ECLI:NL:RBAMS:2025:9467

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
761067
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van een eenvoudige gemeenschap van woning door verkoop

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser] en [gedaagde] over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap van een woning. De partijen, die gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, zijn het niet eens over de wijze van verdeling. [eiser] vordert dat de woning aan hem wordt toebedeeld, terwijl [gedaagde] verzoekt om de woning te verkopen en de opbrengst te verdelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de woning moet worden verkocht en dat de netto verkoopopbrengst gelijkelijk tussen de partijen moet worden verdeeld. De rechtbank heeft ook bepaald dat de verkoop binnen vier weken na het vonnis moet worden gestart, met een opdracht aan Makelaardij Van Der Linden te Amsterdam. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] een bedrag van € 80.099,39 aan [eiser] moet betalen, verminderd met wettelijke rente, en dat [eiser] verplicht is om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/761067 / HA ZA 24-1356
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen:
[eiser],
advocaat: mr. P.M. de Vries,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen:
[gedaagde],
advocaat: mr. A.J. van de Graaf.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 november 2024,
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie tevens houdende incidentele vordering, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie en in incident tevens akte overlegging producties en voorwaardelijke vermeerdering eis, met producties,
- de antwoordakte uitlating voorwaardelijke vermeerdering van eis,
- het tussenvonnis in incident van 7 mei 2025 en de daarin vermelde stukken,
- het tussenvonnis van 16 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 oktober 2025, met de daarin genoemde stukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is de dochter van [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster had sinds 2005 een affectieve relatie met [eiser] . [gedaagde] is geboren uit een eerdere relatie van erflaatster. Erflaatster en [eiser] zijn nooit in het huwelijk getreden of geregistreerd als partners.
2.2.
Erflaatster en [eiser] kochten in 2015 tezamen een appartement aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de aankoop van de woning hebben zij een hypotheek afgesloten.
2.3.
Erflaatster is op [overlijdensdatum] 2022 overleden. Erflaatster heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt. [gedaagde] is op grond van de wet enig erfgenaam van erflaatster. Zij heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. Tot de nalatenschap behoorde onder andere de onverdeelde helft van de woning. Door het overlijden van erflaatster werden [eiser] en [gedaagde] dus gezamenlijk gerechtigd tot de woning.
2.4.
Na het overlijden van erflaatster is de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde] verslechterd. [gedaagde] heeft in maart 2023 de woning verlaten. [eiser] is de woning daarna blijven bewonen en woont daar nog steeds.
2.5.
Op 10 maart 2023 werd de levensverzekering die erflaatster en [eiser] hadden afgesloten aan [eiser] uitgekeerd. Een deel van de levensverzekering werd op de bankrekening van [eiser] gestort en een deel, groot € 78.412,42, heeft [eiser] gebruikt om (ongeveer) de helft van de toen openstaande hypothecaire schuld af te lossen.
2.6.
In juli 2023 zijn partijen een mediation traject gestart over de verdeling van de woning. Bij aanvang van het mediation traject hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten met de mediator waarin de voorwaarden van het mediation traject zijn vastgelegd (hierna: de mediationovereenkomst). De mediation heeft niet geleid tot de verdeling van de woning. [eiser] en [gedaagde] zijn nu dus nog steeds gezamenlijk eigenaar van de woning.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert samengevat om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen vast te stellen door de woning toe te delen aan [eiser] op voorwaarde van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door de hypotheekverstrekker van [gedaagde] en betaling aan [gedaagde] van een bedrag ad € 67.886,70 ter finale kwijting, en indien [gedaagde] binnen 2 weken na het in deze te wijzen vonnis niet meewerkt aan de akte verdeling en levering het in dezen te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van haar benodigde wilsverklaring daartoe, waaronder, maar niet beperkt tot, de levering van de onverdeelde helft van de woning aan [eiser] , het verrekenen van het voorschot en de overige op de overbedeling in mindering te brengen bedragen,
II. als de rechtbank bepaalt dat het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] zal moeten betalen hoger is dan € 67.886,70, verzoekt [eiser] de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen vast te stellen en de woning toe te delen aan [eiser] op voorwaarde van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door de hypotheekverstrekker van [gedaagde] en betaling aan [gedaagde] van een bedrag ad € 67.886,70 en tevens te bepalen dat [eiser] voor de betaling aan [gedaagde] van het bedrag dat € 67.886,70 te boven gaat maximaal vijf jaren na het vonnis zal krijgen, waarbij [eiser] [gedaagde] zal betalen in maandelijkse gelijke termijnen en indien [gedaagde] binnen 2 weken na het in deze te wijzen vonnis niet meewerkt aan de akte verdeling en levering het in deze te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van haar benodigde wilsverklaring daartoe, waaronder, maar niet beperkt tot, de levering van de onverdeelde helft van de woning aan [eiser] , het verrekenen van het voorschot en de overige op de overbedeling in mindering te brengen bedragen,
III. voor recht te verklaren dat de nalatenschap van erflaatster door de uitvoering van het onder petitum II bepaalde ter finale kwijting is afgewikkeld,
IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten rechtens.
