ECLI:NL:RBAMS:2025:9465

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
760679
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming overeenkomst van opdracht tussen aannemer en schildersbedrijf met betrekking tot betaling en schadevergoeding

In deze zaak, die voor de Rechtbank Amsterdam is behandeld, vorderde eiser, een onderaannemer, betaling van openstaande facturen van gedaagde, een schildersbedrijf, voor werkzaamheden die tussen oktober 2023 en augustus 2024 zijn verricht. De samenwerking tussen partijen was aanvankelijk goed, maar er ontstond een geschil over de betaling van facturen ter hoogte van € 42.736,00. Eiser had gedaagde gesommeerd tot betaling, maar gedaagde had slechts een deel van het bedrag voldaan. Eiser vorderde in conventie een bedrag van € 41.160,62, vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten. Gedaagde voerde verweer en betwistte de hoogte van de facturen, en vorderde in reconventie een schadevergoeding van € 8.969,65 wegens gebrekkige uitvoering van werkzaamheden door eiser.

De rechtbank oordeelde dat er geen schriftelijke afspraken waren gemaakt over de samenwerking, maar dat partijen op basis van een mondelinge overeenkomst werk hadden verricht. De rechtbank stelde vast dat gedaagde de facturen binnen dertig dagen na verzending moest betalen. Eiser had voldoende bewijs geleverd van de gewerkte uren en het afgesproken uurtarief van € 30,00 per uur. De rechtbank wees de vorderingen van eiser toe, met uitzondering van een bedrag dat verband hield met een werkbroek, en veroordeelde gedaagde tot betaling van € 38.536,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. De vorderingen van gedaagde in reconventie werden afgewezen, omdat niet was aangetoond dat eiser verantwoordelijk was voor de gestelde schade.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/760679 / HA ZA 24-1331
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen:
[eiser],
advocaat: mr. A.A. Bart,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen:
[gedaagde],
advocaat: mr. F.C.M. Tamis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 november 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- het tussenvonnis van 30 april 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2025,
- de B16 formulieren van 1 oktober 2025 van de advocaten van [eiser] en [gedaagde] waarin zij hebben laten weten dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en hebben verzocht vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een (onder)aannemer, handelend onder de naam [handelsnaam] , die diverse werkzaamheden verricht, waaronder stuc- en schilderwerkzaamheden. [gedaagde] is een schildersbedrijf.
2.2.
In oktober 2023 is de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] gestart. [gedaagde] schakelde [eiser] als onderaannemer in voor het verrichten van onder andere schilderwerkzaamheden. Bij een aantal van de projecten die [eiser] voor [gedaagde] heeft verricht, heeft [eiser] op zijn beurt zelf ook onderaannemers ingeschakeld. Van oktober 2023 tot juni 2024 ging de samenwerking tussen partijen goed en betaalde [gedaagde] de bedragen die [eiser] aan haar factureerde.
2.3.
Over de facturen voor de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht van juni 2024 tot en met augustus 2024 is tussen partijen discussie ontstaan. De facturen van 22 juni 2024 tot en met 9 augustus 2024 (in totaal € 42.736,00) zijn door [gedaagde] grotendeels onbetaald gebleven. Op 13 september 2024 heeft [gedaagde] € 4.097,04 betaald.
2.4.
De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] op 28 augustus 2024 gesommeerd tot betaling. [gedaagde] heeft daarop gereageerd op 30 augustus 2024. Namens [eiser] is [gedaagde] op 11 september en 8 oktober 2024 nogmaals gesommeerd tot betaling.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 41.160,62, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 20 november 2024 en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft diverse werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . Voor de werkzaamheden moet [gedaagde] [eiser] betalen. [gedaagde] komt de betalingsverplichting die zij op grond van de overeenkomst tussen partijen heeft niet na.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] betwist de hoogte van de door [eiser] in rekening gebrachte kosten. Volgens [gedaagde] zijn partijen een ander tarief en een andere betalingstermijn overeengekomen. Ook heeft [eiser] werkzaamheden verricht waarvoor hij geen opdracht heeft gekregen en heeft hij te veel uren in rekening gebracht.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert, na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling, veroordeling van [eiser] tot betaling van € 8.969,65, vermeerderd met wettelijke handelsrente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.7.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] , althans diens onderaannemers, hebben de werkzaamheden op de adressen [locatie 1] en [locatie 2] niet naar behoren uitgevoerd. [gedaagde] heeft daardoor schade geleden, aangezien haar opdrachtgevers haar door de gebrekkige uitvoering van de werkzaamheden niet betalen. [eiser] moet deze schade aan [gedaagde] vergoeden.
3.8.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.9.
[eiser] voert het volgende aan. Betwist wordt sprake is van een tekortkoming in de uitvoering van het werk aan de [locatie 1] en de [locatie 2] . Ook is niet aangetoond dat eventuele gebreken voortkomen uit enig handelen of nalaten van [eiser] .
