ECLI:NL:RBAMS:2025:9851

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/13/775684 / KG ZA 25-750
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:296 BWArt. 3:300 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking juridische levering gezamenlijke woning toegewezen

Partijen hadden een niet-geformaliseerde relatie en waren samen eigenaar van een woning. Na het beëindigen van hun relatie maakten zij afspraken over de verdeling van de woning, waarbij de man de woning zou overnemen tegen een getaxeerde waarde van €980.000,- en de vrouw een overbedelingsuitkering zou ontvangen. De vrouw weigerde later haar aandeel over te dragen, terwijl de man de lasten van een overbruggingshypotheek betaalde.

De man vorderde in kort geding dat de vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de verdeling en medewerking aan de juridische levering van haar aandeel, alsmede terugbetaling van de door hem betaalde hypotheeklasten. De vrouw voerde verweer tegen de waarde en de verplichting tot medewerking.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de afspraken over de verdeling en de taxatiewaarde voldoende aannemelijk zijn en dat de vrouw onterecht weigert mee te werken. De vordering tot medewerking aan de levering wordt toegewezen. De vordering tot terugbetaling van hypotheeklasten wordt afgewezen omdat de man pas op 23 juli 2025 duidelijk heeft gesteld dat hij de vrouw tot medewerking verplichtte en de financiering nog niet rond was.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en treedt in de plaats van de vereiste medewerking van de vrouw indien zij niet binnen zeven dagen voldoet.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de juridische levering van haar aandeel in de gezamenlijke woning, terwijl de vordering tot terugbetaling van hypotheeklasten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/775684 / KG ZA 25-750 MdV/EV
Vonnis in kort geding van 14 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 10 oktober 2025,
advocaat: mr. B. Röpcke,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. L.M.J. Duijverman.
Partijen zullen hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ worden genoemd.

1.De procedure

Op de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025 waren partijen aanwezig, beiden met hun advocaat. De man heeft kort voor de zitting een akte van eiswijziging ingediend, waar de vrouw bezwaar tegen heeft gemaakt. Tijdens de zitting heeft de man de dagvaarding en eiswijziging toegelicht en heeft de vrouw verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. De zaak is na de zitting een paar dagen aangehouden om partijen gelegenheid te geven onderling nog een oplossing te vinden. Op 31 oktober 2025 heeft mr. Röpcke de rechtbank laten weten dat dit niet is gelukt en dat vonnis wordt gevraagd. Vervolgens is bepaald dat op 14 november 2025 vonnis wordt gewezen.
De eiswijziging wordt, ondanks het bezwaar van de vrouw, toegestaan. Het betreft slechts een kleine wijziging waarop de vrouw, ook onvoorbereid, ter zitting heeft kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben tot 2023 een (niet geformaliseerde) relatie gehad en zij hebben samen drie kinderen.
2.2.
Tijdens de relatie woonde het gezin in een woning aan de [adres 1] (hierna: de gezamenlijke woning). Partijen zijn samen eigenaar. Na het einde van de relatie hebben zij enige tijd aan ‘birdnesting’ gedaan.
2.3.
In het begin van 2024 heeft de vrouw een eigen koopwoning gevonden aan de [adres 2] . Opdat de vrouw deze woning kon kopen zonder dat zij haar aandeel in de overwaarde van de gezamenlijke woning had ontvangen, is een overbruggingshypotheek afgesloten op de gezamenlijke woning. De man betaalt de lasten van die overbruggingshypotheek. De man woont nog in de gezamenlijke woning.
2.4.
Er is een conceptakte van verdeling van de gezamenlijke woning, gedateerd op 8 februari 2024. Tot het passeren daarvan is het niet gekomen.

