ECLI:NL:RBAMS:2025:9715

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/13/757578 / HA ZA 24-1108
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over betaling en gebreken bij aanneming van werk tussen twee besloten vennootschappen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen twee besloten vennootschappen, [eiser] B.V. en [gedaagde] B.V., over de uitvoering van renovatiewerkzaamheden. [eiser] vorderde betaling van de derde termijn van de aanneemsom, alsook betaling voor extra werk, terwijl [gedaagde] zich beriep op gebreken in het geleverde werk en een opschortingsrecht. De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] in verzuim was met de betaling van de derde termijn, omdat zij deze niet tijdig had voldaan. De rechtbank oordeelde dat [eiser] recht had op betaling van € 25.000,- voor de derde termijn, maar dat dit bedrag verminderd moest worden met € 7.254,80 aan minderwerk, waardoor het uiteindelijke te betalen bedrag € 19.834,20 bedraagt. De overige vorderingen van [gedaagde] werden afgewezen, en zij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De rechtbank verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/757578 / HA ZA 24-1108
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen (in mannelijk enkelvoud): [eiser] ,
advocaat: mr. T. Loeffen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.M.E. Haverlag.

1.De kern van de zaak

1.1.
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] renovatiewerkzaamheden uitgevoerd aan een woning van een klant van [gedaagde] . [eiser] vordert in deze zaak betaling van de derde betalingstermijn, overeengekomen extra werk en meerwerk.
1.2.
[gedaagde] is het hier niet mee eens. Zij vindt dat er sprake is van gebrekkig werk en minderwerk en dat zij daarom gerechtigd was om de betaling op te schorten. Daarnaast meent zij dat zij gedeeltelijk van de overeenkomst af kan, een schadevergoeding kan vorderen voor de herstelkosten en dat vanwege het minderwerk geld aan haar moet worden terugbetaald. Dat alles vordert zij als tegenvordering. Daarnaast vordert zij herstel van twee punten van het werk.
1.3.
De rechtbank geeft [eiser] grotendeels gelijk en beslist dat [gedaagde] de derde betalingstermijn en een deel van het extra werk moet betalen. Hierop komt wel nog een deel aan minderwerk in mindering. De overige vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen. Hierna worden deze beslissingen uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 september 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 2 april 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2025 en de daarin genoemde aktes van [gedaagde] (houdende eiswijzigingen in reconventie en overlegging producties), en de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden,
- de akte uitlating producties in reconventie tevens akte houdende vermeerdering van eis in conventie van [eiser] , met producties,
- de akte uitlatingen na eisvermeerdering van [gedaagde] , met producties,
- de akte uitlating producties van [eiser] ,
- het e-mailbericht van de rechtbank dat de behandelend rechter niet in staat is het vonnis te wijzen en dat partijen een verzoek kunnen doen om een nadere mondelinge behandeling,
- de e-mailberichten van 2 en 19 september 2025 van [gedaagde] , waaruit blijkt dat zij aanvankelijk een nieuwe behandeling wenste, maar hier later van is teruggekomen.

3.De feiten

3.1.
Tussen [eiser] als aannemer en [gedaagde] als opdrachtgever is een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de renovatie van de woning van een klant van [gedaagde] , nadat [eiser] een offerte aan [gedaagde] had voorgelegd. Uit de offerte van 5 oktober 2023 blijkt dat de totale aanneemsom neerkomt op € 79.556,25 inclusief btw. Daarnaast staat hierin ‘meerwerk’ opgenomen voor een totaalbedrag van € 5.116,50 inclusief btw.
3.2.
Op de aannemingsovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk van [eiser] van toepassing verklaard. Deze houden, voor zover relevant, het volgende in:
Artikel 6: Meer en minder werk
1. Verrekening van meer en minder werk vindt plaats:
a. ingeval van wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering;
b. ingeval van afwijkingen van de bedragen van de stelposten;
c. ingeval van afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden;
2. In geval van door de opdrachtgever gewenste wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
3. Wijzigingen in de overeenkomst dan wel de voorwaarden van uitvoering zullen – behoudens spoedeisende omstandigheden – schriftelijk of elektronisch worden overeengekomen. Het gemis van een schriftelijke of elektronische opdracht laat de aanspraken van de aannemer en van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet. Bij gebreke van een schriftelijke opdracht rust het bewijs van de wijziging op degene die de aanspraak maakt.
(…)
Artikel 7: Betaling
1. Indien betaling in termijnen is overeengekomen, zendt de aannemer telkens bij of na het verschijnen van een betalingstermijn de desbetreffende termijnfactuur aan de opdrachtgever toe. (…)
2. Betaling van een ingediende factuur dient plaats te vinden uiterlijk 7 dagen na de factuurdatum, met dien verstande dat bij de oplevering alle ingediende termijnfacturen en de facturen met betrekking tot het overeengekomen meer werk dienen te zijn voldaan, onverminderd de toepasselijkheid van artikel 8 en artikel 13 en op voorwaarde dat de aannemer deze facturen tijdig voor de oplevering heeft ingediend. De aannemer is gerechtigd de factuur betreffende de bij oplevering verschuldigde termijn van 14 dagen voor de geplande oplevering in te dienen.
(…)
Artikel 11: In gebreke blijven van de opdrachtgever
(…)
4. Indien de opdrachtgever enige op hem rustende verplichting niet nakomt, is de aannemer gerechtigd het werk te schorsen tot het moment waarop de opdrachtgever deze verplichting is nagekomen, dan wel het werk in onvoltooide staat te beëindigen, mits de aannemer de opdrachtgever vooraf schriftelijk of elektronisch op deze gevolgen van het niet-nakomen heeft gewezen. Het in de vorige zin bepaalde laat onverlet het recht van de aannemer op vergoeding van schade, kosten en rente.
(…)
Artikel 13: Opschorting van de betaling
Indien het uitgevoerde werk niet voldoet aan de overeenkomst heeft de opdrachtgever het recht de betaling geheel of gedeeltelijk op te schorten. Het met de opschorting gemoeide bedrag dient in redelijke verhouding te staan tot de tekortkoming. De opdrachtgever meldt schriftelijk of elektronisch de opschorting en de reden daarvan aan de aannemer.
(…)
3.3.
Op 19 oktober 2023 heeft [eiser] per WhatsApp-bericht aan [gedaagde] gevraagd:
“(…) Naar wie stuur ik factuur met termijn bedrag? Doen we 3x + 5%?”
3.4.
Hierop heeft [gedaagde] diezelfde dag per WhatsApp-bericht geantwoord:
“Je pas jij het maar even aan en graag facturering naar mij.”
3.5.
Daarna is [eiser] begonnen met de werkzaamheden. [eiser] heeft twee facturen van elk € 25.000,- aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft de eerste factuur volledig in één keer betaald, maar de tweede factuur in twee delen. [gedaagde] heeft hiervan op 29 december 2023 het eerste deel van € 20.000,- voldaan.
3.6.
Op 25 januari 2024 heeft [eiser] per WhatsApp-bericht aan [gedaagde] gevraagd wanneer de derde termijn zal worden betaald als deze factuur wordt gestuurd. Hierop heeft [gedaagde] geantwoord:
“(…) Dat kan nog even duren. Ze zijn gisteren vertrokken en ondanks belofte heb ik nog geen geld van ze gezien. Komt mogelijk uit een bouwdepot dus dat kan nog even duren. Heb jij vrijdagmiddag tijd om Hilversum door te spreken qua financiën planning en afronding? (…)”
3.7.
Op 4 februari 2024 heeft [eiser] de derde factuur van € 25.000,- aan [gedaagde] gestuurd.
3.8.
[gedaagde] heeft [eiser] diezelfde dag per e-mail laten weten dat zij deze factuur inhoudelijk wil bespreken, waaronder de afspraken over het meer- en minderwerk. Daarnaast heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de kwaliteit van het werk, waarbij zij heeft gewezen op een opleverlijst en een aantal punten die niet goed of nog niet zijn uitgevoerd. Zij heeft hierover het volgende geschreven:
“(…) Ik heb naast de opleverlijst zoals reeds bekend, aanvullende vragen en punten mbt. de gekozen oplossingen en toegepaste producten door jullie.
-
Zo mis ik onder de noppenplaten voor de vloerverwarming de isolatielaag? Was afgesproken. Ook de verdeling van de 7 groepen is niet zoals vooraf besproken. Uitbouw 3 groepen. Tussenruimte 1-2, Woonkamer bestaand 2 en de hal/wc worden gevoed met de slangen door de gang.
