ECLI:NL:RBAMS:2025:9721

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/13/769901 / FA RK 25-3971
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen enkelzijdige MASIC beschikking in een gezagskwestie met betrekking tot een minderjarige

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 10 december 2025 een beschikking gegeven in een geschil tussen een vader en een moeder over het ouderlijk gezag en de omgang met hun minderjarige kind. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. N.J. Hos, verzoekt de rechtbank om gezamenlijk ouderlijk gezag en een contactregeling met de minderjarige, die in 2017 is geboren. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Ferwerda, verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt om afwijzing van de verzoeken van de vader, onder andere op basis van de stelling dat er sprake is van intieme terreur en dat het contact met de vader niet in het belang van de minderjarige is.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingediende stukken, waaronder verzoekschriften en een mondelinge behandeling die op 29 oktober 2025 heeft plaatsgevonden. De rechtbank constateert dat er tegenstrijdige opvattingen zijn over de gezins- en opvoedsituatie. De vader stelt dat hij sinds mei 2024 geen contact meer heeft gehad met de minderjarige, terwijl de moeder aanvoert dat er sprake is van een onveilige situatie. De rechtbank heeft besloten om de verzoeken aan te houden en de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek te verrichten naar de situatie van de minderjarige en de ouders. De rechtbank heeft daarbij vragen geformuleerd die de Raad moet onderzoeken, waaronder de vraag of gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige is en welke zorg- en opvoedingstaken passend zijn.

De rechtbank heeft de behandeling pro forma vastgesteld op 4 mei 2026, in afwachting van het rapport van de Raad. De beschikking is openbaar uitgesproken door rechter mr. H.P.E. Has, tevens kinderrechter, en griffier mr. S. Bien.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/769901 / FA RK 25-3971
Beschikking van 10 december 2025
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. N.J. Hos,
tegen
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. M. Ferwerda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoek van de vader, ingekomen op 23 mei 2025;
  • het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandige tegenverzoeken van de moeder, ingekomen op 20 oktober 2025;
  • het F9-formulier van de vader van 27 oktober 2025, met producties 5 en 6.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025.
Verschenen zijn:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de heer [naam] , namens de Raad.
1.3.
Nadien heeft de rechtbank nog kennisgenomen van het schriftelijke advies van de Raad van 24 november en 1 december 2025. Het F9-formulier van de moeder van 1 december 2025, waarin zij aangeeft dat zij zich kan vinden in voornoemd advies van de Raad. Hoewel vader ook in de gelegenheid is geweest om te reageren, heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.
2.2.
Uit deze relatie is geboren:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
Deze minderjarige is erkend door de vader.
2.3.
De moeder is van rechtswege belast met de uitoefening van het gezag.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De vader verzoekt de rechtbank met het eerbiedig verzoek bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad;
I. te bepalen dat de vader met ingang van indiening van het verzoekschrift dan wel een in goede justitie te bepalen ingangsdatum tezamen met de moeder zal worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige;
II. te bepalen dat er tussen de vader en de minderjarige een contactregeling zal worden vastgesteld waarbij begonnen zal worden met een contactmoment van 2 uur per 2 weken onder begeleiding van hulpverlening en dat deze regeling vervolgens zal worden uitgebreid in overleg met de hulpverlening, waarbij er uiteindelijk een omgangsregeling zal zijn waarbij [minderjarige] 1 weekend per 14 dagen bij de man zal verblijven vanaf vrijdagmiddag tot en met zondagmiddag en tevens dat [minderjarige] de helft van de vakantie- en feestdagen bij de vader zal verblijven;
En voorts als voorwaardelijk verzoek:
III. Te bepalen dat de moeder de vader maandelijks zal informeren over de ontwikkeling van [minderjarige] met name voor wat betreft de ingezette behandeling en begeleiding en hem maandelijks een foto te sturen van [minderjarige] ;
Kosten rechtens.
3.2.
De moeder voert verweer en verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
I. het verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag af te wijzen;
II. het verzoek van de vader inzake de vaststelling van een contact- c.q. omgangsregeling af
te wijzen;
III. het omgangsrecht wordt ontzegd op grond van art. 1:377a, lid 3 BW danwel een
gefaseerde omgangsregeling vast te stellen zoals beschreven in randnummer IV.5;
IV. het verzoek tot vaststelling van een informatieregeling niet-ontvankelijk te verklaren
danwel een regeling vast te stellen waarbij de man tweemaal per jaar (in januari en juli)
dient te informeren middels een beveiligde e-mail verbinding;
V. de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek verricht naar het gezag en naar de
vraag òf en zo ja, welke contact- c.q. omgangsregeling in het belang is van de
minderjarige; de Raad in het kader van het onderzoek een forensisch kindgesprek
volgens het NICHD-protocol dient te verrichten; de Raad voor de adres- en
schoolgegevens af zal schermen in de rapportage en ter zake geen informatie met de
man zal delen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

