit de stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Hij is niet aanwezig geweest op de zitting en ook is niet gebleken dat hij van de zitting tijdig op de hoogte is gebracht. Daarnaast heeft zijn gekozen advocaat zich teruggetrokken uit de procedure waarna de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een toegewezen advocaat. De opgeëiste persoon heeft deze advocaat niet gemachtigd om zijn verdediging te voeren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Vastgesteld kan worden dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. De opgeëiste persoon heeft na zijn aanhouding in 2013 zelf een advocaat gekozen en het kantooradres van zijn advocaat opgegeven als correspondentieadres. De oproep voor de zitting in hoger beroep is ook naar het opgegeven adres verstuurd. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en geen adreswijziging doorgegeven. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van het proces en heeft stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht hiervoor het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure, omdat uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn aanhouding een advocaat heeft aangesteld en het kantooradres van die advocaat als correspondentieadres heeft gekozen. Vervolgens heeft de opgeëiste persoon na het vonnis in eerste aanleg een nieuwe advocaat aangesteld om namens hem hoger beroep in te stellen. Ten tweede stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen waarin hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen aan de autoriteiten door te geven en op de gevolgen van het niet doorgeven van een wijziging. De oproep voor de zitting in hoger beroep is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Uit de aanvullende informatie blijkt dat bij het instellen van het hoger beroep het eerder in de procedure opgegeven correspondentieadres is bevestigd en dat door de opgeëiste persoon verder ook geen adreswijziging is doorgegeven gedurende de procedure. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Prosecutor General's Office at the Court of Appeal of Brescia,Italië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.