De zevende groep heeft nu een heel klein circuit.
Ik zeg hier niet dat alles opnieuw moet. Wat is er van onze afspraken gekomen?
  • De afvoer van de HWA is nu aangesloten met een cv-buis? Lijkt mij niet de bedoeling.
  • repareren van het geveldoek is gedaan. Maar het is niet afgetapet?
  • meterkast heeft nu nog geen 4kwardraads aansluitingen.
  • stenen onder uitbouw die nieuwe gevelbekleding in de weg zitten zijn ondanks overleg niet aangepast.
Jongen ter plekke wist niet dat dat moest. Afgelopen vrijdag.
  • HWA in overstek zit nog niet op de juiste plaats.
  • Metingen van de wc wand zijn nog steeds te hoog. Vochtprobleem is misschien nog niet opgelost.
(…)”
3.9.
Per WhatsApp-bericht van 15 februari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht om de derde factuur te betalen. Hierop heeft [gedaagde] gereageerd dat de rekening moet worden besproken en dat de kosten naast elkaar moeten worden gelegd.
3.10.
Op 19 februari 2024 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] gevraagd:
“(…) Ik ga zo naar Hilversom om het werk te bekijken. Hoe ver zijn jullie? Kan er opgeleverd worden volgens de opleverlijst? Misschien kan jij er ook zijn over een uurtje (…)”
3.11.
Hierop heeft [eiser] bevestigend gereageerd.
3.12.
Daarna heeft [eiser] meermaals via WhatsApp aan [gedaagde] verzocht om betaling van de derde factuur, waarop [gedaagde] heeft gereageerd dat zij hier zo snel mogelijk op terug zal komen.
3.13.
Per WhatsApp-bericht van 4 maart 2024 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:
“(…) Voor de zoveelste keer beloofde je het werk af te maken in het bijzijn van [naam 1] en dat is niet gebeurd. Ik heb [naam 1] nu gemeld dat ik de laatste zaken zal oppakken. De wc is gedaan, de wc deur afgehangen. Tweede verdeler geplaatst, vloeren gestort, schroeven verwijderend. Comriband geplakt, stenen/voegwerk hersteld, Hwa afgemaakt. We missen de woonkamerdeur. Tijdens de hele bouw en ook eerdere opleverpunten heb je mondeling steeds beloofd zaken op te lossen. Ik heb je daar de tijd en ruimte voor gegeven. En verantwoord aan [naam 1] . Die vaak teleurgesteld was en je niet meer geloofde. Maar het verbaasde mij nog meer dat bepaalde werkzaamheden niet meteen goed in het werk werden gemaakt. (maatvoering, Metselwerk/voegwerk, loodwerk, de latten voor afwerking zitten schots en scheef en niet waterpas. Is gewoon niet knap. De fundering steekt overal uit. Verdwijnen voeding schuur en geen ventilatie tijdens de stort voor bestaande kruipruimte.).
Dat geeft teleurstelling en schaad onze reputatie. Sommige zaken zijn nog steeds niet goed. Ik wil met je dit werk zo snel mogelijk afronden, geld innen en verder gaan. Maar er zijn nu te veel losse eindjes. Er ligt een e-mail met vragen aan je die je niet hebt beantwoord. Zou je dat alsnog willen doen. Ik ga mijn best doen dat [naam 1] en [naam 2] een deel van de laatste termijn betalen, zodat jij jouw onderaannemers kunt betalen. (…)”
3.14.
Hierop heeft [eiser] per WhatsApp-bericht van 11 maart 2024 geantwoord:
“(…)Wij hadden afgesproken 3 termijnen + 5%. Eerste termijn is na 1 week betaald. Tweede termijn is, een maand later betaald en ook niet volledig. Mist nog 5.000 euro. Derde termijn helemaal niet. Om een goede voortgang van de werkzaamheden te hebben, moet betaling ook op tijd binnen zijn. Er is 50% betaald in plaats van 95%. Werkzaamheden zijn wel voor 95% afgerond. Dus wij hebben voorgeschoten. Wij hebben samen afspraken gemaakt. Ik heb geen afspraken met [naam 1] of [naam 2] gemaakt dus verwacht ook niets van hen. Heb met hen ook niet gepraat en ook niet over de betalingen gehad. Ik verwacht van jou, dat jij de facturen betaald. 5k van de 2de termijn, en de derde termijn.(…) Het zou vorige week allemaal goed komen, maar het gebeurd niets. Ik verwacht dat 30k op de rekening gestort wordt binnen deze week. Wij gaan niet langer wachten. (…)”
3.15.
Per WhatsApp-bericht van 19 maart 2024 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] geschreven:
“(…) We gaan vandaag en morgen de laatste zaken afronden. Daarna neem ik contact op met je. (…)”
3.16.
Hierop heeft [eiser] diezelfde dag gereageerd:

Das prima, alleen wij hebben nog geen betaling. Wanneer worden de facturen betaald?”
3.17.
Per e-mail van 15 maart 2024 heeft [gedaagde] laten weten dat zij het niet eens is met de laatste termijn en de resterende 5%. Zij heeft geklaagd over de kwaliteit van het door [eiser] uitgevoerde werk, dat het werk niet is afgerond en de oplevering nog niet heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft hierin verder aangegeven dat er weer geld komt voor de € 5.000,- die nog openstaat en een deel van de laatste rekening, maar dat er wel een inhoudelijke discussie nodig is.
3.18.
Per WhatsApp-bericht van 25 maart 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat hij nog geen geld op zijn rekening heeft ontvangen.
3.19.
Op 26 maart 2024 heeft [gedaagde] hierop gereageerd:
“(…) Er wordt hard aan gewerkt door [naam 1] en [naam 2] . Ik houd je op de hoogte.”
3.20.
Vervolgens heeft [eiser] op 29 maart 2023 per WhatsApp-bericht gevraagd wanneer de betaling wordt overgemaakt. Hierop heeft [gedaagde] diezelfde dag gereageerd:
“(…) Ik wil er ook vanaf. Ik doe mijn best dit weekend geld over te maken.”
3.21.
Op 4 april 2024 heeft [gedaagde] per WhatsApp-bericht [eiser] verzocht om naar haar e-mails te kijken.
3.22.
Op 8 april 2024 heeft [eiser] per WhatsApp-bericht verzocht of de facturen worden betaald. Hierop heeft [gedaagde] gereageerd:
“(…) Zoals al eerder gezegd. Er wordt hard aan gewerkt. Er komt geld jouw kant op. Daarnaast zullen we ook de afrekening moeten bespreken. Zullen we vrijdag even afspreken?”
3.23.
Daarop heeft [eiser] geantwoord:
“We kunnen daarna afrekenen, geen probleem.”
3.24.
Later op de dag heeft [eiser] aan [gedaagde] per WhatsApp-bericht het volgende geschreven:
“(…) Ik verwacht dat jij het geld vandaag overmaakt naar ons en vrijdag doen we de afrekening.”
3.25.
Daarop heeft [gedaagde] diezelfde dag geantwoord:
“(…) Er staat nog behoorlijk wat open bij [naam 1] en [naam 2] . Dat is nog niet betaald. Verder hebben wij zaken op orde te stellen. Niet heel sjiek dat je dat via [naam 1] speelt. Wil je mijn e-mails a.u.b. beantwoorden. Ik stuur ze vanavond nogmaals de factuur.”
3.26.
Op 15 april 2024 heeft [gedaagde] het resterende openstaande bedrag van de tweede factuur van € 5.000,- voldaan. Daarna heeft [eiser] per WhatsApp-bericht van 18 april 2024 gevraagd waar de rest blijft. Hierop heeft [gedaagde] geantwoord dat dit onderweg is.
3.27.
Per WhatsApp-bericht van 4 mei 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven:
“Wat betreft de factuur: er wordt aan gewerkt. [naam 1] en [naam 2] hebben nog veel vragen. Ben bezig met het overzicht. Het is belangrijk dat we aan waarheidsvinding doen. Zou je nogmaals naar mijn mail willen kijken en deze beantwoorden? Die ligt er al sinds januari. (…)”
3.28.
