ECLI:NL:RBAMS:2025:9655

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/13/762267 / FA RK 25-72
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 827 lid 1 sub g RvArt. 4 lid 3 RvArt. 3 lid 1 sub a Brussel II-terArt. 1 lid 2 onder b en c Rome I-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing echtscheiding en betaling bruidsgave volgens Iraaks recht

Partijen zijn in 2014 in Irak gehuwd en wonen sinds 2016 in Nederland. De vrouw verzoekt echtscheiding, huurrecht van de woning, toepassing Iraaks huwelijksvermogensrecht en betaling van de bruidsgave. De man stemt in met echtscheiding, huurrecht en Iraaks recht, maar betwist betaling bruidsgave.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht geldt voor echtscheiding en huurrecht. Voor het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van toepassing, waardoor Iraaks recht geldt. De bruidsgave is een bijzondere rechtsfiguur in het islamitisch recht en wordt beoordeeld naar Iraaks recht.

De man voert aan dat de vrouw afstand moet doen van de bruidsgave wegens een vrijwillige echtscheiding (khul), maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de man de uitgestelde bruidsgave van 50.000.000 Iraakse dinar moet betalen. De waarde wordt vastgesteld op basis van de goudwaarde op de huwelijksdatum, wat neerkomt op €33.798,-.

De rechtbank verklaart de beslissingen over huurrecht en bruidsgave uitvoerbaar bij voorraad, maar de echtscheiding zelf pas na inschrijving. De man wordt veroordeeld tot betaling van de bruidsgave aan de vrouw.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, huurrecht toegekend en man veroordeeld tot betaling van €33.798,- bruidsgave.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/762267 / FA RK 25-72 (echtscheiding)
C/13/774481 / FA RK 25-6365 (verdeling)
Beschikking van 25 november 2025 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. G. Alkilic, gevestigd te Den Haag,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Tamourt, gevestigd te Burgum.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen op 7 januari 2025;
  • het verweerschrift van de man, binnengekomen op 5 maart 2025;
  • het F9-formulier van de vrouw met bijlage, van 12 maart 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Irakese taal;
  • mr. C.I. Veenstra, als waarnemer voor mr. R. Tamourt.
1.3.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.4.
Van de zijde van de vrouw zijn gedurende de mondelinge behandeling pleitaantekeningen overgelegd alsmede een aanvullende bijlage.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 29 september 2014 te Kalar, Irak.
2.2.
Ten tijde van het huwelijk hadden partijen de Irakese nationaliteit. De vrouw heeft sinds 2024 de Nederlandse nationaliteit. De man heeft thans alleen de Irakese nationaliteit.
2.3.
Partijen hebben na hun huwelijk in Irak gewoond. Zij verblijven sinds 7 november 2016 in Nederland.
2.4.
Uit het huwelijk van partijen zijn geen (minderjarige) kinderen geboren.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
II. te bepalen dat de vrouw huurder zal zijn van de woning gelegen aan [adres] ;
III. te bepalen of te verklaren voor recht dat het Iraakse huwelijksvermogensregime van toepassing is en dat tussen partijen geen huwelijksgemeenschap heeft bestaan;
IV. de man te veroordelen tot betaling van een bruidsgave van € 37.064,- aan de vrouw.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot toewijzing van de verzoeken van de vrouw onder punt I tot en met III. De man concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw onder punt IV.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Scheiding
4.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.1.2.
De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist en hij gaat akkoord met het uitspreken van de echtscheiding.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.3.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
4.1.4.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.5.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
4.2.
Woning
4.2.1.
De vrouw verzoekt de toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning.
4.2.2.
De man voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw en hij gaat akkoord met de toewijzing van het huurrecht aan de vrouw.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.3.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
4.2.4.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.5.
Het verzoek van de vrouw zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
4.3.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
4.3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dan wel te verklaren voor recht dat het Iraaks huwelijksvermogensregime van toepassing is en dat tussen partijen geen huwelijksgemeenschap heeft bestaan.
