ECLI:NL:RBAMS:2025:9435
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering WIA-uitkering
Verzoeker heeft een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend die door het UWV is afgewezen omdat hij meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 12 november 2025.
Verzoeker stelde dat het UWV zijn medische situatie onvoldoende heeft meegewogen, met name de diagnose F43 en een neuropsychologisch onderzoek die een verstoorde hersenfunctie aantonen. Ook wees hij op inconsistenties in de vastgestelde verdiencapaciteit en het feit dat de keuring via een videogesprek plaatsvond zonder voldoende gelegenheid tot toelichting of overleg.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts, ondanks het gebruik van beeldverbinding, niet onjuist is gebleken. De overgelegde medische stukken, grotendeels in het Pools, ondersteunen niet dat verzoeker meer beperkt is. Ook is de discrepantie met eerdere ziektewetbeoordelingen niet relevant voor deze procedure. Verzoeker kon bovendien een lening afsluiten om een eventuele terugvordering te voldoen, en er was geen reden om aan te nemen dat hij geen lening kan afsluiten voor levensonderhoud.
Daarom is geen spoedeisend belang vastgesteld dat het UWV-besluit waarschijnlijk onrechtmatig is, en is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Ook is het verzoek om vrijstelling van griffierecht gehonoreerd, maar er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt afgewezen.