3.2.
[eiser] heeft zijn eis voorwaardelijk vermeerderd als volgt:
Voorwaardelijk, voor het geval het peilmoment voor de hoogte van de hypotheeklening vastgesteld wordt op een datum na de gedeeltelijke aflossing (zie rov. 2.5), verzoekt [eiser] de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [eiser] een vergoedingsvordering op [gedaagde] heeft van € 78.412,42.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert - na eiswijziging - samengevat om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
A.
Primair
de wijze van verdeling van de woning te gelasten als volgt:
- te bepalen dat verkoop van de woning geschiedt binnen vier weken na de datum van het vonnis door middel van een opdracht aan Makelaardij Van der Linden te Amsterdam, en dat ieder van partijen gehouden is deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;
- te bepalen dat partijen de beredeneerde adviezen van deze taxateur/makelaar dienen op te volgen, waaronder adviezen over de verkoopstrategie en het onderhoud van de woning;
- te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de taxateur/makelaar de door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;
- te bepalen dat [eiser] dient mee te werken aan bezichtigingen van de woning en de woning in een verkoopbare staat dient te houden in die zin dat hij de woning in de staat houdt, waarin deze zich bevond ten tijde van de taxatie door de taxateur/makelaar;
- te bepalen dat partijen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is. Als partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de taxateur/makelaar dit naar beste weten en bindend bepalen,
- te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n);
- te bepalen dat de alsdan bestaande hypothecaire geldlening(en) bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal/zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning, waarna de resterende netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen,
- te bepalen dat iedere partij bij overdracht aan (een) derde(n) gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
subsidiair:
de wijze van verdeling van de woning vast te stellen als volgt:
- te bepalen dat partijen zich binnen twee weken na de datum van dit vonnis zullen wenden tot Makelaardij Van der Linden te Amsterdam,
- te bepalen dat de taxateur in aanwezigheid van beide partijen binnen één maand na dit vonnis een waardebepaling van de woning zal verrichten tegen de actuele waarde in het economisch verkeer en dat deze taxatie tussen partijen zal gelden als een bindend advies in de zin van artikel 7:900 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek,
- te bepalen dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft,
- de woning toe te delen aan [eiser] als [eiser] binnen drie maanden na de taxatie schriftelijk aan [gedaagde] laat weten dat hij de woning kan overnemen en [gedaagde] kan doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, onder de verplichting:
- de hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en [gedaagde] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
- de helft van de eventuele overwaarde van de woning, deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht aan [eiser] , aan [gedaagde] te vergoeden,
- te bepalen dat een eventuele onderwaarde door partijen ieder voor de helft moet worden gedragen,
- te bepalen dat de kosten van het notariële transport van de woning door beide partijen gedragen moet worden, ieder voor de helft,
meer subsidiair:
de (wijze van) verdeling van de woning vast te stellen met inachtneming van hetgeen [gedaagde] daarover heeft gesteld,
B. [eiser] te veroordelen om bij wijze van gebruiksvergoeding een in goede justitie te bepalen bedrag aan [gedaagde] te betalen, voor iedere maand dat [eiser] na 1 maart 2023 alleen in de woning verbleef en verblijft, een ingegane maand voor een hele gerekend, tot aan de dag van levering van de woning aan een koper dan wel de dag van toedeling/levering van de woning aan [eiser] te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024, dan wel 22 november 2024, dan wel 12 februari 2025;
C. [eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen € 2.052,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 februari 2025;
D. [eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen € 6.246,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 februari 2025;
E. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en [eiser] te veroordelen in de nakosten.