4.3.2.
De man gaat akkoord met het van toepassing zijn van het Iraaks huwelijksvermogensregime en voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.3.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
4.3.4.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
4.3.5.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
4.3.6.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Irak gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
4.3.7.
Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
4.3.8.
Het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking is geen verdragsland en het beschouwt zich als een nationaliteitsland.
4.3.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder b van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Irak, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
4.3.10.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
4.3.11.
Het Iraaks recht kent als wettelijk huwelijksgoederenstelsel een strikte scheiding van vermogens, zodat sprake is van een algehele scheiding van goederen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.12.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
4.4.
De bruidsgave
4.4.1.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van de uitgestelde bruidsgave. Het verzoek kan volgens de vrouw op grond van artikel 827 lid 1 onder Pro g Rv als nevenvoorziening worden behandeld nu het voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding. De vrouw stelt dat de bruidsgave voortvloeit uit het door partijen naar Iraaks recht gesloten huwelijk, zodat de bruidsgave dient te worden beoordeeld naar Iraaks recht. Naar Iraaks recht heeft de bruidsgave een geheel eigen karakter en heeft het te gelden als een overeenkomst opgenomen in de huwelijksakte. De verplichting tot betaling blijft op de man rusten en is opeisbaar op verzoek van de vrouw. Partijen zijn in de huwelijksakte overeengekomen dat de man een bruidsgave moet voldoen van tweemaal 50.000.000 Iraakse dinar. Het eerste deel is bij het huwelijk voldaan, zoals blijkt uit de huwelijksakte. Van het (tweede) uitgestelde deel heeft de man nog niets voldaan. Omgerekend naar euro’s bedraagt de verschuldigde bruidsgave aldus € 37.064,- op de datum van indiening van het verzoekschrift.
4.4.2.
De man voert verweer en stelt dat het verzoek van de vrouw primair moet worden afgewezen omdat zij de echtscheidingsprocedure heeft geïnitieerd. In het islamitisch recht wordt dit aangeduid als een zogenaamde
khul-echtscheiding, waarbij de vrouw de man ‘vrijkoopt’ uit het huwelijk. Dit betekent dat de vrouw afstand moet doen van een eventuele bruidsgave als compensatie voor de man die instemt met de echtscheiding. Subsidiair voert de man aan dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen omdat zij haar verzoek in euro’s heeft geformuleerd. De Iraakse dinar is een wisselvallige valuta. Het is niet redelijk indien de man het verschil tussen de huidige wisselkoers en het door de vrouw verzochte bedrag moet dragen. De man voert voorts aan dat het onduidelijk is wat partijen over de bruidsgave hebben afgesproken nu er in de huwelijksakte geen nadere afspraken zijn gemaakt over welk deel van de uitgestelde bruidsgave wanneer dient te worden betaald. Tot slot voert de man aan dat de vrouw haar verzoek tot betaling van de bruidsgave niet nader heeft onderbouwd.
Ontvankelijkheid
4.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de verzochte voorziening met betrekking tot de bruidsgave als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 sub g Rv Pro kan worden opgevat aangezien deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding. De vrouw is ontvankelijk in haar verzoek.
Kwalificatie
4.4.4.
De bruidsgave (
mahr) is een rechtsfiguur in het islamitische recht. Het gaat om een toezegging tot betaling van geld en/of goederen van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vanaf de dag van de huwelijkssluiting is de vrouw eigenaar en rechthebbende van de bruidsgave. De bruidsgave moet worden bezien tegen de achtergrond dat naar islamitisch recht echtgenoten in beginsel ieder hun eigen vermogen behouden. Hoewel partijen afwijkende afspraken kunnen maken, kan de vrouw na de ontbinding van het huwelijk in principe geen aanspraak maken op het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van een echtscheiding.
