ECLI:NL:RBAMS:2025:9436

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/5728
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen weigering Ziektewetuitkering wegens onrechtmatig besluit UWV

Verzoeker, voormalig kantpersoperator, meldde zich ziek per 10 juni 2025. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering omdat verzoeker niet tijdig telefonisch contact had opgenomen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het UWV erkende dat verzoeker wel contact had opgenomen, maar dat deze informatie niet was doorgegeven aan de afdeling Ziektewet. Hierdoor was het besluit van 14 juli 2025 evident onrechtmatig. Het UWV nam de aanvraag alsnog in behandeling, maar had nog niet inhoudelijk beslist.

Gezien het spoedeisend belang van verzoeker, onderbouwd met bankafschriften die een precaire financiële situatie tonen, en het ontbreken van een concrete termijn voor een inhoudelijke beslissing, wees de voorzieningenrechter het verzoek toe. Het UWV moet voorschotten verstrekken vanaf 10 oktober 2025 tot zes weken na een inhoudelijke beslissing, gebaseerd op het Poolse minimumloon. Tevens moet het griffierecht aan verzoeker worden vergoed.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het UWV moet voorschotten verstrekken en het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5728

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] (Polen), verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A. Isik).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening gericht tegen de weigering van een Ziektewetuitkering. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Het besluit is namelijk evident onrechtmatig en onvoldoende concreet is dat het UWV alsnog snel inhoudelijk op de aanvraag van verzoeker zal beslissen.

Inleiding

2. Verzoeker was tot 23 juni 2025 werkzaam als kantpersoperator. Op 24 juni 2025 heeft hij zich per 10 juni 2025 ziek gemeld. Het UWV heeft daarop beoordeeld of verzoeker recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet.
3. Op 27 juni 2025 heeft het UWV verzoeker verzocht uiterlijk 11 juli 2025 telefonisch contact op te nemen om verdere afspraken te maken.
4. Op 14 juli 2025 heeft het UWV besloten dat verzoeker geen Ziektewetuitkering krijgt, omdat niet vastgesteld kan worden of hij arbeidsongeschikt is. Verzoeker heeft namelijk niet uiterlijk 11 juli 2025 telefonisch contact met het UWV opgenomen.
5. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
7. Voordat de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk kan beoordelen, moet hij beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoeker bankafschriften overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker het spoedeisend belang hiermee voldoende heeft onderbouwd nu uit de afschriften voldoende naar voren komt dat verzoeker in een precaire financiële situatie verkeert.
De stand van zaken
8. Het UWV heeft op 13 oktober 2025 erkend dat verzoeker wel contact had opgenomen met het klantcontactcenter en zijn actuele gegevens had verstrekt. De medewerker van het klantcontactcenter heeft dit echter nooit doorgestuurd naar afdeling Ziektewet. De afdeling Ziektewet is daarom gevraagd om alsnog te beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering. Op de zitting heeft het UWV toegelicht dat op 21 november 2025 een hoorzitting plaatsvindt en dat daarna kan worden beoordeeld of verzoeker arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk.
De beoordeling van de voorzieningenrechter
9. Gelet op deze huidige stand van zaken overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het UWV heeft de aanvraag van verzoeker alsnog in behandeling genomen, maar hier nog niet op beslist. De voorzieningenrechter kan niet vooruit lopen op de medische beoordeling van het UWV. Hoewel verzoeker stukken heeft ingediend ter onderbouwing van zijn medische situatie, is er nog geen rapport opgesteld door een verzekeringsarts van het UWV. De voorzieningenrechter kan niet zelfstandig, aan de hand van de medische stukken die verzoeker heeft ingediend, beoordelen of verzoeker naar alle waarschijnlijkheid recht heeft op een Ziektewetuitkering of niet.
10. De voorzieningenrechter zal zijn beoordeling daarom beperken tot het besluit van 14 juli 2025. Nu het UWV heeft erkend dat verzoeker weldegelijk contact heeft opgenomen en zijn aanvraag alsnog zal worden beoordeeld, is dit besluit evident onrechtmatig. De voorzieningenrechter ziet in deze evidente onrechtmatigheid, in samenhang met het spoedeisende belang van verzoeker, voldoende aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.
11. De toelichting van het UWV op de zitting, dat waarschijnlijk snel na de hoorzitting van 21 november 2025 een besluit zal worden genomen, leidt niet tot een ander oordeel. Het UWV heeft namelijk toegelicht (zonder garanties te kunnen geven) dat de verzekeringsarts vermoedelijk geen medische informatie zal opvragen, omdat verzoeker zelf medische informatie heeft aangeleverd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit onvoldoende concreet om aan te nemen dat inderdaad op korte termijn op de aanvraag van verzoeker zal worden beslist.
12. Gelet op de evidente onrechtmatigheid van het besluit van 14 juli 2025 en het spoedeisende belang van verzoeker, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het UWV vanaf 10 oktober 2025 (de datum van ontvangst van het verzoekschrift) voorschotten aan verzoeker verstrekt tot zes weken nadat inhoudelijk op de aanvraag van verzoeker is beslist. Voor wat betreft de hoogte van de voorschotten, zal de voorzieningenrechter aansluiten bij het minimumloon zoals dat geldt in Polen, het woonland van verzoeker. Dit betreft in 2025 een bedrag van € 1.098,83 en in 2026 een bedrag van € 1.131,80, beide bruto per maand. [1] Nu de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het UWV het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het besluit van 14 juli 2025;
  • treft de voorlopige voorziening dat het UWV vanaf 10 oktober 2025 voorschotten aan verzoeker verstrekt ter hoogte van € 1.098,83 bruto per maand in 2025 en
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.https://www.gov.pl/web/family/minimum-wage.