ECLI:NL:RBAMS:2025:9435

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/5383
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering WIA-uitkering

Verzoeker heeft een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend die door het UWV is afgewezen omdat hij meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 12 november 2025.

Verzoeker stelde dat het UWV zijn medische situatie onvoldoende heeft meegewogen, met name de diagnose F43 en een neuropsychologisch onderzoek die een verstoorde hersenfunctie aantonen. Ook wees hij op inconsistenties in de vastgestelde verdiencapaciteit en het feit dat de keuring via een videogesprek plaatsvond zonder voldoende gelegenheid tot toelichting of overleg.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts, ondanks het gebruik van beeldverbinding, niet onjuist is gebleken. De overgelegde medische stukken, grotendeels in het Pools, ondersteunen niet dat verzoeker meer beperkt is. Ook is de discrepantie met eerdere ziektewetbeoordelingen niet relevant voor deze procedure. Verzoeker kon bovendien een lening afsluiten om een eventuele terugvordering te voldoen, en er was geen reden om aan te nemen dat hij geen lening kan afsluiten voor levensonderhoud.

Daarom is geen spoedeisend belang vastgesteld dat het UWV-besluit waarschijnlijk onrechtmatig is, en is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Ook is het verzoek om vrijstelling van griffierecht gehonoreerd, maar er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5383

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats] (Polen), verzoeker

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker, gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA [1] . De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.

Inleiding

2. Op 14 februari 2025 heeft het UWV de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Wet WIA per 10 januari 2024 afgewezen, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
3. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker heeft met behulp van een videoverbinding de zitting bijgewoond, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook aanwezig was I. Tomessen, tolk in de Poolse taal.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang en vrijstelling griffierecht
5. Voordat de voorzieningenrechter in kan gaan op het inhoudelijke verzoek, moet hij beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal hierbij ook ingaan op het verzoek om vrijstelling van het griffierecht.
6. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij momenteel een kamer huurt, maar geen geld heeft om de huur te betalen. Verzoeker heeft een huurachterstand opgebouwd bij zijn verhuurder. De verhuurder heeft verzoeker tot eind november de tijd gegeven om de achterstallige huur en de huur van december 2025 te betalen, anders moet hij de kamer verlaten. Verzoeker heeft zijn financiële situatie onderbouwd met bankafschriften.
7. Gelet op deze toelichting van verzoeker en de bankafschriften, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft daarnaast met de bankafschriften voldoende onderbouwd dat hij het griffierecht niet kan voldoen. De voorzieningenrechter zal het verzoek om vrijstelling van het griffierecht daarom honoreren.
Het standpunt van verzoeker
8. Verzoeker voert aan dat het UWV de ernst van zijn medische situatie heeft onderschat. Hij heeft een officiële diagnose F43 gekregen, wat duidt op een reactie op ernstige stress en aanpassingsstoornissen. De diagnose is gesteld door erkende specialisten en wordt ondersteund door een neuropsychologisch onderzoek die een verstoorde hersenfunctie op het gebied van visueel geheugen toont. Daarnaast is het UWV inconsistent in haar beoordelingen. In oktober 2023 heeft het UWV een verdiencapaciteit bij verzoeker vastgesteld van 52,76%, wat neerkomt op een arbeidsongeschiktheidspercentage van ongeveer 47%. Binnen enkele maanden is dit omgeslagen naar slechts 7%. Het UWV heeft deze verandering niet toegelicht. De keuring heeft bovendien plaatsgevonden via een videogesprek, waarbij verzoeker ook onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn medische situatie toe te lichten. Bij een poging aanvullende stukken te overleggen, heeft de keuringsarts aangegeven dat dit niet nodig was en ook het verzoek om een aanvullend contactmoment is zonder motivering afgewezen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
9. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de weigering van de WIA-uitkering waarschijnlijk geen stand zal houden. De voorzieningenrechter zal dit uitleggen.
10. De voorzieningenrechter overweegt dat de verzekeringsarts verzoeker via een beeldverbinding heeft gezien en medische stukken bij het onderzoek heeft betrokken. Dat de verzekeringsarts verzoeker via een beeldverbinding heeft gezien, betekent op zichzelf niet dat de medische beoordeling onjuist is geweest. In bezwaar kan de verzekeringsarts verzoeker (als dat nodig blijkt) in het kader van de heroverweging alsnog fysiek zien. Verder blijkt uit de door verzoeker overgelegde (nieuwe) medische stukken niet dat de beoordeling van de verzekeringsarts onjuist is geweest waarbij de rechtbank aantekent dat de meeste stukken zijn gesteld in de Poolse taal. De gestelde diagnoses op zichzelf zijn onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker meer beperkt is.
11. Over de discrepantie tussen de ziektewetbeoordeling en de beoordeling in het kader van de Wet WIA overweegt de voorzieningenrechter dat de ziektewetbeoordeling in deze procedure niet voorligt. Daarnaast gelden voor de beoordelingen in het kader van de Ziektewet en de Wet WIA andere data in geding.
12. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in bezwaar geen stand zal houden. De voorzieningenrechter kan echter ook een voorlopige voorziening treffen als de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van het UWV. Maar de voorzieningenrechter ziet daar geen aanleiding toe. Verzoeker heeft op de zitting namelijk toegelicht dat hij een lening kan afsluiten om een mogelijke terugvordering van een voorschot aan het UWV terug te betalen, maar niet een lening om in zijn dagelijkse levensbehoeften te voorzien. De voorzieningenrechter ziet echter niet in waarom verzoeker geen lening kan afsluiten om in zijn dagelijkse levensbehoeften te voorzien.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Dat betekent dat het UWV geen voorschotten aan verzoeker hoeft te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.