ECLI:NL:RBAMS:2025:9695

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11821033 EA VERZ 25-882
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:682 lid 1 onderdeel c BWArt. 7:669 lid 3 onderdeel b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek billijke vergoeding wegens niet ernstig verwijtbaar handelen werkgever

In deze zaak vordert verzoeker een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 onderdeel Pro c BW, omdat de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV is opgezegd wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro b BW. Verzoeker stelt dat de gemeente Amsterdam ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door geen parkeervergunning of alternatieve vervoersvoorziening te verstrekken, ondanks het advies van de bedrijfsarts.

De kantonrechter beoordeelt de re-integratie-inspanningen van de gemeente Amsterdam vanaf de ziekmelding op 17 december 2020. Uit de medische adviezen blijkt dat verzoeker in januari en februari 2021 een tijdelijke parkeervergunning had en dat een permanente vergunning toen niet noodzakelijk was omdat verzoeker meerdere niet-werkgerelateerde aandoeningen had waardoor re-integratie niet mogelijk was.

Vanaf april 2024, toen de re-integratie in spoor 1b startte, beschikte verzoeker weer over een parkeervergunning en kon zij enkele uren per week werken. De gemeente heeft de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd en het UWV heeft geoordeeld dat de re-integratieverplichtingen zijn nagekomen. Hoewel communicatie over de parkeervergunning niet altijd optimaal was, is niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen.

De kantonrechter concludeert dat het verzoek om billijke vergoeding wordt afgewezen en veroordeelt verzoeker in de proceskosten van de gemeente Amsterdam.

Uitkomst: Het verzoek om billijke vergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11821033 \ EA VERZ 25-882
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: gemeente Amsterdam,
gemachtigde: mr. S.L. Haasdijk.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Hillebrink als griffier.
Aanwezig zijn:
- [verzoeker] in persoon, bijgestaan door de gemachtigde;
- namens gemeente Amsterdam [naam 1] (HR adviseur) en [naam 2] (Afdelingshoofd Jeugdgezondheidszorg GGD), bijgestaan door de gemachtigde.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend.
1.2.
Uit artikel 7:682 lid 1 onderdeel Pro c BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, aan die werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien een opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel b, BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op grond waarvan de werknemer aanspraak kan maken op een billijke vergoeding geldt een hoge drempel. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd.
1.3.
Volgens [verzoeker] heeft gemeente Amsterdam ernstig verwijtbaar gehandeld. Gemeente Amsterdam is haar re-integratieverplichtingen niet nagekomen omdat zij, ondanks het uitdrukkelijke advies van de bedrijfsarts, geen parkeervergunning heeft verstrekt noch een andere vervoersvoorziening heeft aangeboden zodat [verzoeker] haar werk kon blijven doen. Gemeente Amsterdam heeft dit gemotiveerd weersproken.
1.4.
De kantonrechter moet een oordeel uitspreken over de re-integratie-inspanningen van gemeente Amsterdam. De periode voorafgaande aan de ziekmelding op 17 december 2020 wordt hierin dan ook niet meegenomen. Uit de overgelegde adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige blijkt dat de re-integratiemogelijkheden van [verzoeker] gedurende haar arbeidsongeschiktheid beperkt waren. In januari en februari 2021 beschikte [verzoeker] over een tijdelijke parkeervergunning. Hoewel de bedrijfsarts in de probleemanalyse van 28 januari 2021 heeft aangegeven dat er een medische indicatie bestond voor een permanente parkeervergunning, kan het gemeente Amsterdam niet worden verweten dat zij op dat moment geen parkeervergunning aan [verzoeker] heeft verstrekt. Ten eerste kon [verzoeker] met een medische indicatie zelf een parkeervergunning aanvragen. Daarnaast volgt uit latere adviezen van de bedrijfsarts dat sprake was van meerdere medische aandoeningen, niet werk gerelateerd en niet onderling gerelateerd, waardoor re-integratie toen niet mogelijk was. In die periode (van maart 2021 tot april 2024) was een parkeervergunning voor het werk dus niet noodzakelijk. In april 2024, het moment dat de re-integratie in spoor 1b startte, beschikte [verzoeker] wel weer over een met behulp gemeente Amsterdam verkregen parkeervergunning en kon zij enkele uren in de week werkzaamheden verrichten. Op de momenten waarop re-integratie mogelijk was, was de parkeervergunning dus aanwezig. Niet gebleken is dat gemeente Amsterdam de adviezen van de bedrijfsarts niet heeft opgevolgd. Bovendien heeft het UWV in het deskundigenoordeel geoordeeld dat gemeente Amsterdam haar re-integratieverplichtingen is nagekomen. Er zijn geen aanwijzingen dat gemeente Amsterdam ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Niet kan worden uitgesloten dat de communicatie over de parkeervergunning niet altijd goed is verlopen en dat de toenmalige leidinggevende mogelijk heeft onderschat wat het verlies van de parkeervergunning met [verzoeker] deed. Als het ontbreken van de parkeervergunning de enige oorzaak van de arbeidsongeschiktheid zou zijn geweest, had dat mogelijk tot een ander oordeel kunnen leiden. Uit de stukken blijkt echter dat van aanvang af sprake was van meerdere, niet gerelateerde medische aandoeningen.
1.5.
De kantonrechter is op grond van het bovenstaande dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat gemeente Amsterdam haar re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd of dat anderszins sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:682 BW Pro. Het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding zal dus worden afgewezen.
1.6.
[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van gemeente Amsterdam vast op € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 nakosten.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
wijst het verzoek af;
2.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van gemeente Amsterdam van € 881,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
2.3.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.