Op 5 mei 2025 heeft [gedaagde] in een WhatsApp-bericht aan [eiser] vermeld:
(…) Wil a.u.b. ook reageren op mijn mails en apps. Je hebt me twee keer beloofd inhoudelijk te reageren maar dat doe je niet. Je zou me een gespecificeerd overzicht sturen. Zie je app van 11 maart jl. en mijn mail van 4 februari. In je facturen voor je enkel hoge Btw. Maar je stuct en schildert wel..?! Ik ben goed voor mijn geld als jij goed bent voor je werk. Zoals al eerder geschreven is je werk op veel punten ondermaats geweest. En laten we het maar niet hebben over de planning en beloftes. Ik heb vanaf februari alles overgenomen om de oplevering te halen en de kwaliteit een beetje terug te brengen in het werk. De door mij gemaakte kosten gaan we verrekenen. Ik betaal je deze week 10K. Daarna gaan we om de tafel. Ik wil dat we hier goed uit komen (…)”
3.29.
Bij brief van 3 juli 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen zeven dagen tot betaling van de derde factuur van € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, over te gaan.
3.30.
Bij brief van 31 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] [eiser] in gebreke gesteld en gesommeerd om 28 gebreken binnen vier weken te herstellen. Daarnaast heeft de gemachtigde van [gedaagde] [eiser] erop gewezen dat sprake is van minderwerk.
3.31.
In opdracht van [gedaagde] heeft HuisAssist (hierna: partijdeskundige) op 18 december 2024 een onderzoek verricht naar gebreken in de uitgevoerde werkzaamheden in de woning. [eiser] is bij dit onderzoek aanwezig geweest. Het rapport van de partijdeskundige dateert van 13 februari 2025 (hierna: het partijdeskundigenrapport).

4.Het geschil

de vordering (in conventie)

4.1.
[eiser] vordert na wijziging eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van:
I. € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 12 februari 2024,
II. € 6.069,40, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 2 juli 2025,
III. de proces- en nakosten.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat de betaling van de aanneemsom in drie termijnen van € 25.000,- zou plaatsvinden en dat het resterende bedrag na oplevering zou worden gefactureerd. Omdat het merendeel van de werkzaamheden is uitgevoerd, is [gedaagde] gehouden om de derde betalingstermijn van € 25.000,- te voldoen, ter nakoming van de overeenkomst. Daarnaast heeft [eiser] aanvullende werkzaamheden verricht, waardoor [gedaagde] gehouden is om een bedrag van € 8.960,20 aan meerwerk te voldoen. Omdat sprake is van een aantal minderwerkposten van € 2.890,80, moet dit verrekend worden met het meerwerk. [gedaagde] is daarom gehouden om € 6.069,40 aan meerwerk te betalen.
4.3.
[gedaagde] is het niet met de vorderingen eens en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
de tegenvordering (in reconventie)
4.5.
[gedaagde] vordert na wijzigingen van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat [eiser] wordt veroordeeld tot:
I. herstel van het teveel toegepaste dampfolie binnen vier weken na betekening van dit vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag zolang [eiser] in gebreke blijft,
II. herstel van de funderingsrand door middel van het verwijderen van de huidige bekleding, het aanbrengen van de kantplanken ten behoeve van de koudebrug binnen vier weken na betekening van dit vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag zolang [eiser] in gebreke blijft,
III. betaling van € 22.085,-, vermeerderd met de wettelijke rente per 22 januari 2025, subsidiair nakoming van de overeenkomst door de gebreken te herstellen binnen twee maanden na betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag zolang [eiser] in gebreke blijft,
IV. betaling van € 24.128,- voor minderwerk,
V. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.637,59,
VI. voor zover nodig, het gelasten van een deskundigenonderzoek naar de gebreken en het minderwerk,
VII. betaling van de proces- en nakosten.
4.6.
[gedaagde] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van diverse gebreken, waardoor [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis tot het leveren van goed en deugdelijk werk. [eiser] is gehouden om de gebreken ten aanzien van de dampfolie en de funderingsrand te herstellen. Voor de overige gebreken heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om tot herstel over te gaan. Hiertoe is [eiser] niet overgegaan. Daardoor is [eiser] in verzuim komen te verkeren. Daarom is [gedaagde] gerechtigd om gedeeltelijke ontbinding, dan wel een vervangende schadevergoeding te vorderen. De herstelkosten komen neer op € 22.085,-. Daarnaast stelt [gedaagde] dat er sprake is van minderwerk van € 24.128,-. Dit bedrag moet [eiser] terugbetalen.
4.7.
[eiser] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

de vordering en de tegenvordering (in conventie en in reconventie)

5.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie, zullen deze hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
Wat zijn partijen overeengekomen?
5.2.
Niet in geschil staat dat [gedaagde] de derde factuur niet binnen de overeengekomen betalingstermijn heeft betaald. Partijen verschillen echter van mening of [gedaagde] gehouden was om deze factuur te voldoen. Volgens [gedaagde] is dat niet het geval omdat partijen hebben afgesproken dat de derde betalingstermijn pas mocht worden verzonden zodra 95% van de werkzaamheden is uitgevoerd en [eiser] dat niet heeft gedaan. [eiser] betwist dat partijen dit zijn overeengekomen. De rechtbank volgt [gedaagde] in haar standpunt dat partijen zijn overeengekomen dat de derde betalingstermijn bij 95% van de werkzaamheden moest worden betaald en het restant bij oplevering. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.3.
Wat partijen precies zijn overeengekomen en dus over en weer aan elkaar verplicht zijn, is een vraag van uitleg die plaats moet vinden aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. [1] Daarbij komt het aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.
5.4.
[eiser] heeft op 19 oktober 2023 aan [gedaagde] geschreven: “
Naar wie stuur ik factuur met termijn bedrag? Doen we 3X + 5%?”, waarop [gedaagde] heeft geantwoord dat de facturen naar haar toe moeten (zie 3.3 en 3.4). Vervolgens is hier daadwerkelijk uitvoering aan gegeven, aangezien [eiser] de eerste twee betaaltermijnen van € 25.000,- naar [gedaagde] heeft verzonden, die uiteindelijk door [gedaagde] zijn betaald. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat partijen zijn overeengekomen dat de derde termijn moest worden betaald bij 95% van de werkzaamheden en het restant van € 4.556,25 na de oplevering, dus nadat de laatste 5% van de werkzaamheden was uitgevoerd. [eiser] meent in plaats daarvan dat hij de termijnen al in rekening mocht brengen op het moment dat hij de materialen had ingekocht. Hij voert daartoe aan dit in de bouw gebruikelijk is. Ook als wordt aangenomen dat een dergelijk gebruik bestaat, blijkt nog niet dat [eiser] [gedaagde] op dit gebruik heeft gewezen of dat [gedaagde] tot de kring van personen behoorde die met dit gebruik bekend mocht worden verondersteld en daarmee akkoord is gegaan. Kortom, niet blijkt dat partijen dit zo hebben afgesproken. Uit het voorgaande volgt dan ook dat partijen in dit geval zijn overeengekomen dat [gedaagde] gehouden is om de derde betalingstermijn te voldoen op het moment dat 95% van de werkzaamheden door [eiser] is uitgevoerd.
[eiser] mocht betaling van de derde termijn vorderen
5.5.
Met de derde factuur van 4 februari 2024 heeft [eiser] 95% van het geoffreerde werk gefactureerd. [gedaagde] betwist dat op dat moment 95% van de werkzaamheden was uitgevoerd, maar dit heeft zij onvoldoende gemotiveerd. [gedaagde] heeft weliswaar na het verzenden van de factuur op 4 februari 2024 geklaagd over de kwaliteit van bepaalde (geringe) punten van het werk (zie 3.8), maar het werk was op dat moment grotendeels uitgevoerd. Daarbij komt dat [gedaagde] de opleverlijst die in diezelfde e-mail wordt vermeld niet heeft overgelegd, zodat [gedaagde] ook niet duidelijk heeft gemaakt om hoeveel en welke punten dit ging. Een voldoende onderbouwing volgt ook niet uit het gegeven dat partijen op 19 februari 2024 hebben gesproken over de oplevering. Het voorgaande betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat op het moment dat [eiser] de derde factuur heeft verzonden, 95% van de werkzaamheden was uitgevoerd. Op grond van de betalingsvoorwaarden was [gedaagde] gehouden om deze factuur binnen zeven dagen te betalen. Nu [gedaagde] dit niet heeft gedaan, is de vordering van [eiser] tot betaling van € 25.000,- opeisbaar geworden.