4.4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de bruidsgave niet met een andere (Nederlandse) rechtsfiguur te vergelijken is. De bruidsgave naar Iraaks recht heeft een geheel eigen karakter en is niet gelijk te stellen met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. De rechtbank oordeelt, in lijn met andere rechtspraak, dat de bruidsgave in kwestie een
sui generis-karakter heeft (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:958 en ECLI:NL:GHARL:2013:9906).
Rechtsmacht
4.4.6.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 lid 1 sub Pro a, eerste gedachtestreepje, Brussel II-ter, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de bruidsgave.
Toepasselijk recht
4.4.7.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, vloeit de bruidsgave voort uit een rechtsverhouding
sui generis. Hiervoor gelden geen conflictregels, zodat de vraag rijst bij welke verwijzingscategorie het verzoek van de vrouw het beste aansluit.
4.4.8.
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat Iraaks recht van toepassing is, maar zij hebben hun standpunt niet nader onderbouwd. De rechtbank dient echter het toepasselijk recht ambtshalve vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de bruidsgave een rechtsverhouding die valt onder de in artikel 1 lid Pro 2, onder b en c, van de Rome I-verordening uitgesloten onderwerpen, zodat deze verordening niet van toepassing is. De rechtbank acht het dan ook aangewezen het bestaan en de omvang van de aanspraak te beoordelen naar het recht waaruit die aanspraak is ontstaan, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bedoeling van partijen. Nu de bruidsgave voortvloeit uit het door partijen naar Iraaks recht gesloten huwelijk, moet het verzoek van de vrouw naar het oordeel van de rechtbank worden beoordeeld naar Iraaks recht.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.9.
Vaststaat dat partijen ten tijde van het sluiten van hun huwelijk een door de man aan de vrouw te betalen bruidsgave zijn overeengekomen. Uit de huwelijksakte blijkt dat er een vooruitbetaald deel van 50.000.000,- Iraakse dinar al aan de vrouw is voldaan ten tijde van de huwelijkssluiting. Voorts zijn partijen een uitgestelde betaling van 50.000.000,- Iraakse dinar overeengekomen. Uit de huwelijksakte volgt verder niet wanneer de uitgestelde betaling door de vrouw kan worden gevorderd.
4.4.10.
Uit het partijdebat leidt de rechtbank af dat het geschil ziet op de vraag of er sprake is van
khulof een
talaqechtscheiding, of de man in dat verband de uitgestelde bruidsgave aan de vrouw dient te voldoen en (zo ja) welke waarde de bruidsgave dan heeft.
4.4.11.
De bruidsgave naar Iraaks rechts is geregeld in de zogenoemde ‘Wet op het Personeel Statuut van 1959’ (nr. 188) (WPS). Naar Iraaks recht wordt er onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van echtscheiding: de
talaq(verstoting door de man), geregeld in artikel 34 tot Pro en met 38 WPS, de
tafriq(gerechtelijke scheiding), geregeld in artikel 40 tot Pro en met 45 WPS, en de
khul(huwelijksontbinding in onderling overleg), geregeld in artikel 46 WPS Pro. Deze verschillende vormen van echtscheiding hebben niet allemaal dezelfde (rechts-)gevolgen. De rechtbank zal hieronder de
khulen
talaqechtscheiding nader bespreken nu het geschil tussen partijen daarop ziet.
4.4.12.
De
khul-echtscheiding betreft een vrijwillige echtscheiding waar beide echtgenoten mee moeten instemmen. Er vindt aanbod en aanvaarding plaats van de vrijwillige echtscheiding ten overstaan van de rechter (artikel 46 lid 1 WPS Pro). De vrouw betaalt de man een compensatie, waarvan de waarde meer of minder mag zijn dan haar bruidsschat (art. 46 lid 3 WPS Pro).
4.4.13.
