ECLI:NL:RBAMS:2025:9677

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/13/777534 / JE RK 25-779
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling bij voogdijpupil op grond van artikel 1:377e BW

Op 9 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in de zaak van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WSS) betreffende de wijziging van de omgangsregeling tussen een moeder en haar minderjarige kind. De WSS had verzocht om de frequentie van de omgang te wijzigen van eenmaal per vier weken naar eenmaal in de drie maanden, onder begeleiding van pleegzorg of een door de WSS aangewezen professional. Dit verzoek was ingegeven door de onrustige en onveilige omstandigheden tijdens eerdere omgangsmomenten, waarbij de moeder zich niet aan de afspraken hield en er sprake was van verbaal en fysiek intimiderend gedrag. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de omgangsmomenten niet goed verliepen en dat de moeder niet in staat was om de afspraken na te komen, wat leidde tot emotionele stress voor het kind. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de wijziging van de omgangsregeling noodzakelijk is voor het welzijn van het kind, en heeft het verzoek van de WSS toegewezen. De nieuwe regeling houdt in dat de omgang tussen de moeder en het kind nu eenmaal in de drie maanden zal plaatsvinden, met de nadruk op de emotionele haalbaarheid voor het kind. De kinderrechter heeft ook benadrukt dat de informatieregeling, waarbij de moeder eenmaal per vier weken op de hoogte wordt gehouden van belangrijke zaken omtrent het kind, blijft bestaan.

Uitspraak

Beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/777534 / JE RK 25-779 (AvL/ID)
datum uitspraak: 9 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de omgangsregeling
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de WSS,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt naast [minderjarige] als belanghebbende aan:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoek van de WSS, ingekomen op 23 oktober 2025;
- het gewijzigde verzoek, met bijlagen, van de WSS ontvangen op 1 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 december 2025.
Verschenen zijn: de moeder, mevrouw [naam 1] namens de WSS, en mevrouw [naam 2] namens Levvel.
1.3.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hierover op 1 december 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
1.4.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de - zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling - nadien ingekomen stukken, te weten:
- de door de moeder overgelegde e-mailberichten/stukken, ingekomen op 3 december 2025;
- aanvullende stukken van de WSS, ontvangen op 4 december 2025.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 november 2023 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de WSS belast met de voogdij over [minderjarige] .
2.2.
Bij vorenbedoelde beschikking van 24 november 2023 is ook een omgangsregeling vastgesteld inhoudende dat de moeder eens per vier weken één uur onder begeleiding omgang heeft met [minderjarige] . Daarnaast is een informatieregeling vastgesteld waarbij de WSS dan wel de pleegzorgwerker is gehouden de moeder eenmaal per vier weken schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] en daarbij een recente foto mee te sturen.
2.3.
[minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De WSS verzoekt bij gewijzigd verzoek van 1 december 2025, uitvoerbaar bij voorraad, de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat er omgang zal zijn tussen de moeder en [minderjarige] :
* eenmaal in de drie maanden, uitsluitend onder begeleiding van pleegzorg of een door de WSS
aangewezen professional, op een neutrale locatie, waarbij de omgang alleen doorgaat indien dit voor
[minderjarige] emotioneel haalbaar is.

