ECLI:NL:RBAMS:2025:9720

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
25/561
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.C.S. van Limburg Stirum
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:228 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing basisbeurs wegens benutting leenstelselperiode

Eiseres, studente die haar WO-bachelor rechtsgeleerdheid heeft afgerond met vier jaar prestatiebeurs onder het leenstelsel, vroeg een basisbeurs aan voor haar WO-master Ondernemingsrecht. Verweerder wees dit af omdat zij al vier jaar prestatiebeurs had ontvangen. Na bezwaar en beroep vernietigt de rechtbank het besluit wegens onvoldoende motivering, met name omdat verweerder niet inhoudelijk op het verzoek tot herroeping van een jaar prestatiebeurs is ingegaan.

De rechtbank erkent de frustratie van eiseres over de gebrekkige communicatie en de lange duur van de procedure, maar stelt vast dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat dat besluit is ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen recht heeft op een basisbeurs omdat zij haar vierjarige prestatiebeurs al heeft benut en er geen overgangsrecht is bij de herinvoering van de basisbeurs.

Eiseres stelde dat zij bij haar keuze had gedwaald, maar de rechtbank wijst dit af omdat dwaling alleen ziet op bestaande feiten. Het verzoek om herroeping van een jaar prestatiebeurs wordt niet inhoudelijk beoordeeld door verweerder, wat leidt tot vernietiging van het besluit wegens onvoldoende motivering. De rechtbank laat de rechtsgevolgen echter in stand omdat er geen wettelijke grondslag is voor herroeping.

Tot slot bepaalt de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres moet vergoeden, maar wijst verdere proceskosten af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de basisbeurs wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (Verenigd Koninkrijk), eiseres,

en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. Remmelts).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een basisbeurs voor het studiejaar 2023-2024.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit I van 12 december 2024 heeft verweerder in eerste instantie het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit II van 13 februari 2025 heeft verweerder alsnog het bezwaar van eiseres inhoudelijk beoordeeld en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Eiseres was door middel van een videoverbinding aanwezig, bijgestaan door haar moeder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De totstandkoming van de besluiten

