In deze bodemzaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is op 29 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan in een incident. De eisende partijen, aangeduid als [eisers], hebben een vordering ingediend tot het stellen van zekerheid voor proceskosten op basis van artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De gedaagde partij, aangeduid als [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.], heeft verweer gevoerd en betwist dat hij geen woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] sinds 1 april 2025 een huurcontract heeft voor een appartement in [woonplaats 7] en daar ook staat ingeschreven. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van [eisers] en [gedaagden] onvoldoende zijn onderbouwd en dat er geen reden is om aan te nemen dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] geen woonplaats in Nederland heeft. De incidentele vorderingen worden afgewezen, en [eisers] en [gedaagden] worden veroordeeld in de proceskosten, die zijn begroot op € 1.406,00. De zaak wordt verder verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord op 10 december 2025.