In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, de eigenaar van een voormalige sociale huurwoning, en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam over de vastgestelde WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld op € 456.000,-, waarop eiseres bezwaar maakte. In de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2025 werd het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 11 november 2025 werd de zaak behandeld. Eiseres stelde dat de WOZ-waarde te hoog was en dat deze verlaagd moest worden naar € 400.000,-, waarbij zij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel. De heffingsambtenaar kwam in het verweerschrift deels tegemoet aan de bezwaren van eiseres en stelde voor om de WOZ-waarde te verlagen naar € 437.000,-. De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar voldoende vergelijkbare objecten had gehanteerd bij de waardevaststelling.
De rechtbank concludeerde dat de woningen die door eiseres waren aangedragen, wel degelijk vergelijkbaar waren, ondanks dat de heffingsambtenaar stelde dat deze woningen in een minder goede staat verkeerden. De rechtbank oordeelde dat de aanname van de heffingsambtenaar niet opging, aangezien de woningen in hetzelfde pand zich bevonden en in vergelijkbare staat van onderhoud verkeerden. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres gegrond en verlaagde de WOZ-waarde naar € 400.000,-. Tevens werd de aanslag onroerende zaakbelasting overeenkomstig deze waarde verlaagd en werd de heffingsambtenaar opgedragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden.