Eiseres, eigenaar van een voormalige sociale huurwoning in Amsterdam, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €456.000 die de gemeente had vastgesteld voor het kalenderjaar 2024. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde in de uitspraak op bezwaar, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en nam daarbij de beroepsgronden van eiseres in aanmerking. De heffingsambtenaar had de waarde inmiddels verlaagd naar €437.000 op basis van een taxatie-technische onderbouwing, maar eiseres bleef bij haar standpunt dat de waarde op €400.000 moest worden vastgesteld, onder meer op grond van het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank stelde vast dat de woningen die eiseres als vergelijkingsobjecten aanvoerde, sociale huurwoningen waren in hetzelfde pand en in dezelfde matige staat van onderhoud als de woning van eiseres. Dit maakte de woningen identiek in juridische zin. De heffingsambtenaar had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de woning van eiseres in een betere staat verkeerde. Daarom slaagde het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden uitspraak op bezwaar en stelde de WOZ-waarde vast op €400.000. De aanslag onroerende zaakbelasting werd overeenkomstig verlaagd. Tevens werd de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.