Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
[eiser],
[gedaagde],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
- en over een bedrag van € 38.536,00 met ingang van 13 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak, die voor de Rechtbank Amsterdam is behandeld, vorderde eiser, een onderaannemer, betaling van openstaande facturen van gedaagde, een schildersbedrijf, voor werkzaamheden die tussen oktober 2023 en augustus 2024 zijn verricht. De samenwerking tussen partijen was aanvankelijk goed, maar er ontstond een geschil over de betaling van facturen ter hoogte van € 42.736,00. Eiser had gedaagde gesommeerd tot betaling, maar gedaagde had slechts een deel van het bedrag voldaan. Eiser vorderde in conventie een bedrag van € 41.160,62, vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten. Gedaagde voerde verweer en betwistte de hoogte van de facturen, en vorderde in reconventie een schadevergoeding van € 8.969,65 wegens gebrekkige uitvoering van werkzaamheden door eiser.
De rechtbank oordeelde dat er geen schriftelijke afspraken waren gemaakt over de samenwerking, maar dat partijen op basis van een mondelinge overeenkomst werk hadden verricht. De rechtbank stelde vast dat gedaagde de facturen binnen dertig dagen na verzending moest betalen. Eiser had voldoende bewijs geleverd van de gewerkte uren en het afgesproken uurtarief van € 30,00 per uur. De rechtbank wees de vorderingen van eiser toe, met uitzondering van een bedrag dat verband hield met een werkbroek, en veroordeelde gedaagde tot betaling van € 38.536,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. De vorderingen van gedaagde in reconventie werden afgewezen, omdat niet was aangetoond dat eiser verantwoordelijk was voor de gestelde schade.