ECLI:NL:RBAMS:2025:9497

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
25-021691
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verschoningsrecht advocaat en niet-ontvankelijkheid van beklag

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan over het beklag van een advocaat, klager, die zich niet kon vinden in de beslissing van de rechter-commissaris van 19 augustus 2025. Deze beslissing betrof de vraag of de FIOD kennis mocht nemen van stukken die de advocaat in een fiscale procedure had ingebracht. Klager stelde dat hij een verschoningsrecht had op deze stukken, maar de rechter-commissaris oordeelde dat dit recht niet van toepassing was. Klager diende hiertegen een klaagschrift in, dat op 27 augustus 2025 werd ontvangen door de rechtbank. Het Openbaar Ministerie stelde dat het klaagschrift niet-ontvankelijk was, omdat er al een voornemen tot dagvaarding was uitgebracht. De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was en dat het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De rechtbank concludeerde dat er geen wettelijke grondslag was voor het indienen van een klaagschrift in deze situatie, en dat het verschoningsrecht pas aan de orde kan komen in een verweer tegen het gebruik van de gegevens voor bewijsdoeleinden. De rechtbank verklaarde het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 81-323024-22
raadkamernummer : 25-021691
datum : 2 december 2025

beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag van:

[klager],

geboren op [geboortedatum] 1967, geboorteplaats onbekend,
woonplaats kiezend op het kantoor van diens advocaten mrs. A.B. Vissers en F.P.H.M. van der Waal, aan de [adres],
hierna te noemen: klager.

Procedure

De rechter-commissaris heeft op 19 augustus 2025 een beslissing gewezen op grond van een vordering van de officier van justitie ter beantwoording van de vraag of voor de in de vordering vermelde stukken al dan niet een verschoningsrecht bestaat.
Tegen deze beslissing heeft klager een klaagschrift ingediend. Het klaagschrift is op 27 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 31 oktober 2025 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De verdediging heeft hierop op 3 november 2025, met het oog op de behandeling in raadkamer, schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft op 4 november 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, zijn advocaten mr. A.B. Vissers en F.P.H.M van der Waal en de officieren van justitie mr. S. Leeman en M. Lambregts (hierna samen te noemen: de officier van justitie) ter zitting gehoord.

Inleiding

Tegen [verdachte] loopt een strafrechtelijk onderzoek naar de verdenking van het feitelijk leiding geven aan pensioenfondsen die zich zouden hebben schuldig gemaakt aan zogenoemd ‘dividendstrippen’, in een internationale context, in de periode van 2013 tot 2016 (onderzoek Greenhill). Klager is één van de advocaten die [verdachte] bijstaat in dit onderzoek. Aan het strafrechtelijke onderzoek zijn fiscale procedures voorafgegaan, waarin klager ook als advocaat-belastingkundige van de pensioenfondsen heeft opgetreden. Over deze kwestie en de gevolgde naheffingsaanslagen is door de Belastingdienst en de vertegenwoordigers van de pensioenfondsen - waaronder klager - uitvoerig gecorrespondeerd, ook na 2016. In juli 2022 heeft de Belastingdienst op verzoek van de FIOD en zonder medeweten van klager, de dossiers overgedragen aan de FIOD. Op 7 mei 2025 heeft klager op kantoor van de FIOD inzage gehad in de dataroom en vastgesteld dat stukken en correspondentie van zijn hand uit de fiscale procedure zichtbaar zijn en kennelijk ter beschikking staan van het onderzoeksteam. Hij heeft de officier van justitie en de rechter-commissaris herhaaldelijk gewezen op zijn verschoningsrecht ten aanzien van deze stukken. Bij vordering van 30 juni 2025 heeft de officier van justitie de rechter-commissaris ‘zekerheidshalve’ verzocht de documenten te beoordelen in het licht van een eventueel verschoningsrecht.

Beklag

Klager heeft het klaagschrift gebaseerd op de artikelen 552a jo 98 Wetboek van Strafvordering (Sv).
Het beklag heeft betrekking op de stukken die door de FIOD en het Openbaar Ministerie op grond van artikel 43c van de Uitvoeringsregeling van de Algemene Wet Rijksbelastingen (hierna: AWR) zijn verkregen van de inspecteur van de Belastingdienst. Meer in het bijzonder richt het beklag zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van
19 augustus 2025 dat het verschoningsrecht van klager zich niet uitstrekt over deze stukken, zodat het onderzoeksteam daarvan kennis kan nemen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2025 [1] volgt dat het verschoningsrecht niet wordt prijsgegeven door in een fiscale procedure stukken in te brengen, al dan niet op grond van de informatieverplichting van artikel 47 AWR. De door de rechter-commissaris gehanteerde uitzondering hierop vindt geen steun in het recht. Evenmin is de overweging van de rechter-commissaris dat het verschoningsrecht vervalt omdat de strafrechtelijke verdenking betrekking heeft op dezelfde gedragingen als de fiscale procedure begrijpelijk.
De verdediging concludeert dat het inzien, het gebruik en de verwerking van de verkregen verschoningsgerechtigde stukken onrechtmatig is en verzoekt de rechtbank te bepalen dat de stukken die klager in de fiscale procedures heeft ingebracht, moeten worden vernietigd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich primair op het standpunt dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is, omdat op 3 maart 2025 een voornemen tot dagvaarding is uitgegaan en daarom de rechter-commissaris niet meer bevoegd is om onderzoekshandelingen te verrichten. Subsidiair vindt het Openbaar Ministerie dat prejudiciële vragen aan de Hoge Raad moet worden gesteld omtrent de toepassing van het verschoningsrecht op correspondentie in het kader van artikel 47 AWR. Het openbaar ministerie stelt zich, meer subsidiair, op het standpunt dat het verschoningsrecht niet zo ver reikt en niet van toepassing is op de stukken die zijn overgelegd op grond van deze informatieverplichting. Het klaagschrift moet daarom ongegrond worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.
Ontvankelijkheid
De beslissing van de rechter-commissaris d.d. 19 augustus 2025 is genomen naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie.
In de onderhavige zaak is geen sprake van onderzoek aan in beslag genomen stukken. Het bepaalde in artikel 98 Wetboek van Strafvordering (Sv) is dan ook niet van toepassing en daarmee ook niet de in lid 4 van dit artikel bedoelde mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift en de toepasselijkheid van artikel 552a Sv.
Een wettelijke grondslag voor deze beslissing is door de rechter-commissaris niet expliciet vermeld, maar nu sprake is van onderzoek naar stukken die niet in beslag zijn genomen, moet het er voor worden gehouden dat het een beslissing betreft als bedoeld in artikel 181 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank vindt hiervoor steun in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:456) De wet kent geen mogelijkheid voor klager om bezwaar te maken tegen een dergelijke beslissing.
Het voorgaande brengt met zich dat klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn klacht.
Zoals de Hoge Raad in voornoemd arrest verder heeft overwogen, kan indien zich het geval voordoet dat aan de FIOD en het openbaar ministerie gegevens zijn verstrekt die onder het verschoningsrecht van klager vallen, het verschoningsrecht aan de orde kan komen in een verweer tegen het gebruik voor het bewijs van de betreffende gegevens. Op zo’n verweer zal de strafrechter beslissen overeenkomstig artikel 359a Sv.

Beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door de meervoudige raadkamer,
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mr. R.A. Overbosch en mr. J. Thomas, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.