3.6.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang van de vorderingen beoordeelt de rechtbank deze hierna gezamenlijk.
Vaststelling van de verdeling
4.2.
Partijen zijn nu gezamenlijk eigenaar van de woning. Tussen hen bestaat een eenvoudige gemeenschap. Partijen wensen beiden dat de eenvoudige gemeenschap wordt verdeeld, maar zij zijn het niet eens over de manier waarop. [eiser] wil dat de woning aan hem wordt toebedeeld, waarbij hij [gedaagde] zal betalen voor haar aandeel in de woning. [gedaagde] wil dat de woning wordt verkocht en dat de koopprijs van de woning onderling wordt verdeeld.
De peildatum voor de waarde van de woning is het moment van de verdeling
4.3.
Het uitgangspunt voor de waardering van een woning die onderdeel is van een eenvoudige gemeenschap is het moment waarop de woning wordt verdeeld. Dit kan anders zijn, bijvoorbeeld als partijen een ander moment hebben afgesproken.
4.4.
[eiser] stelt dat partijen een ander moment voor de waardering hebben afgesproken. Partijen hebben een mediation traject gevolgd. Volgens [eiser] is de uitkomst van de mediation dat partijen hebben afgesproken dat de waarde van de woning wordt vastgesteld op 1 januari 2024. In verband met deze afspraak heeft [eiser] de woning op 9 januari 2024 laten taxeren door Aemestelle Makelaars. Aemestelle Makelaars heeft de waarde van de woning op 9 januari 2024 bepaald op € 385.000,00.
4.5.
[gedaagde] is het niet met [eiser] eens. Volgens haar zijn partijen in gesprek gegaan bij de mediator, maar is daar geen afspraak gemaakt. Voorafgaand aan het mediation traject hebben partijen in de mediationovereenkomst afgesproken dat alle afspraken die in het mediation traject worden gemaakt in een aparte schriftelijke en ondertekende overeenkomst moeten staan. Volgens [gedaagde] hebben zij en [eiser] nooit schriftelijk afgesproken dat de peildatum van de woning 1 januari 2024 zou zijn.
4.6.
Mediation is bedoeld om buiten rechte een oplossing te bereiken over een geschil. Deze oplossing wordt gebruikelijk na het mediation traject vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Een vaststellingsovereenkomst is een allesomvattende overeenkomst die een einde maakt aan het geschil. Uit de mediationovereenkomst blijkt dat ook hier de intentie van partijen was om tot een gezamenlijke oplossing te komen en deze oplossing vast te leggen in een allesomvattende (schriftelijke) vaststellingsovereenkomst.
4.7.
Een allesomvattende vaststellingsovereenkomst tussen partijen is er na het mediation traject niet gekomen. Wel hebben partijen in de loop van het mediation traject deelovereenstemmingen bereikt. Deze deelovereenstemmingen zijn onderdeel van het bemiddelings- en onderhandelingsproces, maar geen eindafspraken over de verdeling van de woning en de waardering van de woning die bij de verdeling zal worden gehanteerd.
4.8.
Tussen partijen zijn daarom geen definitieve afspraken gemaakt over de verdeling van de woning en de peildatum waarop de waarde van de woning in de verdeling moet worden betrokken. [eiser] kan zich niet beroepen op een deelovereenstemming die tijdens het mediationproces tot stand is gekomen. Deze deelovereenstemmingen maken deel uit van de onderhandelingsfase met het oog op een uiteindelijk te sluiten allesomvattende vaststellingsovereenkomst. Zo’n vaststellingsovereenkomst is, zoals overwogen, evenwel niet tot stand gekomen. Daarom is hier de hiervoor in rov. 4.3 genoemde hoofdregel van toepassing, zodat de peildatum van de woning de datum van de verdeling van de woning is, namelijk de datum van dit vonnis.
De woning moet worden verkocht
4.9.
[eiser] heeft gevorderd dat de woning aan hem wordt toebedeeld. In dat geval moet hij [gedaagde] betalen voor haar aandeel in de woning. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht hoe zijn financiële situatie er uit ziet en welke middelen hij heeft om [gedaagde] voor haar aandeel in de woning te betalen. [eiser] heeft naar voren gebracht dat hij [gedaagde] bij een peildatum voor de waardering van de woning ná januari 2024 niet in één keer kan betalen. [eiser] heeft aangegeven dat hij ongeveer € 80.000,00 kan lenen bij de bank. Hij wil het resterende bedrag dat hij [gedaagde] moet betalen in gelijke termijnen voldoen over een periode van vijf jaar. Aangezien de peildatum wordt vastgesteld op de dag van verdeling (zie hiervoor) en dus ná januari 2024 komt de rechtbank toe aan het beroep van [eiser] op een betalingsregeling.