[gedaagde] mocht zich niet beroepen op een opschortingsrecht
5.6.
[gedaagde] meent dat zij de betaling mocht opschorten omdat sprake was van gebreken aan het werk en minderwerk. [eiser] voert op zijn beurt aan dat hij zijn verplichtingen om de resterende werkzaamheden uit te voeren en eventuele gebreken te verhelpen heeft opgeschort, omdat [gedaagde] in verzuim was met de betaling van de tweede en derde factuur. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] zich ten onrechte op een opschortingsrecht heeft beroepen.
5.7.
Uit artikel 6:262 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat als een partij haar verbintenis niet nakomt, dat de andere partij dan bevoegd is om de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten.
5.8.
Hoewel uit de stellingen van [gedaagde] kan worden afgeleid dat zij aanmerkingen had op de kwaliteit van het werk waarop de derde factuur ziet, en dit op die datum ook aan [eiser] heeft meegedeeld, blijkt nergens uit dat dit ook geldt voor het werk waarop de eerdere (tweede) factuur zag. Die heeft [gedaagde] pas op 15 april 2024 voldaan. Doordat [gedaagde] die tweede factuur niet volledig betaalde, kwam [gedaagde] haar betalingsverplichting niet na en mocht [eiser] zich op dat moment op opschorting van haar verplichtingen beroepen. Voor [gedaagde] was dat niet mogelijk, omdat [gedaagde] als eerste haar betalingsverplichting niet was nagekomen. [eiser] mocht zijn verplichtingen (om de resterende werkzaamheden uit te voeren en openstaande punten te verhelpen) opschorten, totdat [gedaagde] aan haar betalingsverplichting had voldaan.
Daarbij komt dat [gedaagde] ook onduidelijkheid heeft laten bestaan of zij vasthield aan haar aanmerkingen op het werk en of zij haar betalingsverplichting wilde opschorten. [gedaagde] heeft namelijk steeds een dubbele boodschap gegeven op het moment dat [eiser] op de betaling aandrong. Enerzijds werd door [gedaagde] toegezegd dat het geld zou worden overgemaakt als haar eigen opdrachtgever zou betalen, waarmee zij de indruk wekte dat de vertraging in de betaling niet ging over gebreken in het werk, en dat [eiser] zich niet druk hoefde te maken. Anderzijds werd door [gedaagde] aangegeven dat nog het één en ander open stond en werd meermaals aan [eiser] gevraagd om op de eerdere e-mails te reageren. Als [gedaagde] zich op een opschortingsrecht had willen beroepen, had zij dat ondubbelzinnig moeten doen, zodat [eiser] wist wat [gedaagde] beoogde met het niet-betalen van de facturen.
[eiser] heeft in beginsel recht op betaling van € 25.000,-
5.9.
Omdat het verweer van [gedaagde] dat zij zich mocht beroepen op een opschortingsrecht niet slaagt, staat vast dat zij op 12 februari 2024 in verzuim was met de betaling van de derde betalingstermijn. Daarom heeft [eiser] in beginsel recht op betaling van € 25.000,- (vordering I van [eiser] ), vermeerderd met eventueel extra werk en meerwerk, en verminderd met eventueel minderwerk.
De overeenkomst wordt niet partieel ontbonden en [eiser] is geen schadevergoeding verschuldigd
5.10.
Omdat [eiser] zich kon beroepen op zijn opschortingsrecht, is hij met de nakoming van zijn verplichtingen niet in verzuim komen te verkeren. De namens [gedaagde] verstuurde ingebrekestelling heeft daarom geen effect. Dat verzuim is wel nodig om de vorderingen van [gedaagde] tot partiële ontbinding van de overeenkomst en tot schadevergoeding te kunnen toewijzen. Dat volgt uit artikel 6:74 en 6:265 BW. Omdat niet aan dit vereiste is voldaan, wordt de vordering tot betaling van € 22.085,- (vordering III) van [gedaagde] afgewezen.
[eiser] is op dit moment niet gehouden om tot herstel van gebreken over te gaan
5.11.
[gedaagde] vordert herstel van het teveel toegepaste dampfolie (vordering I) en de funderingsrand (vordering II). Voor het geval dat de vordering tot betaling van € 22.085,- niet slaagt, wat hier dus aan de orde is, vordert [gedaagde] subsidiair herstel van meerdere gebreken (vordering III). Al deze vorderingen kunnen niet worden toegewezen. Weliswaar heeft [gedaagde] in principe recht op herstel van gebreken, maar alleen als zij eerst haar eigen verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen. Dat heeft zij nog niet gedaan, aangezien zij de derde factuur niet heeft betaald, terwijl zij daartoe wel gehouden was. Daarom is [eiser] op dit moment niet verplicht om eventuele gebreken te herstellen. Zodra [gedaagde] aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, wordt dit anders. Dan kan [eiser] zich niet langer op zijn opschorting beroepen en is hij wel gehouden om de punten waarop het werk niet voldoet aan de overeenkomst te verhelpen. De rechtbank zal daarom hierna telkens voor die hypothetische situatie dat [gedaagde] aan haar betalingsverplichting zal voldoen, beoordelen of de verwijten die [gedaagde] [eiser] maakt over de kwaliteit van het geleverde werk in dat geval terecht zijn.
De door [gedaagde] gestelde gebreken
5.12.
[gedaagde] meende aanvankelijk dat sprake was van 28 gebreken. In de akte van 28 mei 2025 heeft [gedaagde] dit aantal bijgesteld naar 13 gebreken. De rechtbank zal daarom alleen over deze punten een beslissing geven. De rechtbank zal daarbij aansluiten bij de nummering die partijen hebben aangehouden.
5.13.
Voor de volgende gebreken heeft [gedaagde] verwezen naar het partijdeskundigenrapport.
Nummer
Gebrek in rapport
5
HWA’s verkeerde plek
8
Dakleer
10
Lood
15
Verlaagd plafond en centraaldoos
19
Douchewand
5.14.
Daarnaast zijn er volgens [gedaagde] de volgende gebreken, die niet door de partijdeskundige zijn behandeld.
Nummer
Gebrek
2
Knauf
3
Compri band
4
Stalen portaal
12
PIR ontbreken
13
Ontbreken ventilatiebuizen
14
Gescheurde doek
20
Opvulling metselwerk buitengevel
25
Energievoeding
5.15.
Ten slotte vordert [gedaagde] herstel van de dampfolie en de funderingsrand, inclusief het aanbrengen van kantplanken.
5.16.
Vooropgesteld wordt dat op [gedaagde] de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast rust dat sprake is van ondeugdelijk werk aan de kant van [eiser] . Hierna worden de door [gedaagde] gestelde gebreken afzonderlijk besproken, om te beoordelen of [gedaagde] hierin is geslaagd. Als komt vast te staan dat [gedaagde] daarin is geslaagd, heeft zij recht op herstel van die punten, maar kan zij daarop pas aanspraak maken als zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.
HWA’s verkeerde plek (5) en dakleer (8)
5.17.
De HWA’s (hemelwaterafvoeren) en het dakleer voldoen niet aan de overeenkomst. Uit het partijdeskundigenrapport volgt namelijk dat de hemelwaterafvoer niet loodrecht is gemonteerd, de aansluiting van de hemelwaterafvoer niet is voorzien van de originele materialen en dat de werkzaamheden aan de dakbedekking niet volledig zijn afgerond, en [eiser] erkent dat hij deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd.
Lood (10) en verlaagd plafond en centraaldoos (15)
5.18.
Voor deze punten komt niet vast te staan dat sprake is van gebrekkig werk omdat [gedaagde] haar stelling voor deze punten onvoldoende heeft onderbouwd. Voor punt 10 staat weliswaar in het partijdeskundigenrapport dat de loodaansluiting niet is ingebracht tot aan het binnenblad en dat het lood normaliter helemaal door de spouw van de gevel zit en is bevestigd aan het binnenblad, maar [eiser] betwist deze bevindingen en voert aan dat dit alleen bij nieuwbouwwoningen het geval is. Volgens hem is het bij een aanbouw ook mogelijk om het lood in de voeg van de oude gevel te plaatsen en dit heeft [gedaagde] niet meer weersproken. Voor punt 15 is het niet helemaal duidelijk waar [gedaagde] precies op doelt. Zij verwijst namelijk naar pagina 7 van het partijdeskundigenrapport, maar daar staat juist dat de conditie van de centraaldoos goed is en er staat niets over het verlaagd plafond. Wel staat op diezelfde pagina dat de wandcontactdoos niet naar behoren werkt en dat de herstelkosten hiervan neerkomen op € 315,-. Kennelijk doelt [gedaagde] op dit punt, maar [eiser] betwist dat hij de elektra in de badkamer heeft aangelegd en voert aan dat [gedaagde] dit zelf heeft aangelegd en hier heeft [gedaagde] niet meer op gereageerd.