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht. Over de samenwerking hebben partijen geen schriftelijke afspraken gemaakt. De samenwerking geschiedde op basis van een mondelinge overeenkomst van aanneming van werk. Tussen partijen staat vast dat voor het werk betaald moest worden op basis van regie, dat wil zeggen dat [eiser] zou worden betaald voor de uren die hij had gewerkt. Partijen zijn geen vaste prijs of een vast aantal uren overeengekomen.
De vordering tot betaling voor de werkzaamheden is opeisbaar
4.2.
Tussen partijen bestond in deze procedure aanvankelijk discussie over het moment waarop de facturen moesten worden betaald. [eiser] stelt dat partijen hebben afgesproken dat de facturen binnen dertig dagen na verzending daarvan moeten worden betaald. [gedaagde] stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat was besproken dat zij pas zou betalen als het werk goed was opgeleverd en/of haar eigen opdrachtgevers hadden betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit standpunt niet langer gehandhaafd. [gedaagde] erkent dat afgesproken is dat zij de facturen binnen dertig dagen zou betalen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de facturen van [eiser] die hij heeft verstuurd voor de door hem verrichte werkzaamheden binnen dertig dagen betaald moesten worden.
Het aantal gewerkte uren
4.3.
[gedaagde] stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat [eiser] een uitzonderlijk hoog aantal uren per klus in rekening heeft gebracht. In reactie hierop heeft [eiser] verwezen naar door hem overgelegde urenstaten en per dag via whatsapp aan [gedaagde] doorgegeven start- en eindtijden. Op basis daarvan is volgens [eiser] gefactureerd. [gedaagde] heeft vervolgens tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat haar boekhouder de via whatsapp opgegeven uren controleert, en dat zij er dus van uitgaat dat de urenstaten kloppen met de via whatsapp doorgegeven start- en eindtijden. De rechtbank gaat er daarom, bij gebrek aan een duidelijk betwisting van [gedaagde] , van uit dat [eiser] niet meer uren heeft gefactureerd dan het aantal gewerkte uren. Voor al die gewerkte uren moet [gedaagde] in beginsel betalen.
[gedaagde] moet betalen voor de werkzaamheden zonder opdracht verricht
4.4.
Aanvankelijk heeft [gedaagde] als verweer gevoerd dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht aan [locatie 3] en de voorgevel van [locatie 4] zonder opdracht daartoe, omdat alleen opdracht was gegeven voor de achtergevel van [locatie 4] . Doordat [eiser] deze werkzaamheden zonder opdracht heeft verricht, zijn de werkzaamheden in eerste instantie niet goed uitgevoerd. [eiser] heeft namelijk een verkeerde kleur verf gebruikt. [eiser] heeft deze werkzaamheden hersteld zodat de schilderwerkzaamheden alsnog in de juiste kleur zijn verricht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat zij bereid is om voor alle gewerkte uren aan [locatie 3] en [locatie 4] te betalen, maar dat zij het niet eens is met het uurtarief. Het verschuldigd zijn van de uren die gemaakt zijn voor [locatie 3] en [locatie 4] is daarmee niet langer in geschil. Het uurtarief komt hierna aan de orde.
[eiser] mocht een uurtarief van € 30,00 per uur in rekening brengen
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij aanvang van de samenwerking is afgesproken dat het uurtarief dat [eiser] in rekening mocht brengen € 30,00 per uur was. Toen [eiser] later onderaannemers mee nam, rekende hij voor deze onderaannemers eveneens € 30,00 per uur. Onweersproken is dat [gedaagde] eerdere facturen, waarin voor de onderaannemers ook € 30,00 per uur is gerekend, heeft betaald. [gedaagde] heeft geen nieuwe afspraken gemaakt met [eiser] over het uurtarief. Als zij voor de andere onderaannemers die [eiser] inschakelde niet meer had willen betalen dan € 25,00 per uur, dan had het op de weg gelegen van [gedaagde] om daarover nieuwe afspraken te maken. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat [eiser] ervan uit mocht gaan dat hij € 30,00 per uur betaald zou krijgen, ook voor de door hem ingeschakelde onderaannemers.
De kosten van de werkbroek worden verrekend met de openstaande facturen
4.6.
Op 13 september 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag voldaan van € 4.097,04. Deze betaling ziet op de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht op [locatie 4] en [locatie 5] , waarvoor [eiser] op 6 juli 2024 een factuur heeft verzonden met [factuurnummer] ter hoogte van € 4.200,00. [gedaagde] heeft op de betaling een bedrag ingehouden van € 102,96. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] ter waarde van dat bedrag bij ProCoatings een werkbroek gekocht op naam van [gedaagde] . Aangezien dit een broek betreft voor [eiser] dient deze niet voor rekening van [gedaagde] te komen. [eiser] mocht bij ProCoatings persoonlijke items aanschaffen in verband met het kortingspercentage dat [gedaagde] met ProCoatings was overeengekomen. Op deze manier kon [eiser] ook van dat kortingspercentage gebruik maken. Wel was het volgens [gedaagde] dan de bedoeling dat [eiser] de kosten daarvan aan [gedaagde] zou vergoeden.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat hij inderdaad gebruik heeft gemaakt en mocht maken van het kortingspercentage dat [gedaagde] bij ProCoating heeft. Uit het verlenen van de toestemming door [gedaagde] mocht [eiser] echter niet afleiden dat [gedaagde] dan ook voor deze broek zou betalen. De kosten van de werkbroek dienen derhalve voor rekening te komen voor [eiser] . De rechtbank zal daarom het bedrag van € 102,96 in mindering brengen op de door [eiser] gevorderde hoofdsom.
