ECLI:NL:RBAMS:2025:9845

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/13/765260 / HA ZA 25-682
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgplicht van de bank bij internationale betalingen en de gevolgen van oplichting

In deze bodemzaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen een eiser en de ING Bank N.V. De eiser, die een bankrekening aanhield bij de ING Bank, had op 30 augustus 2019 een bedrag van € 47.500 overgemaakt naar een Ierse bankrekening, die later bleek te zijn gebruikt door een oplichter. Na het vermoeden van oplichting heeft de eiser de ING Bank gebeld, maar de bank kon de betaling niet meer tegenhouden. De eiser vorderde een schadevergoeding van de bank, stellende dat deze haar zorgplicht had geschonden door niet tijdig actie te ondernemen. De ING Bank betwistte dit en stelde dat de betaling op vrijdag 30 augustus direct was uitgevoerd en dat zij op zaterdag 31 augustus geen mogelijkheid had om de betaling te blokkeren. De rechtbank oordeelde dat de ING Bank niet in gebreke was gebleven, omdat de betaling al naar de clearinginstelling was verzonden en de bank geen beschikkingsmacht meer had over het geld. De vordering van de eiser werd afgewezen, en hij werd veroordeeld in de proceskosten van de ING Bank, die in totaal € 5.601,00 bedroegen. De rechtbank concludeerde dat de ING Bank op het moment van de oproep van de eiser niet meer in staat was om de betaling te blokkeren, en dat de uitkomst niet anders zou zijn geweest, zelfs als de bank eerder had gereageerd.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/765260 / HA ZA 25-682
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.J. Meijer,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de ING Bank,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] houdt een bankrekening aan bij de ING Bank. Op vrijdag 30 augustus 2019, aan het einde van de dag, heeft hij € 47.500 overgemaakt naar een Ierse bankrekening. Dat bleek later een oplichter te zijn. Nadat [eiser] de ING Bank had gebeld en gezegd dat hij vermoedde te zijn opgelicht, heeft de ING Bank op maandag 2 september 2019 de Ierse bank via een SEPA Recall verzocht om de betaling terug te boeken. Een maand daarna ontving de ING Bank voor het eerst een reactie van de Ierse bank en weer enige tijd later liet de Ierse bank weten dat de oplichter het geld inmiddels van de rekening had afgehaald.
1.2.
[eiser] vordert in deze procedure een schadevergoeding van de ING Bank. Hij stelt dat hij op zaterdag 31 augustus 2019 de ING Bank al heeft gebeld en dat zij op dat moment de betaling nog had kunnen tegenhouden. De ING Bank betwist dat [eiser] op die zaterdag al heeft gebeld en dat zij, ook als [eiser] toen wel zou hebben gebeld, op dat moment de betaling nog ongedaan kon maken. Volgens de ING Bank heeft [eiser] op maandag 2 september 2019 pas gebeld en heeft zij toen gedaan wat zij kon om de schade van [eiser] te beperken.
1.3.
De rechtbank wijst de vordering af. Het is niet gebleken dat de ING Bank op zaterdag 31 augustus 2019 de betaling nog kon blokkeren. Er is ook geen reden om aan te nemen dat het geld kon worden teruggehaald als de ING Bank op die zaterdag al een SEPA Recall verzoek had gedaan. Dat wordt hierna verder gemotiveerd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 november 2025 en de daarin genoemde stukken.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de ING Bank te veroordelen € 47.500 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 augustus 2019, en de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat de ING Bank haar zorgplicht heeft geschonden door niet op zaterdag 31 augustus, toen hij voor de eerste keer belde, onmiddellijk actie te ondernemen. Aangezien de betalingsopdracht op vrijdag na de zogenoemde 'cut-off-time' voor internationale betalingen is gegeven en deze pas op maandagochtend definitief werd verwerkt, was het bedrag gedurende het weekeinde nog onder de beschikkingsmacht van de ING Bank. Zij had de betaling op die zaterdag dus nog kunnen blokkeren of terughalen. Toen de ING Bank op maandag 2 september alsnog actie ondernam was het al te laat.
3.3.
