De rechtbank Amsterdam heeft op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, witwassen en valsheid in geschrift. De zaak betrof de vaststelling en oplegging van een betalingsverplichting ter grootte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Tijdens de zitting van 25 november 2025 heeft de rechtbank kennisgenomen van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarin is overeengekomen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op €580.000,- en dat veroordeelde deze som aan de Staat moet betalen. Veroordeelde verklaarde zich bewust en geïnformeerd over deze afspraken en zag af van verdere onderzoekswensen en matigingsverzoeken.
De rechtbank heeft haar eigen verantwoordelijkheid genomen om te toetsen of de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel conform artikel 36e Sr is. Op basis van het ontnemingsrapport en de aanvulling daarop acht de rechtbank het bedrag van €580.000,- correct vastgesteld. Er zijn geen redenen om het bedrag te verlagen.
De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters.