ECLI:NL:RBAMS:2025:9461

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
778127
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over betaling op basis van concerngarantie tussen WestInvest en EHPC Holdings

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen WestInvest Gesellschaft für Investmentfonds mbH en EHPC Holdings B.V. WestInvest vorderde betaling van € 464.223,12 op basis van een door EHPC Holdings afgegeven concerngarantie voor de betalingsverplichtingen van haar dochtervennootschap EHPC Hotels Betriebs GmbH. De procedure volgde op huurachterstanden die EHPC Hotels had opgelopen. WestInvest had de huurovereenkomst opgezegd en een procedure gestart in Berlijn, waar ook een vaststellingsovereenkomst was gesloten. EHPC Holdings had een nieuwe concerngarantie afgegeven, maar de overeengekomen betalingen waren niet gedaan. De voorzieningenrechter oordeelde dat EHPC Holdings toerekenbaar tekortgeschoten was in haar verplichtingen en dat WestInvest voldoende spoedeisend belang had bij haar vordering. De vordering werd toegewezen, inclusief beslagkosten en proceskosten. EHPC Holdings werd veroordeeld tot betaling van in totaal € 8.290,47 aan WestInvest.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/778127 / KG ZA 25-894 EAM/MAH
Vonnis in kort geding van 2 december 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar Duits recht
WESTINVEST GESELLSCHAFT FÜR INVESTMENTFONDS MBH,
te Düsseldorf, Duitsland,
eisende partij bij dagvaarding van 7 november 2025,
hierna te noemen: WestInvest,
advocaten: mr. Ch.G.A. van Rijckevorsel en mr. L.C. Dammers,
tegen
EHPC HOLDINGS B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: EHPC Holdings,
advocaat: mr. V.G.J. Boumans.

1.De procedure

1.1.
Bij de zitting op 18 november 2025 waren aanwezig:
- aan de kant van WestInvest: [naam 1] (investment manager Deka Immobilien, waarvan WestInvest deel uitmaakt) met mr. Van Rijckevorsel en mr. Dammers,
- aan de kant van EHPC Holdings: [naam 2] (CFO) met mr. Boumans.
Tijdens de zitting heeft WestInvest de dagvaarding toegelicht en de eis vermeerderd met de beslagkosten van € 1.633,51. EHPC Holdings heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben een pleitnota in het geding gebracht en WestInvest ook producties. Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
WestInvest verhuurde op grond van een huurovereenkomst van 22 juli 2019 een gebouw in Berlijn aan de Duitse vennootschap EHPC Hotels Betriebs GmbH (hierna ook: EHPC Hotels), die daarin een hotel onder de naam Sir Savigny exploiteerde. EHPC Hotels is een dochter van EHPC Holdings.
2.2.
Sinds september 2023 zijn huurachterstanden ontstaan. WestInvest heeft per
25 februari 2025 de huurovereenkomst opgezegd. In april 2025 is WestInvest bij de rechtbank Berlijn een procedure gestart tegen zowel EHPC Hotels als EHPC Holdings op basis van de huurovereenkomst en de door EHPC Holdings (voor de nakoming door EHPC Hotels van de huurverplichtingen) verstrekte concerngarantie. Tevens heeft WestInvest conservatoir beslag gelegd.
2.3.
Uiteindelijk hebben de drie partijen (WestInvest, EHPC Holdings en EHPC Hotels) op 26 augustus 2025 een vaststellingsovereenkomst (de VSO) gesloten waarin is afgesproken dat EHPC Hotels vier betalingen op bepaalde data (de laatste op 15 oktober 2025) aan WestInvest zou voldoen (hoofdstuk II artikelen 1 t/m 6 VSO). De ontruiming van het gehuurde werd uitgesteld tot en met 31 oktober 2025 onder de voorwaarde dat tijdig zou worden betaald. De aanhangige procedure werd beëindigd en de gelegde beslagen opgeheven.
2.4.
Eveneens op 26 augustus 2025 heeft EHPC Holdings een nieuwe
concerngarantie (hierna: de Garantie) afgegeven tot zekerheid van de nakoming van de in de VSO overeengekomen betalingen door EHPC Hotels, tot maximaal € 464.223,12.
2.5.
Artikelen 1, 2, 6 en 7 van de Garantie luiden:
2.6.
De vier overeengekomen betalingen zijn niet gedaan. De advocaat van WestInvest heeft EHPC Holdings bij brief van 20 oktober 2025 gesommeerd om € 464,223,12 te betalen op grond van de Garantie. Toen betaling uitbleef heeft WestInvest op 27 oktober 2025 opnieuw conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen van EHPC Holdings en op alle door haar gehouden aandelen in haar dochtervennootschappen. Met het beslag op de bankrekeningen is een bedrag getroffen van € 5.184,29.