Douchewand (19)
5.19.
Voor dit punt geldt dat het werk niet voldoet aan de overeenkomst. Hoewel [eiser] terecht heeft aangevoerd dat het materiaal in de badkamer expliciet in de overeenkomst is uitgesloten, heeft [gedaagde] met het partijdeskundigenrapport voldoende onderbouwd dat een tegelstop nodig is. Weliswaar is het niet [eiser] die de tegelstop moet leveren, maar [gedaagde] , maar op [eiser] rust op grond van de overeenkomst wel de verplichting om de tegenstop te plaatsen, zodra [gedaagde] deze heeft besteld.
Knauf (2), compri band (3), stalen portaal (4), gescheurde doek (14) en energievoeding (25)
5.20.
Bij deze punten kan niet worden vastgesteld dat sprake is van gebreken. Bovengenoemde punten staan namelijk niet in het partijdeskundigenrapport benoemd. [gedaagde] meent wel dat dit gebreken zijn en verwijst hiervoor naar een aantal foto’s (producties 11, 12, 13 en 16), maar hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van gebrekkig werk, dan wel dat [eiser] hiervoor verantwoordelijk is omdat dat door [eiser] wordt betwist. Ander bewijs ontbreekt, zodat [gedaagde] haar stelling voor deze punten onvoldoende heeft onderbouwd.
PIR ontbreken (12)
5.21.
Voor dit punt komt wel vast te staan dat sprake is van gebrekkig werk. Volgens [gedaagde] had [eiser] PIR-isolatie in het dak moeten leveren, maar heeft hij in plaats daarvan ervoor gekozen om alleen EPS en glaswol te plaatsen. Dat PIR-isolatie de afspraak was, wordt door [eiser] betwist, maar in de offerte staat “
isolatie pir 100 m 54 m2” bij het kopje “
Houtskelet bouw, isolatie, balkenlaag, platdak, openstaande deuren etc”. Hieruit kan dus worden afgeleid dat [eiser] PIR-isolatie zou gebruiken voor het dak.
Ontbreken ventilatiebuizen (13)
5.22.
Voor dit punt is niet komen vast te staan dat het werk is overeengekomen. Volgens [gedaagde] is onderdeel van de overeenkomst dat er ventilatiebuizen in de fundering van de uitbouw door [eiser] zouden worden aangebracht en heeft hij dit niet gedaan. Dat dit is overeengekomen wordt door [eiser] betwist en is volgens hem zelfs niet mogelijk. Gelet op zijn gemotiveerde betwisting en omdat niet uit andere stukken blijkt dat partijen oorspronkelijk zijn overeengekomen dat [eiser] ventilatiebuizen in de fundering zou aanbrengen, kan niet worden vastgesteld dat dit valt onder de opgedragen werkzaamheden. Wel heeft [eiser] later een toezegging gedaan doordat hij op 14 november 2023 aan [gedaagde] heeft geschreven: “
Er is geen kruipruimte onder de uitbouw. Alleen de oude kruipruimte is er nog. Als het goed is heb je daar ventilatie, en als het nodig is, maken wij nog een ventilatiegat.”. Daarmee heeft [eiser] toegezegd om een ventilatiegat te maken als dat nodig is. Uit het partijdeskundigenrapport volgt echter dat het volgens het bouwbesluit niet verplicht is om een kruipruimte te ventileren, en ook uit andere stukken blijkt niet dat het nodig was om voor ventilatie te zorgen. Van gebrekkig werk aan de zijde van [eiser] kan dan ook niet worden gesproken.
Opvulling metselwerk buitengevel (20)
5.23.
Voor dit punt is sprake van gebrekkig werk. [gedaagde] stelt dat [eiser] twee gaten in het metselwerk ondeugdelijk heeft afgedicht en verwijst daarbij naar een overgelegde foto (productie 18). [eiser] betwist dat sprake was van twee gaten en voert aan dat hij één gat deugdelijk heeft gevuld. Uit de overlegde foto volgt dat er meerdere gaten zijn opgevuld waarvan de kleur van de stenen en de voegen afwijkt van de rest van de gevel en dat het patroon anders is. Dit sluit daarom aan bij de stelling van [gedaagde] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit werk door [eiser] niet juist is uitgevoerd.
Dampfolie
5.24.
Voor dit punt is niet komen vast te staan dat sprake is van gebrekkig werk. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] teveel dampfolie gebruikt, waardoor de dampfolie niet meer goed ventileert. Hierdoor wordt vocht in de constructie opgeslagen, met rotting van de houtenconstructies tot gevolg. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] verwezen naar een verklaring van Meuwissen Gerritsen van MG Bouw (productie 22). Dit heeft [eiser] gemotiveerd betwist door te betogen dat zelfs als er teveel dampfolie is gebruikt, de ventilatiewerking van de folie niet is vervallen. Nu dat verder niet is weersproken door [gedaagde] , is niet komen vast te staan dat de ventilatiewerking ondeugdelijk is.
Funderingsrand
5.25.
Voor dit punt is niet komen vast te staan dat sprake is van gebrekkig werk. [gedaagde] stelt dat de fundering gelijk aan de buitengevel had moeten lopen, in plaats van naast de buitengevel, maar volgens [eiser] zijn partijen overeengekomen dat de gevelbekleding onder de deur zou worden geplaatst. Dat de fundering gelijk aan de buitengevel had moeten lopen, zoals [gedaagde] stelt, blijkt nergens uit, ook niet uit de door [gedaagde] overgelegde producties 19 en 23. [gedaagde] heeft haar stelling dan ook onvoldoende onderbouwd.
Geïsoleerde kantplank
5.26.
Voor dit punt geldt dat sprake is van gebrekkig werk. [gedaagde] heeft namelijk voldoende onderbouwd dat de geïsoleerde kantplank ontbreekt, aangezien zij hiervoor heeft verwezen naar het partijdeskundigenrapport waarin dit punt is vastgesteld.
Tussenconclusie
5.27.
Samenvattend worden de punten genoemd onder 5 (HWA), 8 (dakleer), 12 (PIR), 20 (opvulling metselwerk buitengevel) en het niet leveren van de geïsoleerde kantplank als gebreken gezien. [eiser] dient deze punten te verhelpen, zodra [gedaagde] aan haar betalingsverplichting heeft voldaan. Dit geldt in principe ook voor punt 19 (douchewand), maar in dat geval pas als [gedaagde] het materiaal heeft geleverd.
Het extra werk en meerwerk
5.28.
[eiser] vordert betaling van [gedaagde] van € 6.069,40 aan meerwerk. In die vordering heeft [eiser] rekening gehouden met de volgens hem te verrekenen minderwerkposten van € 2.890,80. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een overzicht als productie 16 overgelegd. Het gaat om het volgende:
nummer
omschrijving
totaalbedrag
1
Gasbuis, afvoer en ventilatie naar boven, leidingen naar cv
€ 1.052,50
2
Badkamer tussenmuur, vloerverwarming
€ 1.720,50
3
Elektra naar schuur
€ 487,20
4
Stuken trappengat en hal eerste verdieping
€ 1.196,00
5
Sloopwerkzaamheden
€ 1.200,00
6
Deur opening keuken en woonkamer dichtmaken
€ 350,00
7
Riool
€ 880,00
8
Washok volgens wens
€ 750,00
9
Raam uitbouw, volgens wens
€ 450,00
5.29.