De
talaq(verstoting) is geregeld in artikel 34 tot Pro en met 38 van de WPS. Hieruit volgt – samengevat – dat de
talaqdoor de man op verschillende wijzen kan worden uitgesproken, te weten mondeling, schriftelijk of door een gebaar. Na het éénmaal uitspreken van de
talaqis de verstoting herroepelijk (artikel 38 lid 1 WPS Pro). Na het tweemaal uitspreken van de
talaqis er sprake van een kleine onherroepelijke verstoting (artikel 38 lid 2 onder Pro a WPS). Dit geeft de echtgenoot de mogelijkheid opnieuw te huwen met zijn ex-echtgenote op basis van een nieuw huwelijkscontract. Na het driemaal uitspreken van de
talaqis er sprake van een onherroepelijke verstoting en is het de echtgenoot verboden om te trouwen met zijn ex-echtgenote die hij driemaal heeft verstoten en wier wachttijd is verstreken (artikel 38 lid 2 onder Pro b WPS). Voor een grote onherroepelijke verstoting dient de echtgenoot de
talaqdriemaal uit te spreken bij drie verschillende aangelegenheden (artikel 37 WPS Pro). Het uitspreken van de
talaqis niet geldig indien de echtgenoot in een van de volgende omstandigheden verkeert: dronkenschap, krankzinnig, imbeciel, gedwongen is of niet kan redeneren als gevolg van woede, een plotselinge crisis, ouderdom of ziekte (artikel 35 WPS Pro).
4.4.14.
De rechtbank overweegt dat nu de man een beroep doet op een uitzonderingsgrond, namelijk dat er sprake is van
khul-echtscheiding waardoor de vrouw haar bruidsgave dient prijs te geven, op hem de stelplicht rust om de feiten en omstandigheden aan te voeren die deze uitzondering rechtvaardigen. Dit heeft de man, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat er sprake is van een
khul-echtscheiding en zij voert aan dat er juist sprake is van een
talaqechtscheiding. Ter onderbouwing heeft de vrouw verklaard dat de man meerdere keren de echtelijke woning heeft verlaten en dat hij meerdere keren de
talaqheeft uitgesproken. De laatste keer dat de man dit heeft gedaan, was in augustus 2024 toen hij de echtelijke woning verliet. De man heeft die dag aan de vrouw te kennen gegeven dat hij haar wilde verlaten waarna hij de
talaqheeft uitgesproken en nadien niet meer is teruggekeerd. De man heeft vervolgens bij zijn vertrek alle betalingen stopgezet waardoor de vrouw is geconfronteerd met een huurachterstand. De vrouw heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling bewijs overgelegd waaruit volgt dat de man in augustus 2024 een echtscheidingsadvocaat heeft geraadpleegd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de door de vrouw overgelegde beslissing op de toevoegingsaanvraag van de man niet zondermeer met zich meebrengt dat hij voornemens was een echtscheidingsverzoek in te dienen, is het in het geheel van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank wel van belang om mee te wegen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de man het voornemen had om de vrouw te verlaten en dat hij dit voornemen ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling, dat er sprake is van een
khul-echtscheiding, dan ook onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Dat de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling heeft medegedeeld dat niet kan worden vastgesteld of de man bij het verlaten van de woning in augustus 2024 daadwerkelijk de
talaqheeft uitgesproken, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voor de rechtbank is immers aan de hand van het door de man gestelde niet komen vast te staan dat er sprake is van een
khul-echtscheiding. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de man de uitgestelde bruidsgave van 50.000.000 Iraakse dinar aan de vrouw dient te voldoen.
4.4.15.
Dan komt de rechtbank toe aan de vraag hoe de waarde van de bruidsgave moet worden bepaald. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de peildatum voor de vaststelling van haar aanspraak op de bruidsgave gewaardeerd moet worden aan de hand van de wisselkoers op de peildatum, zijnde de dag waarop zij het verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend. De man heeft ten aanzien van de door de vrouw gestelde peildatum geen verweer gevoerd. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling wel aangevoerd dat het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave subsidiair dient te worden afgewezen omdat de vrouw haar verzoek in euro’s heeft geformuleerd en het niet redelijk is indien de man de gevolgen van de wisselvallige wisselkoers van de Iraakse dinar moet dragen.