4.De standpunten

4.1.
De WSS heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd onder verwijzing naar het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen. De WSS voert aan dat eerder aan de rechtbank was verzocht, mede op advies van Levvel Pleegzorg, om de frequentie van de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de moeder te wijzigen van eenmaal per maand naar eenmaal in de zes weken. Dit omdat [minderjarige] had aangegeven dat zij behoefte had aan meer rust, voorspelbaarheid en ruimte om zich te kunnen concentreren op school en haar sociale leven, en ook omdat meerdere bezoeken niet goed waren gegaan. De WSS geeft aan dat het negatieve verloop van de recente omgangsmomenten maakt dat een gewijzigd verzoek is ingediend inhoudende dat er eenmaal in de drie maanden omgang zal zijn tussen de moeder en [minderjarige] .
De moeder is herhaaldelijk de afspraken niet nagekomen, is zonder bericht niet of te laat verschenen en wanneer de bezoeken wel doorgingen verliepen deze onrustig of onveilig. Het bezoek op 12 november 2025 is voortijdig beëindigd vanwege het verbaal en intimiderende gedrag van de moeder richting de pleegzorgmedewerker. [minderjarige] was hierbij aanwezig en heeft nadien aangegeven dat zij langere tijd geen contact meer wenst te hebben met haar moeder.
[minderjarige] voelt zich teleurgesteld in moeder en is boos, maar tegelijkertijd heeft zij medelijden met haar moeder. Hierbij voelt [minderjarige] zich ook verantwoordelijk voor de gevoelens van haar moeder, wat haar eigen ontwikkeling onder druk zet. De WSS voert aan dat ondanks intensieve inzet om de begeleide omgang te doen slagen het de moeder in de afgelopen jaren niet is gelukt zich aan de afspraken te houden of haar gedrag aan te passen zodat de omgang voor [minderjarige] draaglijk en veilig is. Er zijn meerdere herstelgesprekken gevoerd met de moeder, maar ze kwam niet of ze was het niet eens. De WSS geeft aan dat de voortdurende spanning rondom de omgangsmomenten ervoor zorgt dat [minderjarige] minder goed kan ontspannen, minder geconcentreerd is op school en dat zij zich terugtrekt in sociale situaties. De WSS vindt het daarom noodzakelijk dat de frequentie van de omgang wordt beperkt naar een begeleid contact van eenmaal in de drie maanden. Een langere periode tussen de bezoeken geeft [minderjarige] de rust en de ruimte die zij nodig heeft om emotioneel te herstellen en haar eigen ontwikkeling voort te kunnen zetten. Desgevraagd geeft de WSS aan dat de moeder een uitje met [minderjarige] is gegund, maar dat een eerder bezoek naar de McDonald’s niet goed is verlopen.
De WSS betwist dat de moeder geen informatie krijgt over [minderjarige] nu alle updates van de pleegzorg- medewerker over [minderjarige] aan de moeder worden toegezonden.
4.2.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij het niet eens is met het verzoek. De moeder geeft aan recht te hebben op omgang en wil dat de band tussen haar en [minderjarige] wordt hersteld. De moeder wenst meer en langere omgangsmomenten met [minderjarige] , en ook dat zij leuke dingen kan doen met [minderjarige] en naar buiten kan gaan, bijvoorbeeld naar een park. De
moeder is van mening dat de WSS en de pleegzorgmedewerker verantwoordelijk zijn voor het niet doorgaan van de eerdere bezoeken en geeft aan dat zij beperkt wordt in haar rol als moeder. De moeder ontkent dat zij boos of agressief is geweest tijdens het laatste bezoek. Zij heeft alleen aan [minderjarige] gevraagd of zij weet wat haar rechten zijn. Ook vindt de moeder de berichtgeving en communicatie vanuit de WSS over de omgang en de wisselende locaties, soms verwarrend en niet duidelijk. In dit kader heeft de moeder tijdens de zitting meerdere e-mailberichten overgelegd om dit aan te tonen. De moeder denkt dat [minderjarige] gemanipuleerd en misleid wordt door de pleegouders, de WSS en de pleegzorgmedewerkers, als zij zegt dat zij minder contact wil hebben. [minderjarige] heeft nooit tegen haar gezegd dat ze de bezoeken emotioneel zwaar vindt. Wel ziet de moeder verdriet in het gezicht van [minderjarige] en ziet ze bleek en is ze heel mager. De moeder is bezorgd over het welzijn van [minderjarige] bij de pleegouders en denkt dat [minderjarige] bang is om zich uit te spreken.
4.3.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij zich kan vinden in het voorstel van de WSS.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 1:377e Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2.
Ook een gecertificeerde instelling die belast is met de voogdij over een kind, kan de rechter op grond van voornoemd wetsartikel verzoeken een omgangsregeling vast te stellen, te wijzigen of het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen (Hoge Raad, 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943).
Ontvankelijkheid
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het vaststellen van de omgang bij beschikking van de rechtbank van 24 november 2023. De omgangsmomenten verlopen niet goed en de WSS heeft op basis hiervan het verzoek ingediend. De WSS is dus ontvankelijk in het verzoek.
Wijziging omgangsregeling
5.4.