Tussen partijen staat vast dat in de offerte van 5 oktober 2023 “meerwerk’’ stond opgenomen. Dit “meerwerk” is dus vooraf overeengekomen, terwijl normaal gesproken onder meerwerk wordt verstaan: toevoegingen of veranderingen die buiten de oorspronkelijke opdracht vallen. Daarom zal de rechtbank als benaming van het “meerwerk” in de offerte hierna de term “extra werk” hanteren. Op die manier wordt het werk dat in de offerte al was opgenomen onderscheiden van aanvullend meerwerk, dat nog niet was overeengekomen. Voor het extra werk geldt dat, omdat partijen dit zijn overeengekomen, [eiser] hiervoor betaling kan vorderen als het werk is uitgevoerd. Voor het aanvullend opgedragen meerwerk geldt dat [eiser] dit pas kan vorderen als hij destijds aan [gedaagde] heeft uitgelegd dat dit meerwerk is en hoeveel dit extra zou gaan kosten, of als [gedaagde] dat uit zichzelf had moeten begrijpen. Dit volgt uit artikel 7:755 BW en staat ook in artikel 6 van de algemene voorwaarden van [eiser] .
Gasbuis, afvoer en ventilatie naar boven, leidingen naar cv
5.30.
Voor post 1 is niet in geschil dat dit valt onder het overeengekomen extra werk. [gedaagde] betwist dat deze werkzaamheden door [eiser] zijn uitgevoerd, maar dit heeft zij onvoldoende onderbouwd. Zij heeft slechts concreet gemaakt dat zij zelf het materiaal heeft aangeschaft, maar die materiaalkosten zitten niet (meer) in de in rekening gebrachte kosten. [eiser] mag de kosten (€ 1.052,50) in rekening brengen.
Badkamer tussenmuur, vloerverwarming
5.31.
Voor post 2 staat ook niet in geschil dat dit valt onder het overeengekomen extra werk. [eiser] heeft echter een hoger bedrag gevorderd dan staat in de offerte, terwijl uit niets blijkt dat [eiser] voor meerwerk en hogere kosten heeft gewaarschuwd. Post 2 wordt daarom slechts toegewezen tot het in de offerte opgenomen bedrag van € 1.036,50. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat voor dit punt sprake is van minderwerk omdat [eiser] de noppenplaten niet heeft geplaatst. Of gesproken kan worden van minderwerk, wordt in r.o. 5.58 besproken.
Overige meerwerkposten
5.32.
De overige door [eiser] gevorderde meerwerkposten staan niet als extra werk in de offerte opgenomen. Voor deze posten gaat het dus om aanvullend meerwerk, waarvoor [eiser] slechts betaling kan vorderen als hij [gedaagde] heeft gewaarschuwd voor dit meerwerk en de daarbij komende extra kosten. Uit niets blijkt dat dit hij dat heeft gedaan. Ook heeft [eiser] niet uitgelegd dat [gedaagde] de noodzaak van de extra kosten uit zichzelf had moeten begrijpen. Daarom worden de overige meerwerkposten afgewezen. Hierna wordt dit per meerwerkpost nader uitgelegd.
Elektra naar schuur
5.33.
Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat op verzoek van [gedaagde] een nieuwe kabel is gelegd. [gedaagde] voert aan dat [eiser] de elektra naar de schuur heeft hersteld omdat hij deze zelf heeft beschadigd. Volgens [gedaagde] moeten deze kosten daarom voor zijn rekening blijven. [eiser] betwist op zijn beurt dat hij een kabel heeft beschadigd. Gelet op deze stellingen over en weer kan niet worden vastgesteld dat de kabel op verzoek van [gedaagde] is gelegd, aangezien [eiser] dit verder niet heeft onderbouwd. Dat maakt dat de vordering tot betaling van deze meerwerkpost niet kan worden toegewezen.
Stuken trappengat en hal eerste verdieping
5.34.
[gedaagde] erkent dat deze werkzaamheden door [eiser] zijn uitgevoerd, maar betwist dat zij hiervoor opdracht heeft gegeven. Omdat niet is komen vast te staan dat deze werkzaamheden aanvullend zijn overeengekomen en ook niet dat [eiser] [gedaagde] heeft gewaarschuwd voor extra kosten, bestaat geen grond voor vergoeding van deze werkzaamheden.
Sloopwerkzaamheden
5.35.
Volgens [eiser] heeft hij sloopwerkzaamheden verricht, wat niet viel onder de overeenkomst en waardoor dus sprake is van meerwerk. Omdat [gedaagde] betwist dat [eiser] deze werkzaamheden heeft uitgevoerd en niet blijkt dat [eiser] heeft gewaarschuwd voor meerwerk en daarmee gemoeide kosten, wordt deze meerwerkpost afgewezen. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de sloopwerkzaamheden onderdeel uitmaken van de overeenkomst en dat sprake is van minderwerk omdat [eiser] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd. Dat wordt in r.o. 5.43 besproken.
Deuropening keuken en woonkamer dichtmaken
5.36.
Volgens [gedaagde] was deze post onderdeel van de overeenkomst. Daarbij verwijst zij naar een aantal tekeningen van de architect die voorafgaand het sluiten van de overeenkomst zijn gemaakt en waarop volgens haar de overeenkomst is gebaseerd. Uit de overgelegde tekeningen volgt dat het toilet op de begane grond aanvankelijk drie deuropeningen zou hebben, waarna dit op enig moment is gewijzigd naar één deuropening. De rechtbank begrijpt dat [eiser] voor de nieuwe situatie – waarbij de opening tussen de keuken en woonkamer moest worden dichtgemaakt – extra kosten in rekening wil brengen. Omdat het toilet op de begane grond onderdeel was van de overeenkomst en uit niets blijkt dat [eiser] [gedaagde] erop heeft gewezen dat de aanpassing van het aantal deuropeningen tot extra kosten zou leiden, kan [eiser] geen aanspraak maken op een meerwerkvergoeding.
Riool
5.37.
Ook hiervoor voert [gedaagde] aan dat deze post onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. Daarbij verwijst zij naar het onderdeel in de offerte “
afvoer badkamer en keuken”. Zij betoogt dat een hoofdriool naar de eerste verdieping ontbrak, maar dit wel nodig was omdat op de eerste verdieping een toilet werd gerealiseerd. Hoewel het doortrekken van het riool naar de eerste verdieping iets anders is dan het aansluiten van de afvoer van de badkamer op het riool, blijkt uit niets dat [eiser] heeft gewaarschuwd voor meerwerk en dat dit extra kosten zou meebrengen. Het kan daarom niet als meerwerk in rekening worden gebracht.
Washok volgens wens
5.38.
[eiser] betoogt dat hij oorspronkelijk geen wasmachinekast zou maken, maar dat hij dit uiteindelijk wel heeft gedaan en dat sprake is van meerwerk. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat het realiseren van het washok onderdeel uitmaakt van de overeenkomst omdat de indeling van de badkamer later is aangepast en de wasmachinekast onderdeel was van de nieuwe gerealiseerde situatie. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat bij de nieuwe indeling extra ruimte is ontstaan en de klant van [gedaagde] ervoor gekozen heeft om hiervan een wasmachinekast te maken. Tussen partijen staat vast dat de indeling van de badkamer nog open lag. Het maken van een wasmachinekast is echter iets anders dan het nemen van een beslissing over de indeling. Als [eiser] wist dat uit het maken van een wasmachinekast aanvullende werkzaamheden zouden voortvloeien, zoals materiaal en arbeid, dan had het op zijn weg gelegen om dit bij [gedaagde] te melden en te waarschuwen voor extra kosten. Pas dan was het voor [gedaagde] duidelijk geweest dat dit niet onder de overeenkomst viel en dus extra kosten met zich mee zou brengen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Dat maakt dat de meerwerkpost niet toewijsbaar is. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat voor dit punt juist sprake is van minderwerk omdat [eiser] de wasmachinekast niet heeft afgebouwd. Dat wordt in r.o. 5.52 besproken.
Raam uitbouw, volgens wens
5.39.
[gedaagde] betoogt dat dit onder de offerte valt en verwijst daarbij naar het onderdeel “
Houtskelet bouw, isolatie, balkenlaag, platdak, openstaande deuren”. Nu [eiser] de extra werkzaamheden niet nader heeft toegelicht, is niet duidelijk waar het opgedragen meerwerk precies uit bestaat. Het had op de weg gelegen van [eiser] om zijn stelling nader te onderbouwen. Nu enige onderbouwing ontbreekt, heeft hij niet voldaan aan zijn stelplicht. Deze kostenpost kan daarom niet als meerwerk in rekening worden gebracht.
Tussenconclusie
5.40.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] voor het extra werk (€ 1.052,50 + € 1.036,50 =) € 2.089,- aan [eiser] moet betalen. Vordering II van [eiser] is dus tot dit bedrag toewijsbaar.