Raadsonderzoek
4.1.
De rechtbank heeft geconstateerd dat partijen tegenstrijdige opvattingen hebben over de (gezins)situatie.
De vader heeft immers gesteld dat het contact tussen hem en [minderjarige] abrupt is beëindigd en hij haar sinds mei 2024 niet meer heeft gezien. Sindsdien wordt hij buiten haar leven gehouden. De vader betwist dat er sprake is van intieme terreur. Hij staat open voor en is bereid mee te werken aan een onderzoek in het belang van [minderjarige] .
Daartegenover heeft de moeder aangevoerd dat sprake is van intieme terreur en dwingende controle. Zij overlegt daartoe tezamen met enige andere stukken onder andere ook een enkelzijdig uitgevoerde MASIC-onderzoeksrapportage (alleen moeder zou zijn gehoord daarin) van Nova Ordine. Zij heeft daarom samen met [minderjarige] noodgedwongen in de vrouwenopvang verbleven. Zij voert aan dat gelet op hun traumatische ervaringen het van belang is dat er eerst onderzoek wordt verricht. Volgens de moeder is er specialistische hulp nodig alvorens te overwegen óf en onder welke voorwaarden contactherstel met de vader mogelijk is.
4.2.
Gezien deze situatie ziet de rechtbank aanleiding om de voorliggende verzoeken aan te houden en de Raad te gelasten een onderzoek te verrichten. De rechtbank beschikt over onvoldoende objectief vastgestelde feiten en omstandigheden om te kunnen beoordelen welke beslissing in het belang van [minderjarige] is te achten. De moeder heeft daarbij voldoende informatie aangeleverd op grond waarvan de rechtbank zorgen heeft en een goed nader onderzoek nodig is om te kunnen beoordelen wat er voor [minderjarige] (en haar ouders) nodig is. Wel geeft het aanleveren van de stukken de rechtbank reeds nu al aanleiding tot het maken van enige opmerkingen over de aangeleverde enkelzijdige MASIC-rapportage. Nog los van het gegeven dat de aangeleverde rapportage in vrij algemene weinig feitelijk concreet op de onderhavige situatie verifieerbare informatie ter onderbouwing van de rapportage oplevert, maakt dat de rechtbank een dergelijke rapportage, waarbij vader geen gelegenheid is geboden om weerwoord te geven op wat er van de zijde van moeder is gesteld slechts kan gebruiken als een signaal dat er mogelijk iets aan de hand is. Hoewel het wellicht wetenschappelijk verantwoord kan zijn om een dergelijke rapportage enkelzijdig af te nemen, acht de rechtbank een dergelijke rapportage alleen wegens strijd met het beginsel van hoor en wederhoor niet geschikt om op basis daarvan op de verzoeken te beslissen.
Kortom; de rechtbank ziet daarom een duidelijk belang bij een gedegen Raadsonderzoek, zodat de gezinssituatie en de opvoedsituatie in relatie tot de belangen van [minderjarige] zorgvuldig kan worden beoordeeld.
4.3.
In het door de Raad uit te voeren onderzoek, dienen de volgende vragen te worden betrokken:
Is het gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] te achten?
Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken acht de Raad in het belang van [minderjarige] ?
Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit [minderjarige] en welke vanuit de ouders? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?
Is omgang (anderszins) in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] ?
Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van [minderjarige] vorm te worden gegeven?
Ziet de Raad aanleiding om een onderzoek te verrichten door het afnemen van een risico-taxatie instrument waarbij in voldoende mate rekening is gehouden met de (on)mogelijkheden van het bestaan van de aanwezigheid van ‘intiem terreur’, zoals wellicht een (tweezijdig afgenomen) MASIC (Mediator’s Assessment of Safety Issues and concerns) of anderszins?
Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te [locatie] advies uit te brengen over de hiervoor in rechtsoverweging 4.3. geformuleerde vragen vóór de hierna te noemen pro forma datum;
5.2.
houdt de verzoeken
pro formaaan tot
4 mei 2026in afwachting van het Raadsonderzoek en stelt de Raad in de gelegenheid om uiterlijk vóór voornoemde datum te reageren op de in rechtsoverweging 4.3. geformuleerde vragen. Partijen zullen nadien in de gelegenheid worden gesteld op het rapport van de Raad te reageren;
5.3.
bepaalt dat de behandeling pro forma wordt voorgezet op
4 mei 2026;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. H.P.E. Has, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S. Bien, griffier, op 10 december 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).