Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:9602

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
24/2946
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WsgArt. 5 Wsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag schadefonds wegens eigen aandeel in geweldsincident

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven naar aanleiding van een mishandelingsincident op 1 september 2017. Hij stelt dat hij ernstig letsel heeft opgelopen door een nekklem en langdurig optillen, met blijvende psychische en sociale gevolgen. Het Openbaar Ministerie besloot niet tot vervolging over te gaan, en het gerechtshof wees het klaagschrift van eiser af.

De rechtbank toetst de discretionaire bevoegdheid van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven terughoudend, maar stelt vast dat eiser zich agressief heeft gedragen en als eerste een duw heeft gegeven, wat het incident heeft uitgelokt. Hierdoor heeft eiser een eigen aandeel in het geweldsincident, wat volgens artikel 5 Wsg Pro reden is om de uitkering af te wijzen.

De rechtbank concludeert dat eiser zich onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon verwachten, en dat de schade mede aan hem is toe te rekenen. De afwijzing van de aanvraag is daarom redelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser een eigen aandeel had in het geweldsincident, waardoor de uitkering uit het Schadefonds terecht is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2946

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Den Besten).

Inleiding

1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 april 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven aangevraagd omdat hij op 1 september 2017 is mishandeld op de markt in Amstelveen. Eiser voert aan dat hij toen in een nekklem is vastgepakt en daarna meerdere keren minuten lang is opgetild. Als gevolg daarvan heeft eiser een chronisch posttraumatische stoornis opgelopen. De beperkingen die eiser van het incident ervaart zijn relationeel, familiair, sociaal en ook werk gerelateerd. Het Openbaar Ministerie is niet tot vervolging van de verdachte overgegaan. Het klaagschrift van eiser tegen deze beslissing is door het gerechtshof Amsterdam met de beschikking van 29 juni 2020 afgewezen omdat het maatschappelijk belang de vervolging twee jaar na het voorval door het Hof niet groot genoeg meer wordt geacht.
3. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) uitkeringen worden gedaan aan een ieder die als gevolg van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Verweerder heeft hierbij beslissingsruimte, wat betekent dat verweerder een eigen afweging mag maken of een uitkering gepast is. De rechtbank toetst de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wsg, daarom terughoudend.
4. Op basis van artikel 5 van Pro de Wsg kan een uitkering achterwege blijven of op een lager bedrag worden bepaald als de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer is toe te rekenen. Dit wordt dan ook het eigen aandeel van het slachtoffer genoemd. De gedachte achter deze bepaling is dat het Schadefonds is opgericht om mensen, die buiten hun schuld slachtoffer worden van geweld, een financiële tegemoetkoming te bieden in hun schade. Als het slachtoffer een eigen aandeel heeft in het geweld is deze tegemoetkoming in principe niet passend, omdat deze moet worden gezien als een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser op 1 september 2017 slachtoffer is geworden van mishandeling, in de zin dat hij is beetgepakt en opgetild. Dit blijkt ook uit de stukken in het dossier. Het is de rechtbank ook duidelijk geworden dat dit incident gevolgen heeft gehad voor eiser. Dat neemt echter niet weg dat uit de stukken in het dossier, waaronder de processen-verbaal en de beschikking van het gerechtshof, ook blijkt dat eiser zich agressief heeft gedragen tegen de medewerkster van de kraam. Op grond van de verklaring van de medewerkster van de kraam, ondersteund door de verklaring van haar man (de verdachte) acht de rechtbank het, net als verweerder, aannemelijk dat eiser verbaal zijn ongenoegen heeft geuit en als eerste een duw heeft gegeven, waarna het incident is ontstaan.
6. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat eiser een eigen aandeel in het incident heeft gehad. Eiser heeft zich hiermee onnodig in een situatie gebracht waarin hij geweld kon verwachten, dit had eiser kunnen voorkomen. Dit betekent dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die mede aan eiser is toe te rekenen zoals bedoeld in artikel 5 van Pro de Wsg. Dat eiser van mening is dat de tegenreactie disproportioneel was, doet niet af aan zijn eigen aandeel. Nu er sprake is van eigen aandeel, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser gevraagde uitkering in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr.W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.