ECLI:NL:RBAMS:2025:9486

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/13/763612 / HA ZA 25-132
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding onder demontage- en transportverzekering voor beschadigde insertringen van windmolens

In deze zaak heeft BUSINESS IN WIND PROJECTS B.V. (BiW) een vordering ingesteld tegen MSIG EUROPE SE (MSIG) op basis van een demontage- en transportverzekering. BiW, die tweedehands windturbines koopt, demonteert en verkoopt, heeft een verzekering afgesloten bij MSIG. Tijdens de demontage van vier windmolens zijn de insertringen beschadigd, wat BiW heeft gemeld bij MSIG. MSIG heeft een onderzoek laten uitvoeren door Artium, die de schade heeft vastgesteld op € 388.591,78 aan directe kosten en € 72.812,49 aan indirecte kosten. BiW heeft MSIG gesommeerd tot betaling van € 456.404,27, maar MSIG heeft slechts een voorschot van € 100.000 betaald.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de schade aan de insertringen is ontstaan tijdens demontagewerkzaamheden, die onder de dekking van de verzekering vallen. Echter, de rechtbank heeft ook vastgesteld dat de totale schade lager is dan het reeds uitgekeerde voorschot. De schade per insertring is vastgesteld op € 23.000, wat resulteert in een totale schade van € 92.000. Na aftrek van het eigen risico van € 5.000 per gebeurtenis, blijft de schade onder het bedrag van het voorschot. Hierdoor heeft BiW geen recht meer op aanvullende betaling van MSIG.

BiW is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van MSIG betalen, die zijn begroot op € 13.824,00. De rechtbank heeft de vorderingen van BiW afgewezen en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/763612 / HA ZA 25-132
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
BUSINESS IN WIND PROJECTS B.V.,
te Barneveld,
eisende partij,
hierna te noemen: BiW,
advocaat: mr. P.M. Leerink,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
MSIG EUROPE SE,
rechtsopvolger van MS Amlin Insurance SE,
te Brussel (België),
gedaagde partij,
hierna te noemen: MSIG,
advocaat: mr. V.R. Pool.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 januari 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 30 april 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overleggen producties van BiW met producties 18 en 19;
- de antwoordakte van MSIG.
1.2.
Op 22 oktober 2025 hebben partijen vonnis gevraagd. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
BiW koopt tweedehands windturbines op en demonteert, verkoopt en installeert deze windmolens.
2.2.
BiW heeft per 1 januari 2021 een Demontage- en Transportverzekering (hierna: de verzekering) met polisnummer [nummer] afgesloten bij MSIG. Het eigen risico bedraagt € 5.000 per gebeurtenis. Op de verzekering zijn de Nederlandse Beurs-Goederen Polis 2014 voorwaarden (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing.
2.3.
Op het polisblad staat:
‘Basis van schadevergoeding: Factuurwaarde volgens verkoopfactuur, vermeerderd met rechten en kosten voor zover niet al in de factuurwaarde begrepen’.
2.4.
In de polisvoorwaarden staat het volgende:
‘Artikel 11 Schadevaststelling
11.1
Schade wordt vastgesteld óf in onderling overleg óf door een door de verzekeraar(s) aan te wijzen en te betalen deskundige.’
2.5.
BiW heeft vier tweedehands windmolens die in Lommel stonden verkocht aan Alaska Wind Farm Limited LLP (hierna: Alaska) voor € 2.831.033 exclusief btw. BiW is met Alaska een betalingsschema overeengekomen waarin het volgende staat:
‘PM3[Payment Milestone 3, rb]
has to be paid pro rata per component to be delivered on site. The following will be applied for the partial payments.
BiW heeft aan Alaska facturen gestuurd overeenkomstig het betaalschema waarbij voor
‘PM3 Delivery Foundatiom insert ring’per insert ring een bedrag van € 21.232,75 is gefactureerd.
2.6.
BiW heeft voor de demontage van acht windmolens – waaronder de vier voor Alaska –Weever Sloopwerken B.V. (hierna: Weever) ingeschakeld. Eind 2021 heeft Weever de demontagewerkzaamheden uitgevoerd en daarbij de insertringen van de windmolens verwijden uit hun betonfundatie.
2.7.
Begin 2022 heeft BiW geconstateerd dat de insertringen van de vier windmolens die zij aan Alaska heeft verkocht, zijn beschadigd. BiW heeft daarvan melding gemaakt bij MSIG. MSIG heeft Artium opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de aard, omvang en toedracht van de beschadigingen aan de insertringen.
2.8.
Artium heeft geconstateerd dat de mantel van de insertringen beschadigd is geraakt als gevolg van de demontage uit de gesloopte betonfundatie. In haar rapport van 1 oktober 2024 heeft Artium de directe en indirecte kosten in kaart gebracht, waarbij voor de directe kosten een bedrag van € 388.591,78 is opgenomen en voor de indirecte kosten € 72.812,49. Verder staat in het rapport:
‘De verzekerde onderzocht ook of er meerdere tweedehands insert ringen beschikbaar waren op de markt. Er werden twee geschikte insert ringen gevonden, één in Polen en één in Oostenrijk. De vraagprijs bedroeg EUR 23.500,00 voor de insert ring uit Polen en EUR 22.500,00 voor de insert ring uit Oostenrijk. (…)
De insert ring uit Polen bleek echter niet meer te koop te zijn. De ring uit Oostenrijk
kon wel succesvol worden aangekocht.’
2.9.
Bij brief van 21 oktober 2024 heeft BiW MSIG gesommeerd binnen veertien dagen € 456.404,27 aan haar te betalen.
2.10.
In november 2024 heeft MSIG een voorschot van € 100.000 aan BiW betaald.