3.Het geschil

3.1.
WestInvest vordert na eisvermeerdering om EHPC Holdings, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. te veroordelen tot betaling van € 464.223,12 aan WestInvest ter zake de betalingstermijnen van € 400.000,00, € 62.089,14, en € 2.133,98, althans een
in goede justitie te bepalen bedrag,
II. te veroordelen tot betaling aan WestInvest van € 1.633,51 aan beslagkosten, en
III. te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
WestInvest baseert haar geldvordering op nakoming van de Garantie en de VSO. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van de eisende partij zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht. Daarnaast neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts plaats is, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Aan het vereiste spoedeisend belang worden minder hoge eisen gesteld wanneer een vordering in hoge mate aannemelijk is.
4.2.
WestInvest legt aan vordering I het volgende ten grondslag. Door niet aan de sommatie van 20 oktober 2025 te voldoen, is EHPC Holdings toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen onder de Garantie. Volgens artikel 2 van de Garantie dient zij op eerste schriftelijke verzoek van WestInvest te betalen alsof het haar eigen schuld was, alles wat WestInvest vordert op grond van hoofdstuk II. artikelen 1 t/m 6 van de VSO, zonder dat er beroep kan worden gedaan op compensatie en/of vermindering, noch opschorting van de verplichting van EHPC Holdings om te presteren, op basis van enig verweer. Het gaat hier om een abstracte garantie. Het is voldoende aannemelijk dat de vordering tot betaling van € 464.223,12 ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen. WestInvest heeft spoedeisend belang bij betaling. Er is geen restitutierisico, en WestInvest loopt op dit moment dagelijks rendement mis over het onbetaald gelaten bedrag, aldus steeds WestInvest.
4.3.
EHPC Holdings voert daartegen, samengevat, het volgende verweer. WestInvest heeft geen spoedeisend belang bij de geldvordering. Daarnaast is dit kort geding prematuur, want de vorderingen van WestInvest zijn nog niet opeisbaar, althans heeft WestInvest jegens de huurder (EHPC Hotels) nog geen aanspraak gemaakt op betaling. Daarom heeft ook EHPC Holdings geen betalingsverplichting jegens WestInvest. Volgens EHPC Holdings is ondanks de bewoordingen van artikel 6 van de Garantie immers niet zonder meer sprake van een abstracte garantie.
4.4.
De voorzieningenrechter volgt EHPC Holdings niet. Niet in geschil is dat EHPC Holdings het op grond van de VSO verschuldigde bedrag van € 464.223,12 aan WestInvest niet heeft betaald en dat de overeengekomen betaaltermijnen allang zijn verstreken. Op grond van de tekst van de Garantie, met name artikel 6, is volstrekt duidelijk dat EHPC Holdings instaat voor de betalingen en op eerste verzoek van WestInvest aan haar moet betalen als EHPC Hotels de VSO niet nakomt. Overigens zijn de VSO en de Garantie onlosmakelijk met elkaar verbonden. De Garantie is een bijlage bij de VSO. Ook EHPC Holdings was partij bij de VSO, die in artikel 8 verwijst naar de Garantie en de betalingsverplichting van EHPC Holding. Gelet hierop is het verweer van EHPC Holdings onnavolgbaar. WestInvest mocht EHPC Holdings aanspreken en EHPC Holdings dient te betalen.
4.5.
De slotsom is dat het bestaan en de omvang van de geldvordering in hoge mate aannemelijk zijn. In dat licht is hetgeen WestInvest heeft gesteld omtrent haar spoedeisend belang bij de vordering voldoende. De vordering zal worden toegewezen. De beslagkosten zullen gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv eveneens worden toegewezen.
4.6.
EHPC Holdings is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van WestInvest worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
6.861,00
(waarvan € 714,00 in verband met het verzoekschrift conservatoir beslag)
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.290,47.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt EHPC Holdings tot betaling aan WestInvest van € 464.223,12 (zegge: vierhonderdvierenzestigduizend tweehonderddrieëntwintig euro en twaalf eurocent) aan WestInvest,
5.2.
veroordeelt EHPC Holdings tot betaling aan WestInvest van € 1.633,51 aan beslagkosten,
5.3.
veroordeelt EHPC Holdings in de proceskosten van € 8.290,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als dit vonnis wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer , bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
Type: MAH
Coll: JT