4.10.
Een betalingsregeling bij de verdeling van een eenvoudige gemeenschap - eventueel met zekerheidstelling - is een ultimum remedium voor het geval er zonder betalingsregeling geen verdeling tot stand kan komen. Van die situatie is hier geen sprake. De woning kan namelijk ook worden verdeeld doordat deze wordt verkocht aan een derde en de overwaarde tussen de deelgenoten wordt verdeeld. Er is dan ook onvoldoende reden om [gedaagde] tegen haar wil een betalingsregeling op te leggen.
4.11.
Dit is te meer het geval omdat de bank, volgens [eiser] , uitsluitend bereid is om maximaal circa € 80.000,00 aan hem te lenen. Dit is dus volgens de bank de maximale leencapaciteit die [eiser] heeft. In het geval dat de rechtbank [eiser] daarnaast ook nog een betalingsregeling zou toestaan voor de aankomende vijf jaar voor het restantbedrag dat hij aan [gedaagde] dient te betalen, gaat dit de financiële mogelijkheden die [eiser] volgens zijn eigen stellingen heeft te boven. [gedaagde] heeft recht op betaling van haar overbedelingsvordering. In het geval van een betalingsregeling is er voor [gedaagde] - zelfs met zekerheidstelling - onvoldoende waarborg dat zij het volledige bedrag zonder problemen betaald krijgt. [eiser] heeft daarbij ook onvoldoende inzicht getoond in zijn financiële situatie. [eiser] brengt weliswaar naar voren dat hij bij de bank in ieder geval maximaal € 80.000,00 kan lenen, maar de rechtbank kan dit niet vaststellen omdat [eiser] daar geen stukken van heeft overgelegd. Het financiële belang van [gedaagde] bij voldoening ineens van de waarde van haar aandeel in de woning weegt in de gegeven omstandigheden daarom zwaarder dan het belang van [eiser] om in de woning te blijven.
4.12.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] om de woning te verkopen zal toewijzen. De vordering van [eiser] om de woning aan hem toe te delen wijst de rechtbank af. Deze beslissing houdt in dat de rechtbank beslist over de manier van verdeling van de eenvoudige gemeenschap, waarbij de rechtbank partijen een ‘spoorboekje’ geeft om de feitelijke verdeling van de gemeenschap zelf af te handelen. Hoe partijen dit moeten doen staat in de beslissing in rov. 5.1 tot en met 5.3.
[gedaagde] moet het aan haar betaalde voorschot op een overbedelingsvordering terugbetalen
4.13.
[eiser] heeft op 1 augustus 2023 een voorschot op de overbedelingsvordering van [gedaagde] aan haar betaald, er vanuit gaande dat de woning aan hem zou worden toebedeeld. Het voorschot bedroeg € 40.000,00. Aangezien de woning moet worden verkocht en niet aan [eiser] zal worden toebedeeld, moet [gedaagde] dit bedrag als onverschuldigd betaald aan [eiser] terugbetalen, althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [eiser] moeten worden betrokken.
Peildatum hypotheek is moment van verdeling
4.14.
Bij de aankoop van de woning door erflaatster en [eiser] in 2015 hebben zij een hypotheek afgesloten. Deze hypotheek is nog niet volledig afgelost. Doordat [gedaagde] de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard is zij tezamen met [eiser] hoofdelijk medeschuldenaar geworden van deze hypotheekschuld.
4.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij beiden de helft van de hypotheekschuld moeten betalen. Wel is tussen partijen in geschil per welke datum de schuld in aanmerking moet worden genomen.
4.16.