De ING Bank voert verweer. Op dat verweer wordt hierna onder de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] op vrijdag 30 augustus 2019 met de betaling heeft ingestemd. Het gaat dus om een toegestane betaalopdracht zoals bedoeld in artikel 7:522 BW. Artikel 7:534 lid 1 BW bepaalt dat een toegestane betaalopdracht vanaf het moment van ontvangst niet meer kan worden herroepen, en op grond van artikel 7:533 lid 4 BW moet de bank de opdracht vervolgens uitvoeren.
4.2.
[eiser] stelt dat de ING Bank de betaling op zaterdag 31 augustus toch kon tegenhouden en dat zij dat vanwege haar zorgplicht ook moest doen, omdat zij toen nog steeds de beschikkingsmacht over het geld had. Dat komt volgens [eiser] doordat het geld tot maandagochtend 2 september op een tussenrekening was geparkeerd bij een clearinginstelling en nog niet was bijgeschreven op de Ierse bankrekening.
4.3.
De ING Bank heeft uitgelegd dat de betaling van [eiser] op vrijdag 30 augustus direct is uitgevoerd en naar de clearinginstelling is verstuurd. De clearinginstelling verzorgt de vereffening van de betalingen die banken over een weer naar elkaar doen. Dat gebeurt gedurende werkdagen doorlopend, maar stopt op vrijdag aan het einde van de middag. Betalingen die daarna worden gedaan worden ’s ochtends vroeg op de eerstvolgende werkdag gecleared. Als dat is gebeurd ziet de begunstigde dat het bedrag met terugwerkende kracht – namelijk tot het moment dat de betalingsopdracht werd gegeven – op zijn rekening is bijgeschreven. Voordat de betaling is gecleared heeft de ontvangende bank echter al de beschikkingsmacht over het geld. De bank van de opdrachtgever kan dan ook niet voorkomen dat een betaling wordt gecleared als die eenmaal naar de clearinginstelling is verzonden. Dat betekent dat de ING Bank de betaling van [eiser] nadat die was uitgevoerd op vrijdagmiddag en naar de clearinginstelling was verzonden niet meer kon tegenhouden, aldus steeds de ING Bank.
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat het bedrag op vrijdag 30 augustus direct nadat [eiser] daartoe opdracht had gegeven, van zijn betaalrekening is afgeschreven en dat de betaalopdracht vervolgens naar de clearinginstelling is verzonden. Daarmee was het bedrag feitelijk uit de beschikkingsmacht van de ING Bank, zoals zij heeft uitgelegd. De rechtbank ziet geen gronden om aan te nemen dat deze uitleg van de ING Bank onjuist is en dat zij wel de beschikkingsmacht over het geld behield totdat de betaling was gecleared. Dat betekent dat de ING Bank op zaterdag 31 augustus de betaling niet meer kon blokkeren of kon voorkomen dat het geld op de Ierse bankrekening werd bijgeschreven. De ING Bank kon op die zaterdag wel een SEPA Recall verzoek of een SWIFT-bericht sturen naar de Ierse bank. Daarmee wordt de betaling niet geblokkeerd, maar wordt de ontvangende bank verzocht om het geld zo mogelijk terug te halen. Het succes daarvan hangt af van de snelheid waarmee de ontvangende bank optreedt.
4.5.
De ING Bank heeft op maandag 2 september 2019 (toen [eiser] volgens haar voor de eerste keer belde) een SEPA Recall verzoek verstuurd. De Ierse bank heeft pas een maand later op dat verzoek gereageerd en de ING Bank gevraagd om een vrijwaring af te geven. Dat heeft de ING Bank vervolgens ook gedaan. Met zo’n vrijwaring neemt zij de aansprakelijkheid op zich voor het geval de Ierse bank geld van de begunstigde rekening afschrijft of die rekening blokkeert, en dat achteraf onterecht blijkt. Vervolgens heeft de Ierse bank pas in februari 2020 bericht dat het geld inmiddels van de rekening af was gehaald.
4.6.
Aangezien de ING Bank afhankelijk was van de medewerking van de Ierse bank en die pas na een maand voor het eerst actie ondernam, valt niet in te zien dat de uitkomst anders zou zijn geweest als het SEPA-Recall verzoek op zaterdag 31 augustus in plaats van op maandag 2 september was verstuurd. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de ING Bank worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.601,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, bijgestaan door mr. R.D. Lok en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.