ECLI:NL:RBAMS:2025:9597

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
13/220117-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schuldheling van een elektrische fiets met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 21 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal en schuldheling van een elektrische fiets. De rechtbank heeft op basis van het onderzoek ter terechtzitting van 7 november 2025, waar de officier van justitie mr. M.D. Braber en de raadsvrouw mr. K. Cras aanwezig waren, de feiten en omstandigheden beoordeeld. De verdachte werd vrijgesproken van de diefstal van de fiets, omdat niet bewezen kon worden dat hij wist dat de fiets gestolen was. Echter, de rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan schuldheling, omdat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets door misdrijf was verkregen. De verdachte had verklaard de fiets van een onbekende kennis te hebben geleend, maar deze verklaring werd door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 150 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De rechtbank overwoog dat de verdachte eerder was veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij een verslaving had, wat de noodzaak voor begeleiding en behandeling onderstreepte. De uitspraak is gedaan in het kader van de artikelen 14a, 14b, 14c en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/220117-25
Datum uitspraak: 21 november 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd te: [penitentiaire inrichting] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.D. Braber, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Cras, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is reclasseringsmedewerker, [reclasseringsmedewerker 1] , als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Amsterdam, een elektrische fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Amsterdam, een elektrische fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit
De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, de diefstal van de tenlastegelegde fiets niet bewezen, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.
3.2.
Nadere overwegingen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde opzetheling omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets wist dat de fiets gestolen was.
Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de elektrische fiets van een onbekend gebleven kennis had geleend. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de fiets even mocht lenen van een kennis die bij de gemeente werkt - ene [naam] - en dat hij had gezien dat er geen (extra) slot op de fiets zat. De rechtbank overweegt dat de verklaring die verdachte heeft gegeven niet geloofwaardig is. Zo kon hij niet nader verklaren over deze kennis en heeft hij ook geen goede verklaring gegeven waarom hij deze man niet bij zijn aanhouding heeft aangewezen, terwijl die persoon op 100 meter afstand zou staan. Gelet op bovenstaande overweegt de rechtbank dat verdachte, mede gelet op het feit dat deze (dure) fiets geen slot had, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze fiets door misdrijf was verkregen. De rechtbank acht schuldheling bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 28 juli 2025 te Amsterdam, een elektrische fiets, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

5.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, waarbij aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de eis van de officier van justitie te matigen, verdachte niet een langere gevangenisstraf op te leggen dan hij op dit moment in voorlopige hechtenis heeft gezeten en het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te verhogen.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een elektrische fiets. Heling is een strafbaar feit omdat hiermee het plegen van misdrijven en aldus de criminaliteit in de hand wordt gewerkt. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van dergelijke criminele gedragingen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 22 oktober 2025 opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 2] . Uit dit rapport volgt onder meer dat verdachte bekend is met een hardnekkige crack verslaving, dat hij problemen heeft op het gebied van emotieregulatie en dat het hem ontbreekt aan de juiste copingvaardigheden. Eerdere hulpverleningstrajecten zijn niet van de grond gekomen omdat verdachte zich niet hield aan afspraken. De reclassering heeft echter een positieve verandering bij verdachte waargenomen waardoor zij aanknopingspunten zien om verdachte te begeleiden binnen een strak kader. Om het hoog ingeschatte risico op recidive te verminderen adviseert de reclassering om bij een (mogelijke) veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding, schuldhulpverlening, middelcontrole en woonbegeleiding.
De deskundige heeft dit advies ter terechtzitting bevestigd.
Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten moet van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden afgetrokken.
De rechtbank legt een hogere straf op die in de regel wordt opgelegd bij schuldheling. Enerzijds is het forse strafblad van invloed geweest op de hoogte van de straf, maar de rechtbank vindt het vooral van belang dat verdachte gaat werken aan zijn problematiek. De enige mogelijkheid om dat te bereiken is middels een voorwaardelijke strafdeel met bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering verbinden.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het impliciet meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
schuldheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
groot 90 (negentig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na de uitspraak van dit vonnis bij Reclassering Inforsa op het adres [adres] te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
Veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa Forensisch Ambulante Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Daarnaast werkt veroordeelde mee aan diagnostisch onderzoek. De behandeling start direct. Veroordeelde staat reeds ingeschreven en is aangemeld. Omdat eerdere behandeling minder dan drie maanden geleden is afgesloten, kan dit direct hervat worden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Veroordeelde is reeds aangemeld bij Roads.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Woonbegeleiding
Veroordeelde laat zich begeleiden door Amsta Just of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde is hier reeds voor aangemeld.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Heft ophet bevel tot
voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.C.J. Maas – van Es, voorzitter,
mrs. G. Oldekamp en J.C.E. Krikke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2025.