3.Het geschil

3.1.
Na de wijziging van eis vordert de man bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. - de vrouw op grond van artikel 3:296 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen overeengekomen verdeling zoals vastgelegd in productie 12, en
- te bepalen dat de vrouw binnen 7 dagen na betekening van het vonnis haar volledige en onbelemmerde medewerking verleent aan de uitvoering van deze verdeling door mee te werken aan de juridische levering van haar aandeel in de gezamenlijke woning aan de man, ten overstaan van notaris R. Verhage te Amsterdam, uitgaande van de overeengekomen waarde van die woning van € 980.000,- en een aan de vrouw te betalen overbedelingsuitkering van € 310.000,- althans € 314.000,-, uitgaande van een overeengekomen waarde van € 980.000,- en een daarop in mindering te brengen aflossingsvrije hypothecaire schuld van € 352.000,-,
- alsmede te bepalen dat de vrouw alle overige handelingen verricht die noodzakelijk zijn voor de juridische overdracht van haar aandeel in de woning aan de man;
II. te bepalen dat, voor het geval de vrouw nalaat binnen de in sub I gestelde termijn de verlangde medewerking te verlenen aan de uitvoering van de verdeling en juridische levering van haar aandeel in de gezamenlijke woning aan de man, het vonnis krachtens artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de daarvoor vereiste medewerking en/of handtekening van de vrouw, en dat dit vonnis dezelfde rechtsgevolgen heeft als ware die medewerking door de vrouw zelf verleend;
III. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van de door hem onverschuldigd betaalde lasten van de overbruggingshypotheek over de periode van april 2025 tot en met oktober 2025, groot € 8.837,50, alsmede de vrouw te veroordelen tot vergoeding aan de man van alle door hem te betalen nog te verschijnen termijnen vanaf november 2025 tot aan de datum van juridische levering van het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van iedere afzonderlijke betaling door de man tot aan de dag der algehele voldoening, althans tot betaling van een bedrag als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
IV. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De man stelt dat partijen al in februari 2024 afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de gezamenlijke woning. Hij zou die woning uiterlijk 1 maart 2025 overnemen tegen een waarde van € 980.000,-. De vrouw zou dan € 310.000,- (ter zitting is dit gecorrigeerd naar € 314.000,-) ontvangen uit de overwaarde en worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lopende hypotheek. Zij zou ook € 36.256,- van de man ontvangen als compensatie voor het verlies van de gunstige hypotheekvoorwaarden en zij zou in haar nieuwe woning een vloer en een keukenblad krijgen, ter waarde van ruim
€ 14.000,- (wat dan verrekend zou worden met de compensatie voor het verlies van de gunstige hypotheek). Nagenoeg alle afspraken zijn nagekomen maar de vrouw is terugtrekkende bewegingen gaan maken. Daar is geen grond voor. De vrouw moet ook de afspraken nakomen en haar aandeel in de gezamenlijke woning aan de man leveren. Als de vrouw de afspraken op tijd was nagekomen, had de man de lasten voor de overbruggingshypotheek na maart 2025 niet meer hoeven betalen. Omdat de vrouw de afspraken ten onrechte traineert, moet zij die kosten aan de man vergoeden.
3.3.
De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de stukken in het dossier wordt voldoende aannemelijk dat partijen begin 2024 afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de gezamenlijke woning. Zij hebben samen opdracht gegeven de woning te taxeren. Dat heeft geleid tot een taxatierapport van 19 januari 2024, waarin een waarde is opgenomen van € 980.000,-. In de conceptakte van verdeling van de woning van 8 februari 2024 is opgenomen dat de man de woning voor die prijs zou overnemen, waarbij de vrouw een overbedelingsvergoeding zou ontvangen van
€ 310.000,- (ter zitting gecorrigeerd naar € 314.000,-, zijnde de helft van het verschil tussen de getaxeerde waarde en de openstaande hypotheekschuld).
4.2.
Het staat vast dat verder is afgesproken dat er een overbruggingshypotheek zou worden afgesloten op de gezamenlijke woning, waarmee de vrouw haar nieuwe woning kon financieren en waarvan de man de lasten zou dragen. Ook blijkt uit de stukken dat de vrouw € 36.256,- zou ontvangen wegens het verlies van de gunstige lopende hypotheek en dat de man zou zorgen voor een vloer en keukenblad in haar nieuwe woning. De vrouw heeft niet betwist dat de man deze afspraken allemaal is nagekomen. Ten slotte blijkt uit de stukken dat de man tot 1 maart 2025 de tijd had om de overname van de gezamenlijke woning te regelen en de vrouw uit te kopen.