Het minderwerk
5.41.
Tussen partijen staat vast dat het minderwerk moet worden verrekend bij de eindafrekening. Partijen verschillen echter van mening welk bedrag aan minderwerk in mindering moet worden gebracht. [eiser] gaat uit van een totaalbedrag van € 2.890,80 (voor de verdeler op de begane grond, de voorplaat van het toilet op de begane grond en de helft van de elektra). [gedaagde] vordert op haar beurt betaling van [eiser] van € 24.128,- aan minderwerk. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een minderwerklijst als productie 3 in het geding gebracht. In deze procedure heeft [gedaagde] daarna meermaals haar vordering gewijzigd, waarbij zij een aantal posten heeft laten vallen. De rechtbank begrijpt dat de huidige vordering van [gedaagde] ziet op:
Nummer
omschrijving
totaalbedrag
1
Sloop – uitbouw is niet verwijderd
€ 2.000,00
2
Sloop – fundering oorspronkelijke uitbouw hergebruikt
€ 2.000,00
3
Uitbouw – niet aanbrengen van ventilatie
€ 250,00
4
54 m2 niet toegepast
€ 1.500,00
5
Openslaande deuren niet geleverd
€ 4.200,00
6
Daktrim niet geleverd
€ 170,00
7
Hemelwaterafvoer niet geleverd
€ 220,00
8
Regelwerk
€ 450,00
9
Afvoer keuken naar hoofdriool
€ 898,57
10
Sloopwerk oude vloer
€ 450,00
11
Nieuwe wasmachinekast
€ 2.000,00
12
Niet afbouwen badkamer rond wastafelmeubel en afmonteren sanitair
€ 1.050,00
13
Toilet begane grond – geen tegelwerk
€ 1.050,00
14
Reinigen wc
€ 45,00
15
Elektra woonkamer en uitbouw
€ 3.600,00
16
Verdelers
€ 750,00
17
Geen folie toegepast onder zwarte mat
€ 230,00
18
Cementvloer hal
€ 440,00
19
Herstel verdeler begane grond
€ 360,00
5.42.
Vooropgesteld wordt dat pas sprake is van minderwerk als het gaat om werkzaamheden die zijn overeengekomen, maar uiteindelijk niet zijn uitgevoerd omdat hiervoor geen opdracht is gegeven of afgesproken is dat deze werkzaamheden niet meer zouden worden uitgevoerd. Het is aan [gedaagde] om te stellen, en bij voldoende betwisting, te bewijzen dat [eiser] minder werk heeft verricht dan is overeengekomen en dat zij daarom minder hoeft te betalen. De rechtbank zal hierna afzonderlijk ingaan op de door [gedaagde] gestelde minderwerkposten.
Sloop – uitbouw is niet verwijderd
5.43.
Post 1 wordt afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] minder werk heeft verricht dan is overeengekomen. Volgens [gedaagde] maken de sloopwerkzaamheden onderdeel uit van de overeenkomst en heeft [eiser] de uitbouw tot het funderingsniveau niet verwijderd omdat afgesproken is dat de klant dit zelf zou doen, samen met [gedaagde] . Dit wordt door [eiser] betwist. Hij meent dat [gedaagde] en haar klant slechts de tussenmuur bij de oude keuken hebben verwijderd. In de offerte staat weliswaar een post opgenomen voor sloopwerkzaamheden, maar ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat dit alleen ziet op het plaatsen van vier containers. Dat blijkt ook uit de offerte. De rechtbank volgt [gedaagde] dan ook niet in haar stelling dat de sloopwerkzaamheden onderdeel uitmaken van de overeenkomst, zodat van minderwerk geen sprake is.
Sloop – fundering oorspronkelijke uitbouw hergebruikt
5.44.
Post 2 wordt afgewezen omdat, anders dan [gedaagde] stelt, niet kan worden vastgesteld dat is overeengekomen dat er een nieuwe fundering moest komen en dus ook niet dat het gedeeltelijk hergebruiken van de oude fundering als minderwerk kan worden gezien. [eiser] heeft namelijk aangevoerd dat het hergebruiken van de fundering al in de overeenkomst was ingecalculeerd. De tekst van de offerte biedt ruimte voor de lezing van [eiser] . Daarom stond het hem vrij om de werkzaamheden op die manier te verrichten. Dat volgens [gedaagde] uit de tekening van de architect volgt dat er een nieuwe fundering moest komen, betekent niet dat [eiser] daar bij het sluiten van de overeenkomst vanuit ging. Dat is dan ook onvoldoende om deze post te kunnen toewijzen.
Uitbouw – niet aanbrengen van ventilatie
5.45.
Post 3 wordt afgewezen onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in 5.22 is overwogen: het is niet komen vast te staan dat is overeengekomen dat [eiser] ventilatiebuizen in de fundering zou aanbrengen. Dat [eiser] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, betekent dus niet dat gesproken kan worden van minderwerk.
54 m2 PIR-isolatie niet toegepast
5.46.
Post 4 is niet toewijsbaar. Inhoudelijk is de PIR-isolatie al beoordeeld onder 5.21. [gedaagde] heeft dit punt als gebrek en als minderwerk opgevoerd. [eiser] krijgt de gelegenheid dit gebrek nog te herstellen, en de vordering tot betaling van € 1.500,- in verband met minderwerk wordt dus afgewezen.
Openslaande deuren niet geleverd
5.47.
Post 5 wordt toegewezen omdat niet in geschil is dat in afwijking van de offerte is afgesproken dat de klant van [gedaagde] de openstaande deuren zelf zou leveren. In de offerte was € 4.200,- aan materiaalkosten opgenomen, en die kosten heeft [eiser] dus minder gemaakt. [eiser] betwist de hoogte van het minderwerk, omdat hij in overleg met [gedaagde] de deuren in elkaar heeft gezet en dus arbeid heeft verricht. Daarmee gaat hij voorbij aan het feit dat in de offerte voor arbeid een aparte kostenpost is opgenomen, en het gevorderde minderwerkbedrag daar niet op ziet. Als er sprake was van meerwerk, had [eiser] dat expliciet moeten melden bij [gedaagde] .
Daktrim en hemelwaterafvoer niet geleverd
5.48.
Posten 6 en 7 worden afgewezen. [gedaagde] heeft deze punten zowel als gebrek opgevoerd als ten grondslag gelegd aan haar vordering voor minderwerk. Deze punten zijn hiervoor in r.o. 5.17 besproken. Het staat vast dat de daktrim en de hemelwaterafvoer niet door [eiser] zijn geleverd, maar [eiser] beroept zich voor deze werkzaamheden op zijn opschortingsrecht. Dat deze werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, zal hooguit kunnen betekenen dat het werk nog niet voldoet aan de overeenkomst, maar niet dat [eiser] minder werk heeft verricht dan is overeengekomen.
Regelwerk
5.49.
Post 8 is ook niet toewijsbaar omdat [gedaagde] dit als minderwerk heeft opgevoerd, terwijl zij strikt genomen herstelkosten heeft gevorderd. Volgens [gedaagde] is het regelwerk ondeugdelijk door [eiser] uitgevoerd omdat zowel horizontale als verticale latten zijn geplaatst, terwijl dit alleen verticale latten moesten zijn. Daardoor heeft [gedaagde] sleuven moeten frezen in het hout voor de ventilatie. De stelling van [gedaagde] dat sprake is van minderwerk omdat [eiser] dit nu niet meer hoeft te doen, kan niet worden gevolgd. Dat betekent namelijk niet dat [eiser] minder werk heeft verricht dan is overeengekomen.
Afvoer keuken en hoofdriool
5.50.
Post 9 wordt slechts toegewezen tot een bedrag van € 40,- omdat voor dit punt vast is komen te staan dat minder werk is verricht dan is overeengekomen. Uit de offerte blijkt dat de afvoer van de badkamer en de keuken door [eiser] zou worden uitgevoerd en [eiser] heeft erkend dat [gedaagde] anderhalve meter PVC heeft aangelegd. [gedaagde] heeft gesteld dat zij voor het aanleggen van de afvoer één derde van de werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar zij heeft dit onvoldoende onderbouwd. Daarom kan niet worden aangenomen dat het minderwerk neerkomt op één derde van het bedrag zoals opgenomen in de offerte en wordt uitgegaan van het door [eiser] aangevoerde bedrag van € 40,-.