1. Eiseres heeft een WO-bachelor rechtsgeleerdheid aan de [universiteit 1] gevolgd en afgerond. Zij heeft hiertoe met ingang van 1 september 2018 een prestatiebeurs toegekend gekregen voor de duur van vier jaar. Daarna heeft eiseres zich ingeschreven voor de WO-master Ondernemingsrecht aan de [universiteit 2] . Tijdens de studie van eiseres is het systeem van studiefinanciering veranderd, in die zin dat met ingang van het collegejaar 2023/2024 de basisbeurs weer is ingevoerd. Eiseres studeerde toen nog. Eiseres heeft vervolgens meerdere keren met verweerder contact gehad om recht te krijgen op een basisbeurs voor de duur van haar master en hiertoe meerdere aanvragen ingediend. De laatste aanvraag van eiseres is ingediend op 11 juli 2024.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de laatste aanvraag van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit I heeft verweerder in eerste instantie het bezwaar van eiseres
niet-ontvankelijk verklaard omdat al eerder aan eiseres is meegedeeld dat zij geen recht meer heeft op een prestatiebeurs. Hangende beroep heeft verweerder het bestreden besluit II genomen, het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk behandeld. Voor de opleiding die eiseres volgt, heeft zij recht op vier jaren prestatiebeurs. Vanaf 1 september 2018 is aan eiseres een prestatiebeurs voor het hoger onderwijs toegekend in de vorm van een reisvoorziening. In totaal kan er voor de opleiding Rechtsgeleerdheid vier jaar prestatiebeurs worden toegekend. Deze volledige periode prestatiebeurs is al aan eiseres toegekend. Het laatste jaar prestatiebeurs heeft eiseres gekregen in het collegejaar 2021/2022. Daarom heeft zij geen recht op een prestatiebeurs in de vorm van een basisbeurs vanaf 1 september 2023, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het besluit van verweerder om aan eiseres geen basisbeurs toe te kennen voor de duur van haar WO-master.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij begrijpt dat de houding van verweerder voor eiseres tot de nodige frustraties heeft geleid. Eiseres heeft meerdere malen bij verweerder verzocht om een inhoudelijke toelichting op de afwijzing van haar aanvraag voor een basisbeurs. Verweerder heeft daarop telkens een geautomatiseerd besluit genomen zonder nadere motivering. Ook nadat eiseres uitdrukkelijk had verzocht om bijvoorbeeld de wettelijke bepalingen waarop de afwijzing is gebaseerd, ontving zij hetzelfde geautomatiseerde besluit. De rechtbank constateert dat verweerder daarmee onvoldoende is ingegaan op de concrete vragen en bezwaren van eiseres en haar verzoeken om nadere toelichting niet de aandacht heeft gegeven die van een zorgvuldig handelend bestuursorgaan mag worden verwacht. De wijze waarop verweerder eiseres haar aanvraag heeft behandeld, heeft ertoe geleid dat de afdoening hiervan veel langer heeft geduurd dan noodzakelijk. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de frustratie bij eiseres, beperkt haar toetsing zich in het bestuursrecht echter tot de voorliggende besluiten op het bezwaar van eiseres en de vraag of die besluiten van een toereikende motivering zijn voorzien. Een bestuursorgaan heeft namelijk de mogelijkheid om eventuele onzorgvuldigheden in de bezwaarfase alsnog te herstellen.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I van 12 december 2024 waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Verweerder heeft dit besluit in de beroepsfase ingetrokken en heeft het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk behandeld. Dit betekent dat verweerder in beroep (deels) aan eiseres haar beroep is tegemoetgekomen. Op grond van artikel 6:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep dat is ingesteld tegen het bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II van 13 februari 2025. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit I, nu dat besluit met het bestreden besluit II is ingetrokken. De rechtbank zal zich dan ook niet uitlaten over eiseres haar beroepsgronden tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Er bestaat wel aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht. Hier zal de rechtbank later in de uitspraak op terugkomen.
6. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk behandeld, maar ongegrond verklaard. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van verweerder om aan eiseres een basisbeurs toe te kennen voor de duur van de WO-master in collegejaar 2023/2024.
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres is begonnen met haar studie tijdens het leenstelsel. In dat stelsel hadden studenten recht op studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs tijdens de nominale duur van hun studie. Voor eiseres betekent dit dat zij recht had op studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs voor vier jaar. De prestatiebeurs hield in die tijd in: een aanvullende beurs, reisvoorziening en een toeslag eenoudergezin, als dat van toepassing was. Eiseres heeft de prestatiebeurs gehad voor vier jaar, namelijk in de vorm van de reisvoorziening.
8. Met de komst van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs, die per 1 september 2023 van kracht is geworden, is het voorgaande veranderd. Met deze wet is de basisbeurs weer ingevoerd en is bepaald dat een student recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende een basisbeurs, aanvullende beurs, reisvoorziening en een toeslag eenoudergezin, als dat van toepassing is. Er is niet voorzien in overgangsrecht bij de herinvoering van de basisbeurs. In de memorie van toelichting bij deze wet staat dat dit betekent dat alleen studenten die nog in de nominale duur van de opleiding zitten en nog studiefinancieringsrechten hebben onder het nieuwe stelsel in aanmerking kunnen komen voor een basisbeurs. Dat is bij eiseres niet het geval. Dit betekent kortom dat eiseres volgens de wet – ook na herinvoering van de basisbeurs – geen aanspraak kan maken op een basisbeurs voor haar WO-master.
9. Eiseres stelt dat zij bij het maken van haar keuze heeft gedwaald. Zij voert aan dat zij, als zij vooraf had geweten dat de basisbeurs zou worden ingevoerd, geen gebruik zou hebben gemaakt van de reisvoorziening in het collegejaar 2021/2022. De rechtbank ziet in dat dit ontzettend zuur is voor eiseres. Zij valt als student tijdens het leenstelsel precies in het gat: studenten vóór en na haar krijgen immers wel een basisbeurs. De rechtbank begrijpt ook dat eiseres andere keuzes had gemaakt, bijvoorbeeld door haar reisvoorziening uit te zetten, als zij eerder had geweten dat de basisbeurs opnieuw zou worden ingevoerd. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van dwaling. De door eiseres gestelde omstandigheid betreft namelijk een toekomstige situatie die nog niet bestond op het moment dat eiseres er in het collegejaar 2021/2022 voor koos het reisproduct af te nemen. Gelet op lid 2 van artikel 6:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan dwaling slechts zien op onjuiste veronderstellingen over al bestaande feiten of omstandigheden, zodat de door eiseres aangevoerde reden niet tot het aannemen van dwaling kan leiden. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
10. Eiseres heeft verweerder verder verzocht om haar prestatiebeurs voor één jaar te herroepen zodat zij alsnog recht heeft op een prestatiebeurs gedurende haar WO-master. Het afgenomen reisproduct in dat jaar wil eiseres dan terugbetalen in ruil voor een jaar basisbeurs. De rechtbank stelt vast dat verweerder zowel in het bestreden besluit als in de reactie op het beroepschrift niet is ingegaan op dit verzoek van eiseres. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard vooralsnog geen aanleiding te zien om afzonderlijk op het verzoek van eiseres te beslissen, waardoor dit verzoek thans zonder beoordeling blijft. De rechtbank begrijpt dat ook deze houding van verweerder zorgt voor frustratie bij eiseres. Eiseres heeft namelijk dit verzoek al in de bezwaarfase onder de aandacht van verweerder gebracht, maar verweerder heeft daarop tot aan de zitting niet gereageerd. Ook op dit punt verdient de proceshouding van verweerder niet de schoonheidsprijs. Nu het verzoek van eiseres als een bezwaargrond moet worden aangemerkt, ontbeert het bestreden besluit II aan een toereikende motivering. Het bestreden besluit II is dan ook onvoldoende gemotiveerd en komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet in dit geval wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er geen wettelijke grondslag bestaat om op verzoek van een student een al toegekende prestatiebeurs voor één jaar te herroepen. De rechtbank deelt dit oordeel en ziet eveneens geen wettelijke grondslag voor een dergelijke herroeping. Desgevraagd heeft eiseres evenmin concreet aangegeven waar een wettelijke grondslag voor herroeping zou liggen. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit II is gegrond, omdat het bestreden besluit II ontbeert aan een toereikende motivering op eiseres haar gehele bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit II. Verweerder heeft ter zitting aangegeven geen juridische grondslag te kennen voor het verzoek om de prestatiebeurs voor één jaar te herroepen. Nu de rechtbank dit standpunt deelt, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand te laten.
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit II;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit II in stand blijven zoals omschreven in deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.