ECLI:NL:RBAMS:2025:9856

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/13/770978 HA ZA 25-1180
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident en voorlopige voorzieningen in geschil over naburige rechten en eer en goede naam

In deze zaak, die voor de Rechtbank Amsterdam is behandeld, betreft het een bevoegdheidsincident en een incident tot het treffen van voorlopige voorzieningen tussen Modern Entertainment B.V. (ME) en twee gedaagden, een Noorse vennootschap en een persoon. ME vordert onder andere erkenning van haar rechten op een specifieke catalogus van geluidsopnamen en stelt dat de gedaagden onrechtmatig handelen door inbreuk te maken op haar naburige rechten. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van bepaalde vorderingen die betrekking hebben op de gestelde onrechtmatige exploitatie van naburige rechten buiten Nederland. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor vorderingen die betrekking hebben op de in Nederland geleden schade, maar niet voor grensoverschrijdende vorderingen. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van ME tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, omdat er op dat moment geen voldoende belang bij de gevorderde maatregel bestond. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord van de gedaagden.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/770978 / HA ZA 25-1180
Vonnis in incidenten van 10 december 2025
in de zaak van
MODERN ENTERTAINMENT B.V.,
te Hauwert,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,
verwerende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: ME,
advocaat: mr. R. van Dongen,
tegen

1.de vennootschap naar Noors recht [gedaagde 1] AS,2. [gedaagde 2] ,

te [woonplaats] (Noorwegen),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,
eisende partijen in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en samen [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.C.H. van Manen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 januari 2025, met producties,
  • de conclusie van antwoord in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening, tevens incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties en
  • de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.In de hoofdzaak

2.1.
In de hoofdzaak vordert ME - zeer kort weergegeven - voor recht te verklaren dat ME rechthebbende is op de [naam] -catalogus met inbegrip van de rechten in de zin van artikel 6 Wet op de naburige rechten, dat [gedaagden] geen rechthebbende is in de zin van artikel 6 Wet op de naburige rechten (vorderingen A-B) en dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door inbreuk te maken op de naburige rechten van ME (vordering C).
De vorderingen van ME houden daarnaast diverse bevelen in om het gebruik door [gedaagden] van de [naam] -catalogus te staken en om een financieel overzicht over te leggen (vorderingen D-G).
De vorderingen onder H tot en met K zien op (het staken van) onrechtmatige uitlatingen door [gedaagden] over ME en het rectificeren van de uitlatingen.
Tot slot vordert ME vergoeding van schade en betaling van de proceskosten op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en van de nakosten.
2.2.
ME legt aan de vorderingen ten grondslag dat zij sinds 1 augustus 2022 rechthebbende is op de zogeheten [naam] -catalogus (geluidsopnamen met zanguitvoeringen van muziekwerken uitgevoerd door de Noorse zangeres [naam zangeres] ( [naam] )) in de zin van artikel 6 Wet op de naburige rechten. [gedaagde 2] is de partner van [naam zangeres] . Hij is samen met [naam zangeres] bestuurder van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] maakt sinds juni 2024 inbreuk op de [naam] -catalogus door deze te (doen) verwijderen van Spotify, Apple Music, Amazon Music en YouTube en andere
digital service platforms(DSP’s) door zich als eigenaar van de [naam] -catalogus aan te merken bij deze DSP’s en de catalogus zelf te doen exploiteren via DSP’s. Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatige uitlatingen gedaan over ME die de eer en goede naam van ME schenden.
2.3.
[gedaagden] heeft nog niet van antwoord gediend in de hoofdzaak.

