ECLI:NL:RBAMS:2025:9609

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
24/5505
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 19aa ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na Eerstejaars Ziektewetbeoordeling bevestigd

Eiser werkte als operator en ontving sinds 3 maart 2023 een Ziektewetuitkering. Na een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling in 2024 heeft het UWV de uitkering per 6 mei 2024 beëindigd, omdat eiser meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Eiser voerde aan dat zijn klachten verergerd zijn en dat hij zonder professionele hulp niet kan werken.

De rechtbank beoordeelde of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser met deze beperkingen de geselecteerde functies kan verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben hun adviezen zorgvuldig en logisch onderbouwd. Eiser heeft onvoldoende medische stukken overgelegd die aantonen dat hij op de datum in geding meer beperkt was dan vastgesteld.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser geschikt is voor werk dat meer dan 65% van zijn maatmaninkomen oplevert. Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter C.F. de Lemos Benvindo op 9 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] in België, eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging van de uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv eisers ZW-uitkering terecht beëindigd heeft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.
3.1.
Eiser werkte als operator voor gemiddeld 33 uur per week in ploegendienst. Op 3 maart 2023 heeft hij zich ziek gemeld. Hij ontving vanaf die datum een ZW-uitkering.
3.2.
In het kader van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft op 18 februari en 17 april 2024 een medische en op 4 april 2024 een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden. Hieruit volgt dat eiser meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Daarom heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 6 mei 2024 (de datum in geding) beëindigd.
4. Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het advies van 31 juli 2024 de functionele mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het advies van 14 augustus 2024 in de nieuwe FML aanleiding gezien om af te wijken van het eerdere arbeidskundige oordeel. Deze arbeidsdeskundige heeft enkele functies laten vallen omdat deze niet langer voldoen aan de FML. De overige drie functies heeft hij gehandhaafd. Eiser kan daardoor nog steeds meer dan 65% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarom in stand.
5. Eiser voert aan dat zijn klachten in de afgelopen maanden verergerd zijn op sommige vlakken, waaronder het overdag in slaap vallen of indutten. Eiser is meermaals in slaap gevallen met elektrische apparaten aan, dat leidt tot gevaarlijke situaties. Eiser vindt dat hij niet in staat is om de beroepen uit te oefenen zonder professionele hulp die door de lange wachtlijsten pas in februari 2025 kan worden aangeboden. Eiser kan zich door de beslissing niet meer verzekeren voor zorg in Nederland en moest daardoor stoppen met lopende behandelingen in Nederland.
6. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de ZW-uitkering van eiser terecht heeft beëindigd. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of het Uwv de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beoordelingskader
8. In de wet is beschreven wanneer iemand recht heeft op een ZW-uitkering. Dat is het geval als diegene niet langer ‘zijn arbeid’ kan verrichten. Voorwaarde is dan wel dat dit het rechtstreeks gevolg is van objectief medisch vast te stellen ziekte of gebreken. Dit is geregeld in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW.
9. Als iemand (bijna) een jaar ziek is en een ZW-uitkering ontvangt, vindt een beoordeling door het Uwv plaats. Dit wordt de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) genoemd. Een verzekeringsarts van het Uwv legt de beperkingen vast in een FML. Vervolgens bekijkt een arbeidsdeskundige van het Uwv of iemand nog zijn eigen werk kan doen en, als dat niet het geval is, welke voorbeeldfuncties iemand met deze beperkingen nog wel kan uitvoeren. Wanneer iemand geschikt is voor zijn eigen werk óf wanneer iemand met de geselecteerde functies meer dan 65% kan verdienen van het inkomen dat hij verdiende voordat hij ziek werd (het zogenoemde maatmanloon), wordt de ZW-uitkering beëindigd. Dit is geregeld in artikel 19aa van de ZW.
10. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op de datum in geding, 6 mei 2024, in staat is meer dan 65% van zijn oorspronkelijke inkomen (zijn maatmaninkomen) te verdienen
.
11. Uitgangspunt is dat het Uwv zich mag baseren op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als deze voldoen aan de eisen die in de rechtspraak zijn geformuleerd. Zo moeten de rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Als de rapporten aan deze eisen voldoen en eiser het niet eens is met de inhoud van een rapport, moet hij een gestelde onjuistheid aannemelijk maken.
De medische grondslag van het bestreden besluit
12. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser gezien op het spreekuur en het dossier en de in bezwaar verkregen informatie van de behandelend sector bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij het onderzoek van de somnoloog-longarts van het NSI van 12 april 2024 betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vanwege de stress- en slaapproblematiek meer beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Om een gezond waak-slaapritme te krijgen en behouden zijn regelmatige werktijden, niet ’s avonds en ’s nachts, aangewezen. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen verzekeringsgeneeskundige redenen voor een beperking van het aantal te werken uren per dag of per week, mits rekening gehouden wordt met de aangewezen beperkingen.
13. De rechtbank kan begrijpen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot deze conclusies komt. Het onderzoek is zorgvuldig geweest, de conclusies vloeien logisch voort uit de onderzoeksbevindingen. Het Uwv kon de besluitvorming daarom baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
14. Eiser heeft medische stukken overgelegd waaronder een verslag naar aanleiding van het consult van NSI van 26 november 2024. In dit verslag staat dat eiser moeilijk wakker wordt, dat dit verergert door stress en dat op korte termijn geen verbetering te verwachten is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop in aanvullende rapportages gereageerd en acht net als de arts van het NSI behandeling door psychotherapie aangewezen. De situatie van eiser kan dus verbeterd worden, maar ook zonder verbetering zijn er voor eiser arbeidsmogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met deze stukken dan ook niet onderbouwd dat hij op de datum in geding meer beperkt was dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen.
15. Eiser heeft nog medische informatie van onder meer een psychiater overgelegd. De rechtbank stelt vast dat al deze informatie van ruim een jaar na de datum in geding is. Daarnaast zijn de daarin genoemde insomnie en het verstoorde slaap-waakritme geen nieuwe medische informatie, maar informatie waarmee de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van de FML al rekening heeft gehouden. Dat eiser in Nederland geen recht op medische zorg meer heeft en dat er wachtlijsten zijn is bij de besluitvorming over de beëindiging van de ZW-uitkering niet van belang.
De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
16. Eiser heeft met name gronden aangevoerd die verband houden met zijn medische klachten en beperkingen en geen specifieke arbeidskundige gronden. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de in de FML van 31 juli 2024 vastgestelde beperkingen en ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor eiser.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.