Sloopwerk oude vloer
5.51.
Post 10 wordt afgewezen omdat nergens uit blijkt dat de vloer door [eiser] zou worden verwijderd. Van minderwerk kan daarom niet worden gesproken.
Wasmachinekast
5.52.
Post 11 is niet toewijsbaar omdat [gedaagde] haar stelling, dat [eiser] de wasmachinekast niet heeft afgebouwd terwijl het realiseren daarvan onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, niet heeft onderbouwd en dit door [eiser] wordt betwist. Dit punt kan daarom niet als minderwerk worden beschouwd.
Niet afbouwen badkamer rond wastafelmeubel en afmonteren sanitair
5.53.
Post 12 wordt afgewezen omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van minderwerk. Volgens [gedaagde] heeft zij de kraan gemonteerd, de afvoer aangesloten, de kraan geaard en de spiegel gemonteerd en aangesloten, maar het enkele feit dat [gedaagde] deze werkzaamheden heeft uitgevoerd en niet [eiser] , is onvoldoende om te kunnen spreken van minderwerk. Hiervoor is tenslotte nodig dat er een reden was dat [eiser] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat partijen dit zijn overeengekomen. Daarvan is niet gebleken.
Toilet begane grond – geen tegelwerk
5.54.
Voor post 13 geldt grotendeels hetzelfde. Deze post wordt slechts toegewezen tot een bedrag van € 58,40 omdat tussen partijen niet ter discussie staat dat de voorplaat in de wc op de begane grond niet door [eiser] is geleverd en volgens [eiser] de kosten hiervan neerkomen op dit bedrag. Volgens [gedaagde] heeft zij meer werkzaamheden uitgevoerd, maar dit wordt kennelijk door [eiser] betwist en [gedaagde] heeft dit verder niet onderbouwd. Daarom wordt ervan uitgegaan dat slechts overeengekomen is dat de voorplaat in de wc door [gedaagde] zou worden uitgevoerd en wordt uitgegaan van het door [eiser] opgevoerde bedrag van € 58,40.
Reinigen wc
5.55.
Post 14 wordt afgewezen omdat [gedaagde] dit als minderwerk heeft opgevoerd, terwijl zij strikt genomen herstelkosten heeft gevorderd. Zij stelt dat zij de wc heeft moeten schoonmaken en dat dit tot gevolg heeft dat sprake is van minderwerk. Dat [gedaagde] de wc heeft schoongemaakt omdat deze mogelijk door [eiser] vervuild is afgeleverd, zal hooguit kunnen betekenen dat het werk niet voldoet aan de overeenkomst, maar niet dat [eiser] minder werk heeft verricht dan is overeengekomen.
Elektra woonkamer en uitbouw
5.56.
Post 15 is slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 2.494,40 omdat vaststaat dat [eiser] de elektra in de woonkamer en in de uitbouw niet heeft uitgevoerd. Dat betekent dat minder werk is verricht dan is overeengekomen en dus ook dat [gedaagde] minder hoeft te betalen. [eiser] betwist echter de hoogte van het minderwerk. [gedaagde] heeft een aantal facturen overgelegd, maar voor het vaststellen van de hoogte van de kosten gaat het er niet om wat de kosten zijn om dit alsnog uit te (laten) voeren, maar slechts wat hiervoor is overeengekomen. Uit de offerte volgt een totaalbedrag van € 4.988,-, maar dit zag ook op de elektra in de keuken en badkamer, waardoor dit bedrag niet volledig als minderwerk kan worden gezien. Omdat [eiser] heeft toegelicht dat [gedaagde] de helft van de werkzaamheden, en dus van het geoffreerde bedrag, heeft uitgevoerd en daarom slechts € 2.494,40 van de offerte weggestreept kan worden, en [gedaagde] verder geen aanknopingspunten heeft gegeven voor een ander bedrag, gaat de rechtbank uit van de juistheid hiervan.
Verdelers
5.57.
Post 16 is slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 338,-. Niet in geschil is dat [eiser] de verdelers niet heeft geleverd, zodat gesproken kan worden van minderwerk. [eiser] betwist de hoogte van de kosten. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar vordering verwezen naar een factuur van Warmteservice, maar zoals hiervoor in 5.56 is overwogen is niet relevant welke kosten [gedaagde] heeft gemaakt om dit alsnog uit te (laten) voeren, maar slechts wat hierover is overeengekomen. [eiser] heeft het prijsverschil verklaard door erop te wijzen dat hij vanwege inkoopvoordelen en vaste leveranciers doorgaans een gunstiger tarief kan krijgen, zodat wordt uitgegaan van de juistheid van het door hem opgevoerde bedrag van € 338,-.
Geen folie toegepast onder zwarte mat
5.58.
Post 17 wordt afgewezen omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser] deze werkzaamheden niet heeft uitgevoerd. Volgens [gedaagde] was [eiser] verplicht om folie onder de noppen toe te passen en heeft hij dat niet gedaan, waardoor sprake is van minderwerk, maar dit heeft [eiser] gemotiveerd betwist. Hij heeft hier tegenin gebracht dat de vloer aan de onderkant is geïsoleerd en dat er folie is geplaatst. Hij betoogt dat de folie in de offerte verwijst naar de laag die door [eiser] is aangebracht. Dat maakt dat van minderwerk niet kan worden gesproken.
Cementvloer hal
5.59.
Post 18 wordt slechts toegewezen tot een bedrag van € 124,- omdat niet in geschil is dat [eiser] de vloer in de hal niet heeft afgemaakt. Volgens [eiser] is dit te wijten aan [gedaagde] omdat zij heeft verzocht om een opening, zodat zij de kruipruimte kon bereiken, maar dit heeft [gedaagde] betwist. Dat maakt dat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen en dat ervan uit wordt gegaan dat [eiser] de vloer wel had moeten afmaken. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de kosten. [gedaagde] heeft haar vordering onderbouwd met facturen van Pontmeyer, waaruit blijkt dat twee cementzakken zijn gekocht, maar ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat een zak cement hooguit € 12,- kost. Omdat het hier gaat om de overeengekomen kosten en niet om de kosten voor het herstel, wordt uitgegaan van een totaalbedrag van (2 x € 12,- =) € 24,- aan materiaalkosten. Daar komen nog arbeidskosten bij. De rechtbank stelt dit vast op een bedrag van € 100,- omdat ervan uit wordt gegaan dat hiervoor twee uur aan arbeid moet worden verricht en het uurloon van [eiser] op € 50,- per uur wordt begroot.
Herstel verdeler begane grond
5.60.
Post 19 wordt afgewezen omdat het onduidelijk is wat het verschil tussen de posten 16 (verdelers) en 19 (herstel verdeler begane grond) is. Beide kostenposten zien namelijk op de verdeler op de begane grond. Nu [gedaagde] dit verder niet heeft onderbouwd en hiervoor in 5.57 al is beslist dat post 16 als minderwerk kan worden beschouwd, wordt deze post bij gebrek aan verdere onderbouwing afgewezen.
Tussenconclusie
5.61.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de totale omvang van het minderwerk (€ 4.200,- + € 40,- + € 58,40 + € 2.494,40 + € 338,- + € 124,- =) € 7.254,80
bedraagt. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op verrekening. Dat betekent dus dat dit bedrag in mindering moet strekken op het bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] is verschuldigd.
Slotsom
5.62.
De slotsom van al het voorgaande is dat [gedaagde] gehouden is om aan [eiser] te betalen € 25.000,- en € 2.089,- voor extra werk, waarop nog € 7.254,80 in mindering komt. Uiteindelijk leidt dat ertoe dat alleen de vordering onder I tot een bedrag van € 19.834,20
wordt toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde en niet betwiste wettelijke handelsrente vanaf 12 februari 2024.
5.63.
De overige vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.
Proceskosten
de vordering (in conventie)
5.64.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,37
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
1.535,00
(2,5 punten × € 614,00)
- nakosten (ook voor reconventie)
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.814,37
5.65.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
de tegenvordering (in reconventie)
5.66.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen in reconventie, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 1.517,50 aan kosten advocaat (2,5 punten × 0,5 x € 1.214,00).
5.67.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.68.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De rechtbank
de vordering (in conventie)
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.834,20, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 12 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.814,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
de tegenvordering (in reconventie)
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.517,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
de vordering en de tegenvordering (in conventie en in reconventie) voorts
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de hierboven genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158