3.In de incidenten

ME- [gedaagden] : voorlopige voorziening
3.1.
ME vordert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad en bij wege van voorlopige voorziening:
I. [gedaagden] te gebieden om onmiddellijk te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden het doen van uitlatingen, via welk medium dan ook, naar ME en derden waarin wordt beweerd dat de [naam] -catalogus niet het eigendom is van ME en waarin de bestuurders van ME worden beschuldigd van strafbare feiten zoals bedreiging, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor elke uitlating van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] die met het gevorderde in strijd is en per (gedeelte van de) dag dat de uitlating voortduurt en
II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
ME legt aan de vordering ten grondslag dat zij een spoedeisend belang bij de vordering heeft, omdat [gedaagden] weigert gehoor te geven aan sommaties om te stoppen met het doen van onrechtmatige uitlatingen naar derden waarin [gedaagden] beweert rechthebbende te zijn op de [naam] -catalogus en waarin [gedaagden] ME en haar bestuurders beschuldigt van het plegen van strafbare feiten.
3.3.
[gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ME dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ME in de volledige proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[gedaagden] -ME: bevoegdheidsincident
3.4.
[gedaagden] vordert dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zich primair onbevoegd verklaart en subsidiair zich onbevoegd acht voor zover de vorderingen zich uitstrekken buiten Nederland, met veroordeling van ME in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019 Rv.
3.5.
ME concludeert tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

4.De beoordeling

[gedaagden] -ME: bevoegdheidsincident
4.1.
De rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag van Lugano [1] , omdat [gedaagden] binnen de Vrijhandelsassociatie is gevestigd en Noorwegen dit verdrag heeft ondertekend. Bij de toepassing en de uitleg van het verdrag moet worden gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de relevante en grotendeels gelijkluidende bepalingen van de Brussel I-bis Verordening. Op grond van de hoofdregel van artikel 2 van het Verdrag van Lugano is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd. Aan die bepaling kan deze rechtbank geen internationale bevoegdheid ontlenen. Gedaagden zijn gevestigd in/wonen in Noorwegen. In afwijking van de hoofdregel kent het verdrag bevoegdheidsregels op grond waarvan de gedaagde kan worden opgeroepen voor het gerecht van een andere door het verdrag gebonden staat. Uit artikel 5 aanhef en lid 3 van het Verdrag van Lugano volgt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door het verdrag gebonden staat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Daaronder vallen de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden (
Handlungsort) en de plaats waar de schade is ingetreden (
Erfolgsort).
Op grond van de rechtspraak van het HvJEU [2] schept artikel 5 aanhef en lid 3 van het Verdrag van Lugano bevoegdheid zodra a) de lidstaat van de aangezochte rechter het door eiser ingeroepen recht beschermt en b) de beweerde schade kan intreden in het rechtsgebied van deze rechter, hetgeen het geval kan zijn als de website waarop het beschermd materiaal beschikbaar is gesteld toegankelijk is in het rechtsgebied van de aangezochte rechter. De rechter mag in dit geval slechts uitspraak doen over de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van zijn lidstaat.
4.2.
Voor de bevoegdheid van deze rechtbank moet per deelvordering worden nagegaan welk gerecht bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vorderingen gebaseerd op naburige rechten
4.3.
De naburige rechten waarop ME een beroep doet, zijn in Nederland beschermd op grond van artikel 6 Wet op de naburige rechten. ME treedt op tegen de exploitatie van haar naburige rechten op digitale platforms zoals Spotify, YouTube, Deezer, Apple Music en Amazon Music. Deze platforms zijn toegankelijk in Nederland. Dat betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op de naburige rechten van ME (de vorderingen onder C tot en met G). Deze bevoegdheid is territoriaal beperkt tot Nederland. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de grensoverschrijdende vorderingen.
4.4.
De rechtbank zal zich ook onbevoegd verklaren ten aanzien van de vorderingen onder A en B. Dat zijn verklaringen voor recht die inhouden dat ME en niet [gedaagden] in de zin van artikel 6 Wet op de naburige rechten rechthebbende is op de [naam] -catalogus. Deze vorderingen zijn niet gebaseerd op onrechtmatige daad. De alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 5 aanhef en onder lid 3 Verdrag van Lugano geldt daarvoor niet. Op grond van de hoofdregel is de rechter te Noorwegen bevoegd om hierover te oordelen.