Wettelijke handelsrente over de hoofdsom
4.8.
Het totaalbedrag aan openstaande facturen dat [eiser] vordert, bedraagt € 42.736,00. Op dat bedrag moet niet alleen de reeds door [gedaagde] op 13 september 2024 betaalde € 4.097,04 in mindering worden gebracht, maar ook de verrekening met de werkbroek ad € 102,96. In totaal resteert dan een in hoofdsom toewijsbaar bedrag van € 38.536,00.
4.9.
De gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar over een bedrag van € 42.633,04 (€ 42.736,00 minus € 102,96) vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen tot 13 september 2024. Vanaf 13 september 2024 is in verband met het op die dag betaalde bedrag van € 4.097,04 wettelijke handelsrente verschuldigd over een bedrag van € 38.536,00.
Slotsom
4.10.
De rechtbank zal dus aan [eiser] een bedrag aan hoofdsom toewijzen van € 38.536,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als hiervoor vermeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden conform het tarief volgens het Besluit. Daarom zal een bedrag van € 1.160,36 worden toegewezen. Op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is geen wettelijke handelsrente van toepassing zodat in plaats daarvan de gewone wettelijke rente zal worden toegewezen.
4.12.
Er is geen grond voor toewijzing van het afzonderlijk door [eiser] gevorderde bedrag van € 11,00 voor een uittreksel van de Kamer van Koophandel.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,37
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.004,37
in reconventie
Werkzaamheden [locatie 1]
4.14.
[gedaagde] stelt schade te hebben geleden doordat onderdelen van de sponningen zijn verdwenen. Daardoor zijn de raamkozijnen gaan hangen. Hierdoor betaalt de opdrachtgever van [gedaagde] een factuur van [gedaagde] niet. Dit betreft een bedrag van € 1.737,00.
4.15.
[gedaagde] heeft - tegenover de betwisting van [eiser] en gelet op de omstandigheid dat ook andere aannemers dan [eiser] op dit project hebben gewerkt - onvoldoende onderbouwd dat [eiser] verantwoordelijk is voor het verdwijnen van de onderdelen van de sponningen. Niet is dus komen vast te staan dat [eiser] hiervan een verwijt valt te maken. Er is daarom geen grond voor de door [gedaagde] gevorderde schadevergoeding.
Werkzaamheden [locatie 2]
4.16.
Ten aanzien van het project aan de [locatie 2] heeft [gedaagde] van haar opdrachtgever te horen gekregen dat het stucwerk niet goed was. De opdrachtgever van [gedaagde] weigert daarom een factuur van [gedaagde] van € 7.232,65 te voldoen. [gedaagde] heeft [eiser] aangesproken op het gebrekkige stucwerk en [eiser] verzocht om het stucwerk te verbeteren. In eerste instantie heeft [eiser] aangegeven het stucwerk te komen bekijken en zo nodig te herstellen. Uiteindelijk heeft [eiser] dit niet gedaan.
4.17.
De rechtbank begrijpt het uitblijven van eventuele herstelwerkzaamheden als een beroep op opschorting door [eiser] , omdat hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij niet is gaan kijken op het project of er iets hersteld moest worden omdat hij niet betaald had gekregen van [gedaagde] . Aangezien [gedaagde] op het moment dat het eventuele herstel plaats moest vinden reeds in verzuim was met het betalen van de aan [eiser] verschuldigde facturen, mocht [eiser] zijn verplichting tot het zo nodig uitvoeren van herstelwerkzaamheden opschorten. Het verzuim van [gedaagde] staat eraan in de weg dat [eiser] in verzuim raakt. Verzuim van [eiser] is wel nodig om aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding. Ook ten aanzien van het project [locatie 2] is daarom geen grond voor de door [gedaagde] gevorderde schadevergoeding.
Proceskosten
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
521,00
(2 punten × factor 0,5 × € 521,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
660,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 38.536,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW:
- over een bedrag van € 42.633,04 vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot 13 september 2024,
- en over een bedrag van € 38.536,00 met ingang van 13 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.160,36 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van de dagvaarding (27 november 2024),
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.004,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 660,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [gedaagde] bij wijze van verhoging van nakosten tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen in dit vonnis voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.1 tot en met 5.3, 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. H. van Nieuwenhuizen-van Cadsand, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.