Gelet op het hiervoor bepaalde ten aanzien van de peildatum van de waarde van de woning, sluit de rechtbank voor de hoogte van de schuld op de woning eveneens aan bij het moment van verdeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hypotheekschuld te waarderen per het moment van overlijden van erflaatster of enig ander moment voorafgaand aan de aflossing van 10 maart 2023, zoals [eiser] betoogt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de hypotheekschuld op dat moment € 47.185,98 bedroeg. Partijen zullen hiervan ieder de helft moeten dragen, waarbij het precieze bedrag aan openstaande hypotheek door de bank zal moeten worden opgegeven ter gelegenheid van de eigendomsoverdracht van de woning aan (een) derde(n).
[gedaagde] moet de helft van de aanvullende aflossing hypotheek aan [eiser] betalen
4.17.
Op 10 maart 2023 heeft [eiser] een aanvullende aflossing van € 78.412,42 op de hypotheek gedaan. [eiser] stelt dat hij een regresvordering heeft op [gedaagde] ter hoogte van het gehele bedrag dat hij aanvullend heeft afgelost door het aanwenden van de uitkering van de levensverzekering.
4.18.
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van [eiser] dat [gedaagde] de hele aflossing moet terugbetalen. [gedaagde] moet wel een gedeelte terugbetalen. Partijen moeten ieder voor de helft bijdragen aan de hypothecaire schuld. Zij zijn ieder voor de helft draagplichtig. De aflossing die [eiser] heeft gedaan is daardoor voor de helft ten goede van hemzelf gekomen en voor de helft ten goede van [gedaagde] . [gedaagde] moet daarom de helft van het aanvullend afgeloste bedrag aan [eiser] vergoeden, althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [eiser] moeten worden betrokken.
Gebruiksvergoeding en vergoeding zakelijke lasten worden afgewezen
4.19.
In aanvulling op de hiervoor genoemde aflossing van de hypotheekschuld die [eiser] op 10 maart 2023 heeft gedaan, heeft hij sinds het overlijden van erflaatster de zakelijke lasten van de woning geheel betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de helft van deze zakelijke lasten had moeten betalen. [gedaagde] vindt dat daar tegenover staat dat [eiser] een gebruiksvergoeding aan haar is verschuldigd, omdat hij sinds maart 2023 alleen in de woning woont. [eiser] maakt daardoor gebruik van haar onverdeelde helft van de woning.
4.20.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen voorgehouden dat de helft van de zakelijke lasten weggestreept kan worden tegen de gebruiksvergoeding waarop [gedaagde] als mede eigenaar van de woning in beginsel aanspraak maakt, ook omdat de bedragen over en weer bij elkaar in de buurt zullen liggen. Partijen hebben verklaard hiermee in te stemmen. De gebruiksvergoeding en de vergoeding van de zakelijke lasten zijn daarmee niet meer tussen partijen in geschil. De rechtbank zal de vordering van [eiser] op vergoeding van de zakelijke lasten door [gedaagde] en de vordering van [gedaagde] op een gebruiksvergoeding ten laste van [eiser] afwijzen.
Overige posten die tussen partijen verrekend moeten worden
[gedaagde] moet de helft van de uitvaartkosten aan [eiser] betalen
4.21.
Na het overlijden van erflaatster heeft [eiser] de kosten van de uitvaart en van de grafsteen van erflaatster betaald. Aanvankelijk bestond tussen partijen discussie over wie de uitvaartkosten moet voldoen. Volgens [eiser] is dit een schuld van de nalatenschap die voor rekening van [gedaagde] komt. [gedaagde] vindt dat [eiser] heeft beloofd deze kosten te betalen.
4.22.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt in die zin dat zij ieder de helft van deze kosten voor hun rekening nemen. Omdat [eiser] het bedrag van € 9.120,22 heeft betaald, moet [gedaagde] de helft van dit bedrag aan [eiser] vergoeden. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 4.560,11 aan [eiser] moet betalen, althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [eiser] moeten worden betrokken.
[eiser] moet de teruggave inkomstenbelasting aan [gedaagde] betalen
4.23.
Door het overlijden van erflaatster heeft de belastingdienst diverse bedragen aan betaalde inkomstenbelasting teruggestort op de bankrekening van erflaatster. Het gaat om drie bedragen van € 1.155,00, € 180,00 en € 717,00.
4.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze bedragen toekomen aan [gedaagde] , omdat zij enig erfgenaam is. De rechtbank bepaalt daarom dat [eiser] een bedrag van € 2.052,00 moet terugbetalen aan [gedaagde] , althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [gedaagde] moeten worden betrokken.