Vorderingen gebaseerd op onrechtmatige uitlatingen
4.5.
De uitlatingen waarvan ME stelt dat deze onrechtmatig zijn, zijn gedaan in e-mails uit mei 2024 van [gedaagde 2] aan derden (Universal Music en Virgin Music). In die berichten schrijft [gedaagde 2] dat ME niet de rechthebbende is op de [naam] -catalogus en wordt de bestuurder van ME beschuldigd van bedreiging. Volgens ME ten onrechte.
[gedaagden] stelt dat het aan de Noorse rechter is voorbehouden om te oordelen in hoeverre [gedaagde 2] / [gedaagde 1] een persoonlijke mening mag verkondigen en of een rectificatie is geboden. [gedaagden] betwist dat de uitlatingen zich hebben voorgedaan in het arrondissement Amsterdam. De rechtbank heeft geen rechtsmacht. Voor zover de rechtbank bevoegdheid aanneemt, is deze territoriaal beperkt.
Volgens ME komt aan de rechtbank rechtsmacht toe, omdat ME het centrum van haar belangen in Nederland (Amsterdam) heeft en ME de effecten van de onrechtmatige uitlatingen in Nederland voelt.
4.6.
Het
Handlungsortis gelegen in Noorwegen. De vraag is of het
Erfolgsortin Nederland ligt. In het arrest EDate-Martinez van het HvJEU [3] is geoordeeld dat het
Erfolgsortbij een vermeende schending van persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content is gelegen in het land van de gebruiker waar die het centrum van zijn belangen heeft. Deze situatie doet zich hier niet voor. De gestelde onrechtmatige uitlatingen zijn gedaan in e-mails en niet is gesteld of gebleken dat de uitlatingen (ook) op het internet zijn geplaatst. ME stelt dat zij de effecten van de onrechtmatige uitlatingen (eveneens) voelt in Nederland. In het
Shevillarrest [4] heeft het HvJEU geoordeeld dat bij de rechter van iedere plaats waar de eiser stelt in zijn goede naam te zijn aangetast de in die plaats geleden schade kan worden gevorderd. De rechter is dus enkel bevoegd om over de aldaar geleden schade te oordelen. Dat betekent dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om te oordelen over de in Nederland geleden schade. Voor daarbuiten geleden schade zal zij zich onbevoegd verklaren.
4.7.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
ME- [gedaagden] : voorlopige voorziening
4.8.
Op grond van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Toewijzing is enkel mogelijk wanneer daarbij voldoende belang bestaat.
4.9.
De rechtbank is bevoegd om te oordelen over de maatregel voor zover zij in de hoofdzaak internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die zien op de gestelde onrechtmatige uitlatingen. Dat is hiervoor vastgesteld. De e-mails van [gedaagde 2] aan Universal Music en Virgin Music waarin de (volgens ME onrechtmatige) uitlatingen zijn gedaan, zijn uit mei 2024. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde 2] en/of [gedaagde 1] daarna nog uitlatingen over ME richting derden heeft gedaan. Daarmee ontbreekt op dit moment een voldoende belang bij de gevorderde maatregel. Deze zal worden afgewezen.
4.10.
ME wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagden] in het incident. [gedaagden] vordert de volledige proceskosten. Artikel 1019h Rv heeft betrekking op de handhaving van IE-rechten. De gevraagde maatregel ziet niet daarop, maar op het doen van onrechtmatige uitlatingen. Daarom worden de kosten aan de hand van het liquidatietarief begroot op € 614,00 (1 punt × tarief onbepaalde waarde) plus de nakosten van € 178,00 als na te melden, te vermeerderen met wettelijke rente.
Vervolg procedure hoofdzaak
4.11.
De hoofdzaak wordt naar de rol verwezen voor conclusie van antwoord van [gedaagden]

5.De beslissing

De rechtbank
Bevoegdheidsincident ( [gedaagden] -ME)
5.1.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen onder C tot en met K, voor zover deze vorderingen zien op de gestelde onrechtmatige exploitatie van de naburige rechten van ME buiten het Nederlands grondgebied en de schade die ME daardoor stelt te hebben geleden,
5.2.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen onder A en B,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
Incident voorlopige voorziening (ME- [gedaagden] )
5.5.
wijst de vorderingen af,
5.6.
veroordeelt ME in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als ME niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt ME tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart de veroordelingen onder 5.6 en 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,
In de hoofdzaak
5.9.
bepaalt dat de zaak naar de rol van
21 januari 2026gaat voor conclusie van antwoord van [gedaagden] en
5.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 30 oktober 2007,
2.HvJEU 3 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:635 (
3.HvJEU 25 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:685.
4.HvJEG 7 maart 1995, ECLI:NL:EU:C:1995:61.