ECLI:NL:RBAMS:2025:9803

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/4203
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.M. Klinkhamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 35 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvraag bijzondere bijstand verhuiskosten ten onrechte buiten behandeling gesteld

Eiser diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand in de kosten van een verhuizing. Het college stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat de gevraagde aanvullende informatie niet tijdig was aangeleverd. Eiser had echter een hersteltermijn toegezegd gekregen tot 17 maart 2025, terwijl het college het besluit op 14 maart 2025 nam.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld, omdat eiser de mogelijkheid had om de aanvullende informatie binnen de hersteltermijn aan te leveren. Het college had het primaire besluit moeten herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid.

Hoewel het beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat eiser ook in bezwaar en beroep de gevraagde informatie niet heeft aangeleverd. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen wordt vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/4203

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de vraag of het college de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand in verhuiskosten buiten behandeling mocht stellen. [1] Eiser voert aan dat het college zijn aanvraag niet buiten behandeling mocht stellen, omdat de hersteltermijn voor het indienen van de benodigde aanvullende informatie nog niet was verstreken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtsgevolgen daarvan kunnen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van een verhuizing. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2025 (het primaire besluit) buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 6 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Op 21 juli 2025 heeft het college op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 3 februari 2025 heeft het college eiser verzocht om uiterlijk op 17 februari 2025 aanvullende informatie over zijn aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen. Die informatie was nodig om de aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. Na een verzoek om uitstel, heeft het college eiser per brief laten weten dat hij tot 12 maart 2025 uitstel kreeg om de gevraagde aanvullende informatie in te dienen. In die brief heeft het college geschreven dat eiser het voor 12 maart 2025 moest laten weten als hij meer tijd nodig had om de informatie op te sturen. Eiser heeft het college in de ochtend van 12 maart 2025 per e-mail verzocht om meer tijd. In reactie daarop heeft de klantbegeleider van eiser hem per e-mail laten weten dat hij de gevraagde informatie op 17 maart 2025 mocht aanleveren.
4. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de gevraagde informatie niet tijdig was ontvangen. Bij het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Het college heeft overwogen dat de aanvraag op 14 maart 2025 terecht buiten behandeling is gesteld, omdat de gevraagde stukken niet voor 12 maart 2025 waren aangeleverd. Het college overweegt ten slotte dat de aanvullende informatie ook in bezwaar niet is aangeleverd.
Heeft het college de aanvraag van eiser buiten behandeling mogen stellen?
5. Niet in geschil is dat eiser de gevraagde aanvullende informatie die nodig was voor de behandeling van zijn aanvraag niet heeft aangeleverd.
6. In beroep betoogt eiser dat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn aanvraag op 14 maart 2025 buiten behandeling mocht worden gesteld. Eiser wijst erop dat de termijn voor het indienen van aanvullende informatie namelijk nog niet was verstreken. Door zijn aanvraag buiten behandeling te stellen, heeft het college volgens eiser gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings- en evenredigheidsbeginsel.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij de aanvraag op 14 maart 2025 buiten behandeling mocht stellen. Anders dan in het bestreden besluit is overwogen, heeft het college artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing kunnen achten. Eiser heeft namelijk niet de gelegenheid gehad zijn aanvraag nog tot en met 17 maart 2025 aan te vullen, terwijl hem die hersteltermijn wel was toegezegd. Het college had daarom in bezwaar aanleiding moeten zien om het primaire besluit te herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid
.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarmee het primaire besluit niet is herroepen. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand. Dat betekent dat het college niet opnieuw het bezwaar van eiser moet beoordelen. Het college heeft zich in het bestreden besluit namelijk terecht op het standpunt gesteld dat eiser ook in bezwaar niet de gevraagde informatie voor de inhoudelijk behandeling van zijn aanvraag heeft ingediend. Daarom heeft zij de aanvraag bij het bestreden besluit niet alsnog inhoudelijk in behandeling hoeven nemen. Ook in beroep heeft eiser de benodigde aanvullende informatie voor de behandeling van zijn aanvraag niet ingediend.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De vergoeding van de proceskosten, is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser in bezwaar proceskosten heeft gehad die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 907,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het primaire besluit niet is herroepen;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 35 van Pro de Participatiewet en artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.