3.Het geschil

3.1.
BiW vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis MSIG veroordeelt tot betaling van
I. € 337.205,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 21 januari 2025;
II. de proceskosten.
3.2.
BiW legt aan haar vordering ten grondslag dat sprake is van een onder de verzekering gedekte schade. De insertringen van vier windmolens zijn beschadigd geraakt bij het verwijderen van deze ringen uit de betonfundatie. Die werkzaamheden moeten worden aangemerkt als demontagewerkzaamheden die zijn gedekt onder de polis. MSIG heeft Artium ingeschakeld en zij heeft de omvang van de directe schade vastgesteld op € 388.591,78 en € 72.812,49 aan indirecte kosten. Op grond van artikel 11 van de polisvoorwaarden is MSIG aan deze bedragen gebonden. MSIG heeft destijds ook geen enkel bezwaar gemaakt tegen de methode die Artium heeft gehanteerd om de schade vast te stellen. Het eigen risico van € 5.000 per gebeurtenis moet één keer in mindering worden gebracht op de uitwerking, omdat de schade aan de insertringen het gevolg is van het kiezen voor een verkeerde werkmethode, die bij elk van de ringen is gebruikt. Verder is MSIG gehouden om de juridische kosten betalen.
3.3.
MSIG voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. MSIG voert primair aan dat de insertringen zijn beschadigd tijdens sloopwerkzaamheden en dat sloopwerkzaamheden niet zijn gedekt onder de verzekering. Subsidiair voert MSIG aan dat zij in haar belangen is geschaad. BiW is met Weevers overeengekomen dat zij voor een CAR-verzekering zou zorgdragen. Door deze afspraak heeft BiW de facto veroorzaakt dat MSIG geen regres kan nemen op Weevers, behoudens een eventueel eigen risico. Dat maakt dat een beroep op de verzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verder geldt het eigen risico viermaal, omdat de polis geen serieschade-clausule bevat en vier insertringen zijn beschadigd. Subsidiair voert MSIG verweer tegen de hoogte van de schade. Uit het rapport van Artium blijkt dat BiW een tweedehands insertring heeft kunnen kopen voor € 22.500. De schade bedraagt dus vier keer € 22.500 en dat is minder dan het bedrag dat MSIG als voorschot heeft uitgekeerd zodat zij niet gehouden is nog enig bedrag aan BiW te betalen. Meer subsidiair voert MSIG aan dat extra kosten niet zijn verzekerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de demontage- en transportverzekering die BiW bij MSIG heeft afgesloten geen dekking biedt voor sloopwerkzaamheden. Tussen partijen is wel in geschil of het de werkzaamheden waarbij de insertringen zijn beschadigd moeten worden aangemerkt als demontage- of sloopwerkzaamheden. Verder houdt partijen verdeeld hoe hoog de schade is die BiW heeft geleden als de voornoemde werkzaamheden onder de dekking van de polis vallen en of het eigen risico één of vier keer in mindering moet strekken op de uitkering.
De schade aan de insertringen valt onder de dekking
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de schade aan de insertringen is ontstaan bij het loshakken van de ringen uit de betonnen fundering van de windmolens. Het weghakken van het beton was een noodzakelijke stap om de insertringen te kunnen demonteren. Er zou kunnen worden gezegd dat de fundering werd gesloopt, maar de insertringen werden juist niet gesloopt, maar bleven behouden. Het was niet de funderingen maar juist de insertringen (als onderdelen van de windmolens) die waren verkocht en zouden moeten worden gedemonteerd en vervoerd en waarvan demontage en transport waren verzekerd. De schade aan de insertringen is ontstaan tijdens demontagewerkzaamheden valt dus onder de dekking van de polis, zodat uitgangspunt is dat MSIG die schade moet vergoeden.
De schade is lager dan het voorschot
4.3.
MSIG is echter niet gehouden om een aanvullend bedrag aan BiW te betalen, omdat MSIG al een voorschot van € 100.000 aan BiW heeft uitgekeerd en de schade lager dan dat bedrag is. Daartoe is het volgende redengevend.
4.4.
De polis bepaalt dat de factuurwaarde volgens verkoopfactuur vermeerderd met rechten en kosten voor zover die niet in de factuurwaarde zijn inbegrepen de basis van de schadevergoeding bepalen. Dat betekent dat de schade aan de insertringen bepaalt moet worden aan de hand van de waarde die daaraan is toegekend op de verkoopfactuur van BiW aan Alaska. BiW heeft echter vier tweedehands windmolens aan Alaska verkocht voor in totaal ruim € 2.8 miljoen waarbij geen prijs is vermeld per onderdeel van een (specifieke) windmolen. Uit de factuur valt dus niet af te leiden welk bedrag Alaska heeft betaald voor de vier insertringen. Dat maakt dat aan de hand van de verkoopfactuur niet de waarde van de insertringen kan worden vastgesteld.