4.4.16.
De rechtbank overweegt dat op 24 juli 1999 in Irak een besluit is uitgevaardigd (nr. 127) door de Revolutionary Command Council waarin is geregeld dat de uitgestelde bruidsgave die bij de echtscheiding wordt betaald, wordt bepaald op de goudwaarde van de bruidsgave ten tijde van de huwelijkssluiting. De rechtbank merkt op dat tijdens de mondelinge behandeling wel gesproken is over de vraag welke datum (huwelijkssluiting of indiening verzoekschrift) als peildatum dient te worden genomen, maar dat niet over de waardebepaling van de hand van de goudwaarde is gesproken. De rechtbank is op grond van het Iraakse recht van oordeel dat als peildatum heeft te gelden de huwelijksdatum. Wel staat de rechtbank voor de vraag hoe de waardebepaling van het uitgestelde deel van de bruidsgave in de onderhavige zaak dient plaats te vinden. In ieder geval brengt toepassing van het voornoemde besluit met zich mee dat het subsidiaire verweer van de man niet op gaat. Immers, door toepassing van het besluit is er geen sprake van een wisselvallige wisselkoers na de huwelijkssluiting die voor rekening van de man komt. Uitgegaan wordt immers van de koers op de huwelijksdatum.
4.4.17.
Als de rechtbank het besluit van 24 juli 1999 volgt, leidt dat tot de volgende berekening. Eén gram goud had op 29 september 2014 een waarde van 45.343 Iraakse dinar. [1] De uitgestelde bruidsgave van 50.000.000 Iraakse dinar zou aldus (afgerond) 1.102 gram goud behelzen. Op basis van de wisselkoers op 29 september 2014 bedroeg 45.343 Iraakse dinar € 30,67. [2] Daarmee komt het door de man in euro’s te betalen bedrag aan bruidsgave neer op afgerond (1.102 gram goud maal € 30,67 =) € 33.798.
Als de rechtbank de verschuldigde bruidsgave berekent aan de hand van de wisselkoers (zonder de goudwaarde daarin te betrekken) leidt dat tot het volgende. Op 29 september 2014 bedroeg 50.000.000,- Iraakse dinar € 33.820,-. [3]
4.4.18.
Gelet op het minimale verschil van € 22,- die volgt uit de rekenmethodes acht de rechtbank het niet noodzakelijk om nader advies in te winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut wat betreft de rekenwijze die volgt uit het besluit van 24 juli 1999, nu de daarmee gemoeide tijd en kosten niet in verhouding staan tot het geldelijke verschil. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de bruidsgave berekend aan de hand van de goudwaarde in lijn met het besluit van 24 juli 1999. Daarmee zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw in het kader van de bruidsgave een bedrag van € 33.798,- dient te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.4.19.
De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals door beide partijen is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is. Ook de verklaring voor recht kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat dit een zuiver declaratoire beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd.

5.De beslissing

in de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/762267 / FA RK 25-72
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Kalar, Irak, op 29 september 2014;
5.2.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het anders of meer verzochte.
in de procedure met zaak- en rekestnummerC/13/774481 / FA RK 25-6365
5.5.
verklaart voor recht dat het Iraaks huwelijksvermogensregime van toepassing is en dat tussen partijen geen huwelijksgemeenschap heeft bestaan;
5.6.
veroordeelt de man om ter zake van de bruidsgave een bedrag van € 33.798,- aan de vrouw te voldoen;
5.7.
verklaart de beslissing onder 5.6 uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 25 november 2025.
Tegen deze beschikking kan voor zover er definitief is beslist door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen een termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.https://www.bullion-rates.com/gold/IQD/2014-9-history.htm