Op grond van de stukken en de afgelegde verklaringen tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de omgangsmomenten sinds het vaststellen van de omgang bij beschikking van de rechtbank van 24 november 2023 niet altijd goed zijn verlopen. Duidelijk is dat de moeder soms moeite heeft om de afspraken goed na te komen. Ook verliepen de bezoeken een aantal keer onrustig of zelfs onveilig. Het meest recente bezoekmoment op 12 november 2025 moest voortijdig worden afgebroken omdat de moeder verbaal en fysiek intimiderend gedrag richting de pleegzorgmedewerker heeft getoond. [minderjarige] was daarbij aanwezig en was overstuur en heeft aangegeven hier last van te hebben.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat door de WSS voldoende is onderbouwd dat de onvoorspelbaarheid van moeder en de escalaties tijdens de bezoeken een patroon vormen en dat de omgang voor [minderjarige] met moeder voor haar een terugkerende bron van spanning en emotionele ontregeling is. Voorafgaand aan de bezoeken voelt [minderjarige] onrust en stress en na afloop heeft zij behoefte aan herstel en afstand. Voor [minderjarige] is het contact met moeder op deze manier onvoorspelbaar omdat zij nooit zeker weet of het fijn zal verlopen en of de moeder wel komt. Verder blijkt dat er bij [minderjarige] sprake is van parentificatie en dat de omgekeerde zorgregeling haar eigen ontwikkeling en zelfbeeld onder druk zet. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij haar moeder heel graag wil blijven zien, maar dat zij wel graag zou willen dat de bezoekafspraken altijd leuk en positief zijn.
5.6.
Anders dan moeder stelt, is er volgens de kinderrechter geen sprake van manipulatie van [minderjarige] . Ook is het niet gebleken dat [minderjarige] ’s welzijn in het pleeggezin in gevaar is; het is voor [minderjarige] veilig en vertrouwd in het pleeggezin. Uit de door moeder aan de rechtbank gestuurde correspondentie tussen haar en Levvel blijkt wel dat er met enige regelmaat discussie ontstaat over de bezoekafspraken. Zo wordt moeder geconfronteerd met een wisselende locatie van de afspraken, wat moeder lastig vindt. Ook blijkt dat moeder graag wil dat de bezoekafspraken steeds doorgaan en dat zij behoefte heeft aan regelmatig contact met [minderjarige] . Tegelijk leest de kinderrechter in de e-mail correspondentie dat aan moeder tijdig over de locatie van het bezoek wordt bericht. Daarbij wordt uitgelegd dat bezoekafspraken soms op een andere plek plaatsvinden vanwege het rooster van [minderjarige] . Ook schrijft Levvel dat het soms in [minderjarige] ’s belang is een bezoekafspraak over te slaan, omdat zij dan andere zaken aan haar hoofd heeft. Met name speelde dit rondom het einde schooljaar, toen [minderjarige] het druk had met haar toetsen, en in de zomervakantie, toen [minderjarige] andere afspraken had met vrienden en het pleeggezin. Enerzijds snapt de kinderrechter de frustratie van moeder over het uitstellen of niet doorgaan van de bezoekafspraken of het wisselen van de locatie. Tegelijk ziet de kinderrechter ook dat Levvel steeds haar best doet om moeder mee te nemen in de achterliggende gedachten hiervan en daarbij handelt vanuit het belang van [minderjarige] . Ook wordt getracht tot een vergelijk te komen door aan te bieden dat een volgende omgangsmoment dan wat langer duurt, zoals blijkt uit de mail van Levvel van 23 juni 2025. Het is wel ongelukkig voor moeder dat de in die e-mail voorgestelde bezoekafspraak weer werd uitgesteld op verzoek van [minderjarige] omdat zij graag naar Walibi wilde. Dat moeder niet begrijpt waarom de bezoekafspraak moet wijken voor een bezoek aan Walibi, is de kinderrechter duidelijk. De kinderrechter wil meegeven aan moeder toch te proberen dit als een positieve ontwikkeling te zien. [minderjarige] ontwikkelt zich en wordt steeds zelfstandiger in haar keuzes. Zij heeft een sociale kring opgebouwd waarmee ze leuke dingen wil ondernemen. Dat een bezoek aan Walibi in de zomervakantie een uitje is wat je niet wil missen, is ook zeer begrijpelijk. De kinderrechter hoopt dat moeder dit niet als afwijzing ervaart en [minderjarige] steunt in het maken van haar eigen keuzes. Moeder is een zeer belangrijk persoon in het leven van [minderjarige] en [minderjarige] wil haar niet missen. Wel is het belangrijk dat moeder niet de discussie aangaat met Levvel tijdens de bezoekafspraken, maar dit buiten (aanwezigheid van) [minderjarige] om doet. [minderjarige] heeft hier last van en dit bederft de bezoekafspraken.
5.7.
Gelet op het onderbouwde verzoek van de WSS is de kinderrechter van oordeel dat langere periodes tussen de bezoeken nodig zijn zodat [minderjarige] rust en ruimte krijgt om emotioneel te herstellen en om toe te komen aan haar eigen ontwikkeling. De op dit moment geldende begeleide omgangsregeling van éénmaal in de vier weken een uur is niet (langer) haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] . Duidelijk is dat de huidige regeling te belastend is voor [minderjarige] en dat de voortdurende spanning rondom de omgangsmomenten ervoor zorgen dat [minderjarige] wordt belemmerd in haar ontwikkeling en schoolprestaties en schadelijk is voor haar welzijn. De kinderechter zal het verzoek van de WSS dan ook toewijzen en de frequentie van de begeleide omgangsmomenten wijzigen naar eenmaal in de drie maanden. De kinderrechter verwacht daarbij dat de beperktere omgangsregeling, zoals nu wordt vastgelegd, eraan bij zal dragen dat de band tussen [minderjarige] en haar moeder goed blijft. Hopelijk kunnen de omgangsmomenten op een veilige, onbelaste en ontspannen manier verlopen en kunnen [minderjarige] en moeder hier plezier aan beleven. Voor de goede orde wijst de kinderrechter er nog op dat de informatieregeling, waarbij moeder eenmaal per vier weken wordt geïnformeerd over [minderjarige] , gewoon zo blijft.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
- wijzigt de door de rechtbank bij beschikking van 24 november 2023 vastgestelde omgangsregeling,
in die zin dat er omgang is tussen de moeder en [minderjarige] eenmaal in de drie maanden, uitsluitend onder begeleiding van pleegzorg of een door de WSS aangewezen professional, op een neutrale locatie, waarbij de omgang alleen doorgaat indien dit voor [minderjarige] emotioneel haalbaar is;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A. van Luijck, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2025, in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).