[eiser] hoeft de uitbetaling UWV niet aan [gedaagde] te vergoeden
4.25.
Na het overlijden van erflaatster is door het UWV een bedrag van € 3.167,73 overgemaakt op de bankrekening van erflaatster. [gedaagde] stelt dat dit bedrag tot de nalatenschap behoort en dat [eiser] dit bedrag daarom aan haar moet betalen.
4.26.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] recht heeft op dit bedrag, omdat het UWV [eiser] op grond van de desbetreffende regeling bestempelt als nabestaande van erflaatster. De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] tot betaling aan haar van het door het UWV gestorte bedrag af.
[eiser] moet de uitbetaling Nationale Nederlanden aan [gedaagde] betalen
4.27.
Ook de Nationale Nederlanden heeft ten gevolge van het overlijden van erflaatster een bedrag van € 3.125,00 overgemaakt op de bankrekening van [eiser] , als restitutie van betaalde premies. [gedaagde] vindt dat dit bedrag haar toekomt als enig erfgenaam en dat [eiser] dit aan haar moet betalen. Volgens [eiser] heeft hij recht op deze premierestitutie omdat hij ook bij de Nationale Nederlanden als nabestaande wordt aangemerkt.
4.28.
De rechtbank gaat niet met [eiser] mee in zijn redenering. [eiser] heeft betoogd dat hij voldoet aan het partnercriterium van Nationale Nederlanden als ongeregistreerde partner die ongehuwd is, minimaal een half jaar een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met de deelnemer (erflaatster) en niet in de rechte lijn of tweede graad aanverwant is.
4.29.
Uit de overgelegde brief van de Nationale Nederlanden blijkt dat nog een vierde vereiste geldt voor een ongeregistreerde partner, namelijk dat tussen de partners een notarieel samenlevingscontract moet zijn opgemaakt. Dat hebben [eiser] en erflaatster niet bij een notaris laten maken. Uit de brief van de Nationale Nederlanden blijkt dat het gaat om cumulatieve vereisten, dus dat [eiser] ook aan het vierde vereiste moet voldoen. Aangezien [eiser] geen notarieel samenlevingscontract heeft gesloten met erflaatster, voldoet [eiser] niet aan het partnerbegrip van de Nationale Nederlanden. Hierdoor komt het bedrag dat de Nationale Nederlanden heeft betaald toe aan [gedaagde] . [eiser] moet daarom het bedrag van
€ 3.125,00 aan [gedaagde] betalen, althans zal dit bedrag in het kader van de afrekening tussen partijen bij de verdeling ten behoeve van [gedaagde] moeten worden betrokken.
De roodstand op de bankrekening van erflaatster moet voor rekening van [gedaagde] komen
4.30.
[gedaagde] heeft naar voren gebracht dat op het moment van overlijden van erflaatster sprake was van roodstand op haar bankrekening. Volgens [gedaagde] bedroeg deze roodstand
€ 763,73. [gedaagde] vordert namelijk het aan [eiser] in bewaring gegeven bedrag van
€ 7.009,73 (bestaande uit € 3.167,73 uitkering UWV, € 717,00 teruggave belastingdienst en € 3.125,00 premierestitutie Nationale Nederlanden) verminderd met de roodstand. Zij komt dan uit op een vordering van € 6.246,00. Het verschil tussen deze bedragen komt neer op een bedrag aan roodstand van € 763,73.
4.31.
Deze roodstand is een schuld van de nalatenschap. [gedaagde] heeft haar vorderingen ten aanzien van de bedragen die de belastingdienst, het UWV en de Nationale Nederlanden hebben gestort verminderd met deze roodstand. Daarmee heeft zij erkend dat deze schuld voor haar rekening komt.
4.32.
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vorderingen op de uitkeringen UWV, belastingdienst en Nationale Nederlanden geen rekening gehouden met de schuld aan roodstand op de bankrekening van erflaatster. Na het overlijden van erflaatster is deze roodstand betaald met de bedragen die de belastingdienst en het UWV op de bankrekening van erflaatster hebben gestort. De rechtbank heeft bepaald dat [eiser] het door de belastingdienst gestorte bedrag moet terugbetalen aan [gedaagde] . Dat zorgt ervoor dat de roodstand ten laste zou komen van het bedrag dat het UWV heeft gestort en dat aan [eiser] toekomt (zie rov. 4.26). De rechtbank bepaalt daarom dat het totaalbedrag dat [eiser] aan [gedaagde] moet betalen wordt verminderd met € 763,73 zodat de roodstand niet ten laste komt van het bedrag van het UWV waar [eiser] recht op heeft.