4.5.
Anders dan MSIG meent, kan aan de hand van het betaalschema dat BiW met Alaska is overeengekomen evenmin de waarde van de insertringen worden vastgesteld. Op het betaalschema zijn ‘milestones’ overeengekomen waarna Alaska gehouden is een bedrag aan BiW te betalen dat gelijk is aan een percentage van de totale overeengekomen prijs. Overeenkomstig het betaalschema is Alaska onder meer gehouden om een bedrag te betalen aan BiW na het ondertekenen van de koopovereenkomst. Alaska is dus gehouden een deel van de totale prijs te betalen zonder dat onderdelen van de windmolen zijn geleverd. Het betaalschema regelt dus enkel de betalingsmomenten en aan de hand daarvan kan niet zonder meer de waarde van de afzonderlijke onderdelen van de windmolen – waaronder de insertringen –worden bepaald.
4.6.
Nadat de insertringen zijn beschadigd is BiW op zoek gegaan naar tweedehands insertringen. BiW heeft twee geschikte tweedehands insertringen gevonden met respectievelijk een vraagprijs van € 22.500 en € 23.500. Eén van deze insertringen heeft BiW daadwerkelijk kunnen aanschaffen voor € 22.500. De andere insertring was niet meer te koop. Uit het voorgaande volgt dat tweedehands insertringen op dat moment een marktwaarde hadden van ongeveer € 23.000. Hoewel op de verkoopfactuur de waarde van de tweedehands insertring niet is bepaald, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de factuurwaarde overeenkomt met de marktwaarde van een tweedehands insertring. Dat betekent dat de factuurwaarde per insertring moet worden gesteld op € 23.000.
4.7.
BiW heeft kennelijk meer kosten moeten maken om de tweedehands insertringen aan Alaska te leveren, maar die kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De polis bepaalt immers dat de factuurwaarde
,vermeerderd met rechten en kosten voor zover niet al in de factuurwaarde begrepen, de basis vormen voor de schadevergoeding. De overhead-kosten en juridische kosten voor deze procedure vallen daar niet onder.
4.8.
Dat Artium de totale herstel- en vervangingskosten heeft begroot op ruim € 388.000 maakt het voorgaande niet anders. Uit het rapport blijkt dat Artium de schade in beeld heeft gebracht die MSIG heeft geleden, waaronder de kosten voor het transporteren, hijsen en conserveren van de insertringen. Ook heeft zij rekening gehouden met de kosten die BiW heeft gemaakt voor het aanschaffen van een nieuwe insertring omdat blijkbaar niet vier tweedehands insertringen beschikbaar waren. Dat zijn kosten die op grond van de polis niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de dekking is beperkt tot de factuurwaarde. Anders dan BiW meent is MSIG op grond van artikel 11 van de polisvoorwaarden niet gebonden aan het schadebedrag dat is opgenomen in het rapport van Artium. Artium heeft immers alle kosten die BiW heeft gemaakt in kaart gebracht en niet enkel de schade die gedekt is onder de polis.
4.9.
Het voorgaande betekent dat de schade per insertring € 23.000 bedraagt en de totale schade van BiW dus € 92.000 (4 x € 23.000) bedraagt. Daarop moet het eigen risico van € 5.000 per gebeurtenis in minder worden gebracht. In het midden kan blijven of het eigen risico één keer in mindering strekt op het bedrag dat moet worden uitgekeerd zoals BiW heeft betoogd of vier keer zoals volgens MSIG het geval is. De hoogte van de gedekte schade minus het eigen risico bedraagt in beide gevallen minder dan € 100.000 – het bedrag dat MSIG als voorschot aan BiW heeft betaald. Dat betekent dat BiW geen vordering meer heeft op MSIG. MSIG heeft de schade die BiW heeft geleden dus al vergoed. De rechtbank komt niet meer aan de overige verweren toe.
proceskosten
4.10.
BiW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van MSIG betalen. De proceskosten van MSIG worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
6.785,00
(2,5 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
13.824,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van BiW af,
5.2.
veroordeelt BiW in de proceskosten van € 13.824,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als BiW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. A. Chu en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.