ECLI:NL:RBAMS:2025:9676

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11700560 \ CV EXPL 25-7153
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van achterstallige en toekomstige voorschotbijdragen door een Vereniging van Eigenaren, niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken procesmachtiging

In deze zaak heeft de Vereniging van Eigenaren (VvE) een vordering ingesteld tegen [gedaagde] voor de betaling van achterstallige en toekomstige voorschotbijdragen. De procedure is gestart met een dagvaarding op 7 mei 2025, gevolgd door verschillende conclusies van antwoord, repliek en dupliek. De VvE vordert een bedrag van € 642,00 voor de maanden januari tot en met mei 2025, met wettelijke rente, en een verhoogde proceskostenveroordeling omdat [gedaagde] volgens de VvE misbruik maakt van procesrecht. De VvE stelt dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen en dat er een vermoeden bestaat dat hij ook in de toekomst in gebreke zal blijven.

[gedaagde] voert verweer en stelt dat de VvE niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat er geen machtiging van de Algemene Ledenvergadering (ALV) is om de rechtsvordering in te stellen. De kantonrechter oordeelt dat de VvE inderdaad niet-ontvankelijk is, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij de benodigde machtiging heeft verkregen van de ALV. De kantonrechter wijst de vordering van de VvE af en veroordeelt haar in de proceskosten, die op nihil worden gesteld omdat [gedaagde] in persoon heeft geprocedeerd en niet op de zitting is verschenen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11700560 \ CV EXPL 25-7153
Vonnis van 27 november 2025
in de zaak van
V.v.E. [eiser]
,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: [gemachtigde] (DAS),
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek met producties,
- de brief van 26 augustus 2025 van de gemachtigde van de VvE, waarin wordt afgezien om te reageren op de bij dupliek overgelegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij akte van splitsing van 20 januari 2004 is het bedrijfsverzamelgebouw aan de [locatie] gesplitst in 22 appartementsrechten (bedrijfsunits) en is de VvE opgericht. Het Modelreglement 1992 is van toepassing verklaard, behoudens voor zover de splitsingsakte wijzigingen of aanvullingen daarop kent (hierna: het splitsingsreglement).
2.2.
Artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement luidt:
“Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaande. Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren en voor het nemen van conservatoire maatregelen.”
2.3.
[gedaagde] is gerechtigd tot het appartementsrecht met appartementsindexnummer 11 en van rechtswege lid van de VvE.
2.4.
Bij brief van 14 februari 2025 heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde] – onder meer – gesommeerd om de op dat moment bestaande betalingsachterstand aan voorschotbijdragen over 2025 ten bedrage van € 256,80 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de brief.
2.5.
Blijkens de notulen van de algemene ledenvergadering (ALV) van 7 juli 2025 heeft de vergadering – onder meer – het volgende besluit genomen:
“De ALV gaat akkoord met de begrotingen voor 2024 en 2025 zoals weergegeven in de respectievelijke jaarrekeningen van 2023 en 2024. Hiermee staan de voorschotbijdrages voor 2025 en 2025 vast.”
2.6.
[gedaagde] heeft op 23 juli 2025 een bedrag van € 1.540,80 aan voorschotbijdragen 2025 betaald.

3.Het geschil

3.1.
De VvE vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 642,00, zijnde de voorschotbijdragen over de maanden januari tot en met mei 2025, met wettelijke rente, alsmede de nog te vervallen (voorschot)bijdragen, vermeerderd met de eventuele door de VvE vast te stellen maandelijkse verhoging, tot een maximumbedrag van € 25.000,00 of zoveel eerder wanneer het lidmaatschap van [gedaagde] eindigt. Ten slotte vordert de VvE een verhoogde forfaitaire proceskostenveroordeling omdat, zoals zij stelt, [gedaagde] misbruik maakt van procesrecht.
3.2.
De VvE legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de voorschotbijdragen tijdig te voldoen. Bij de VvE bestaat er een vermoeden dat [gedaagde] ook in de toekomst hiermee in gebreke zal blijven. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de VvE naar het vonnis van de kantonrechter van 13 februari 2025, waarin [gedaagde] is veroordeeld tot betaling van achterstallige voorschotbijdragen over de periode van oktober 2021 tot en met december 2024.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de VvE omdat een incassobesluit ontbreekt, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de VvE, met veroordeling van de VvE in de kosten van deze procedure. Daartoe voert hij – kort samengevat – aan dat de kantonrechter niet bevoegd is en dat de vorderingen niet opeisbaar zijn omdat de voorschotbijdragen niet zijn vastgesteld aan de hand van een vastgestelde begroting. Bovendien hebben meerdere leden, waaronder drie van de vier bestuursleden en de leden van de kascommissie een betalingsachterstand en vindt hij het schandalig dat zij niet en hij wel is gedagvaard.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
de kantonrechter is bevoegd
4.1.
Ingevolge artikel 93 aanhef en onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden zaken betreffen vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00,
de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen, door de kantonrechter behandeld en beslist, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist.
4.2.
[gedaagde] heeft de bevoegdheid van de kantonrechter betwist.
4.3.
Aan [gedaagde] kan worden meegegeven dat het petitum van de dagvaarding zo kan worden gelezen dat de vorderingen de competentiegrens van € 25.000,00 overschrijden, maar nu de VvE in haar repliek uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij het
totaalvan de vorderingen beperkt tot € 25.000,00, is de kantonrechter (alsnog) bevoegd. Het had de VvE gesierd als zij het petitum hierop had aangepast. Anders dan [gedaagde] meent worden de gevorderde proceskosten in dit kader niet meegeteld.
een procesmachtiging ontbreekt
4.4.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de VvE niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat een machtiging van de ALV om onderhavige procedure tegen hem te voeren (een procesmachtiging) ontbreekt. Dit verweer slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.5.
Op grond van artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement behoeft de VvE voor het instellen van rechtsvorderingen een machtiging van de ALV. Ondanks dat [gedaagde] zich uitdrukkelijk op het ontbreken van een procesmachtiging heeft beroepen, heeft de VvE deze niet overgelegd, zodat de VvE onvoldoende heeft onderbouwd dat de vergadering het bestuur heeft gemachtigd om de onderhavige rechtsvordering in te stellen. De VvE had deze machtiging ook nog lopende de procedure kunnen overleggen, maar heeft dat niet gedaan. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de VvE hiertoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Daarom zal de VvE niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.6.
Gelet op het vorenstaande komt de kantonrechter aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen niet toe.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de VvE omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten worden op nihil begroot omdat [gedaagde] in persoon heeft geprocedeerd en niet op de (rol)zitting is verschenen, maar schriftelijk heeft geprocedeerd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart de VvE niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
5.2.
veroordeelt de VvE tot betaling van de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] tot heden op nihil worden gesteld,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. B.A. Terwee, griffier.
452