Berekening
4.33.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende betalingsverplichtingen over en weer:
[eiser] betaalt aan [gedaagde]
[gedaagde] betaalt aan [eiser]
Voorschot uitbetalen woning
€ 40.000,00
Aanvullende aflossing hypotheek
€ 39.206,21
Uitvaartkosten
€ 4.560,11
Teruggave inkomstenbelasting
€ 2.052,00
Premierestitutie Nationale Nederlanden
€ 3.125,00
In mindering te brengen bedrag
Roodstand bankrekening erflaatster
- € 763,73
Totaal:
€ 4.413,27
€ 84.512,66
4.34.
Daarnaast heeft [gedaagde] - onweersproken - aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over € 4.413,27 vanaf 12 februari 2025 tot aan de dag van voldoening. Per saldo dient [gedaagde] aan [eiser] te betalen € 84.512,66 - € 4.413,27 = € 80.099,39 te verminderen met de wettelijke rente als bedoeld in rov. 4.34 . Dit bedrag zal ter gelegenheid van de eigendomsoverdracht van de woning tussen partijen worden verrekend in de notariële afrekening.
Afwijzing verklaring voor recht dat de nalatenschap is afgewikkeld
4.35.
[eiser] heeft tot slot gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de nalatenschap van erflaatster door de verdeling van de woning is afgewikkeld.
4.36.
Met deze vordering ziet [eiser] over het hoofd dat de verdeling van de woning ziet op een eenvoudige gemeenschap en niet op de nalatenschap van erflaatster. Dat [gedaagde] haar aandeel in de woning heeft verkregen omdat zij enig erfgenaam van erflaatster is, maakt dat niet anders. Omdat sprake is van een enig erfgenaam - te weten [gedaagde] - en de enig erfgenaam de nalatenschap zuiver heeft aanvaard valt er in de nalatenschap van erflaatster niets af te wikkelen. [gedaagde] is door de vererving volledig in de rechten en plichten van erflaatster getreden. In aanvulling daarop heeft [eiser] niet gesteld of onderbouwd waarom hij voldoende belang heeft bij deze verklaring voor recht.
Proceskosten
4.37.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt de manier van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning aan de [adres] als volgt vast:
5.1.1.
bepaalt dat de woning wordt verkocht op de hierna te vermelden manier en de netto verkoopopbrengst wordt verdeeld onder de deelgenoten, ieder voor de helft, met inachtneming van het hierna in 5.2 bepaalde,
5.1.2.
het verkooptraject moet binnen vier weken na de datum van dit vonnis worden gestart. De verkoop moet gebeuren door middel van een opdracht aan Makelaardij Van Der Linden te Amsterdam. Als Makelaardij Van Der Linden daartoe niet bereid is, dan moeten partijen opdracht geven aan de makelaar die Makelaardij Van Der Linden daarvoor aanwijst. Ieder van de partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven,
5.1.3.
partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs, welke moet zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Als partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een door hem te bepalen bindende marktconforme vraagprijs,
5.1.4.
partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die bindend bepalen naar zijn beste weten en kunnen,
5.1.5.
als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn de deelgenoten verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n),
5.1.6.
de hypothecaire geldlening die op de woning rust zal bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning,
5.1.7.
de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten van de verkoop en levering komen ten laste van partijen, ieder voor de helft,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om een bedrag van € 80.099,39 aan [eiser] te betalen, te verminderen met de wettelijke rente over € 4.413,27 vanaf 12 februari 2025 tot aan de dag van voldoening, welke betaling bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht in mindering zal worden gebracht op het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst en in meerdering strekt van het [eiser] toekomende deel van de verkoopopbrengst,
5.3.
veroordeelt [eiser] om alle vereiste medewerking te verlenen om de verkoop tot stand te kunnen brengen, waaronder het toelaten van de makelaar en potentiële kopers van de woning en de woning in goede staat te houden/brengen voor bezichtigingen en dat er een verkoopbord aan c.q. bij de woning zal worden bevestigd,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart de beslissingen in 5.1 tot en met 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. H. van Nieuwenhuizen-van Cadsand, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.