4.3.
De vrouw is op enig moment gaan weigeren om haar helft van de gezamenlijke woning tegen de getaxeerde waarde aan de man over te dragen. Zij meent dat niet kan worden uitgegaan van de taxatie, omdat die alleen is opgesteld voor het verkrijgen van de overbruggingshypotheek en van te lang geleden dateert. De vrouw wordt niet gevolgd in die standpunten. Zij heeft op 18 januari 2024 aan de notaris gemaild dat een taxatierapport in de maak was (het rapport van 19 januari 2024), in antwoord op de vraag tegen welke waarde de gezamenlijke woning zou worden verdeeld. Op 2 februari 2024 is aan haar een concept notarisinstructie gemaild, waarin als uitgangspunten waren opgenomen de getaxeerde waarde van € 980.000,- en een termijn tot 1 maart 2025 voor overname van de woning door de man. Hiertegen heeft de vrouw niet geprotesteerd. Integendeel, zij heeft op de conceptakte van verdeling, waarin dezelfde uitgangspunten waren vastgelegd, ondubbelzinnig haar akkoord gegeven. Uit niets blijkt dus dat de taxatie (alleen) is gedaan ten behoeve van de overbruggingshypotheek, of aan tijd was gebonden, zoals de vrouw nu aanvoert.
4.4.
De terugtrekkende beweging die de vrouw is gaan maken, is niet gerechtvaardigd. Zij dient daarom nu op eerste afroep van de man mee te werken aan de levering van haar aandeel in de gezamenlijke woning. De daartoe strekkende vordering van de man (onder I) is daarmee toewijsbaar. Anders dan de vrouw aanvoert, betreft dit geen constitutieve beslissing (vaststelling van de verdeling), maar toewijzing van een vordering tot medewerking aan de overdracht van een woning op grond van gemaakte afspraken. Dat kan in kort geding en de man heeft daarbij voldoende spoedeisend belang. De vorderingen onder I en II zijn toewijsbaar.
4.5.
De man vordert verder terugbetaling van de lasten van de overbruggingshypotheek die hij na maart 2025 heeft voldaan. Hij stelt dat hij die lasten zou betalen zolang het aandeel van de vrouw in de gezamenlijke woning nog niet aan hem was geleverd, en dat het aan de vrouw ligt dat dat nog niet is gebeurd. Vanaf maart 2025 heeft hij onverschuldigd betaald, zo stelt hij.
4.6.
Voor de beoordeling van deze vordering is van belang te onderzoeken vanaf welk moment de man de financiering van de overname rond had en tegen de vrouw heeft gezegd dat zij diende mee te werken aan de levering. Immers vanaf dat moment zouden de lasten van de overbrugging niet meer voor rekening van de man moeten komen.
4.7.
Het enige stuk waaruit blijkt dat de man de vrouw heeft aangezegd dat zij moest meewerken aan levering, bij gebreke waarvan hij de overbruggingshypotheek niet meer zou betalen, is de brief van zijn advocaat van 23 juli 2025. Voor deze datum heeft hij dit standpunt niet, in elk geval niet duidelijk, ingenomen. De termijnen tot en met juli 2025 kan hij dan ook niet terugvorderen. Verder blijkt uit de stukken niet dat de man de financiering van de overname rond heeft. Sterker, op de zitting heeft de man verklaard dat hij hiervoor nog maximaal 8 weken nodig denkt te hebben. Onder die omstandigheden is de vordering tot terugbetaling in kort geding niet toewijsbaar. Dat geldt ook voor de toekomstige termijnen. De man heeft het nu in de hand om, zodra de financiering geheel rond is, de gezamenlijke woning over te nemen, waarna de overbruggingshypotheek kan worden afgelost en verdere termijnen niet verschuldigd zijn.
4.8.
Nu de vorderingen van de man niet geheel worden toegewezen en gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig mee te werken aan de juridische levering aan de man van haar aandeel in de gezamenlijke woning aan de [adres 1] , ten overstaan van notaris R. Verhage te Amsterdam, uitgaande van de waarde van de woning van € 980.000,-, waarbij de vrouw de helft van het verschil tussen die waarde en de hypothecaire schuld ontvangt en waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die hypothecaire schuld, en veroordeelt de vrouw om alle overige handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de juridische overdracht van haar aandeel in de woning aan de man,
5.2.
bepaalt dat, indien de vrouw niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1, dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking (volmacht) van de vrouw (als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW Pro) voor de overdracht van haar aandeel in de gezamenlijke woning waaronder het verlijden van de notariële akte van levering,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025. [1]

Voetnoten

1.type: MdV