ECLI:NL:RBAMS:2025:9893

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11896581 \ KK EXPL 25-653
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over overgang van onderneming en loonbetalingen in arbeidsrechtelijke context

In deze zaak heeft eiser, [eiser], een kort geding aangespannen tegen [gedaagde] B.V. met betrekking tot een vordering tot wedertewerkstelling en doorbetaling van salaris. Eiser was voorheen in dienst bij [bedrijf] B.V., dat op 8 juli 2025 failliet werd verklaard. Eiser stelt dat er sprake is van een overgang van onderneming naar [gedaagde], die de activiteiten van [bedrijf] heeft voortgezet. De mondelinge behandeling vond plaats op 27 november 2025, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht. Eiser vordert onder andere betaling van achterstallig loon en onkostendeclaraties, alsook nakoming van pensioenverplichtingen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de identiteit van de onderneming is behouden en dat eiser van rechtswege in dienst is gekomen bij [gedaagde]. De kantonrechter heeft de vorderingen van eiser grotendeels toegewezen, inclusief de betaling van achterstallig loon en onkosten, en heeft [gedaagde] veroordeeld tot nakoming van de pensioenverplichtingen. De wettelijke verhoging over het salaris is gematigd tot 25%. De proceskosten zijn voor rekening van [gedaagde].

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11896581 \ KK EXPL 25-653
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.M. Geerdes,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.A. de Bruijn.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 1 oktober 2025 heeft [eiser] een voorlopige voorziening gevorderd. Op 26 november 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] zes producties ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 27 november 2025. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Geerdes. Namens [gedaagde] is mr. De Bruijn verschenen. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, [gedaagde] mede aan de hand van spreekaantekeningen. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 1 augustus 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [eiser] was bij [bedrijf] werkzaam in de functie van Sales and Marketing en zijn laatstgenoten salaris bedraagt € 4.926,21 bruto exclusief emolumenten. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiser] onder de verplichte pensioenregeling van het pensioenfonds PGB valt.
2.2.
[bedrijf] was actief in de bloemenhandel en werkte nauw samen met The Flower Board The Financial Company Ltd (hierna: Flower Board). Flower Board is gespecialiseerd in export en verzending van onder meer bloemen, waarvan de inkoop bij kwekers in Israël plaats vond. Vanaf Luik, waar de bloemen aankwamen, werden door [bedrijf] de logistiek, verkoopwerkzaamheden en werkzaamheden ten behoeve van de veiling verricht. [bedrijf] verkocht de bloemen rechtstreeks aan afnemers in Nederland en via de veiling. De financiële afwikkeling van transacties die via de veiling plaatsvonden gebeurde door Royal Flora Holland. De financiële afwikkeling van alle andere transacties vond plaats via Agri inter incasso B.V. (hierna: Ai2).
2.3.
Enige bestuurder van [bedrijf] was [naam] (hierna: [naam] ). Naast [eiser] had [bedrijf] nog twee werknemers in dienst. De een verrichtte zijn werkzaamheden in Aalsmeer en de ander in Naaldwijk.
2.4.
[eiser] is sinds 20 maart 2025 volledig arbeidsongeschikt (vanwege een arbeids-conflict). Hij ontving van [bedrijf] sindsdien 90% van zijn salaris, te weten € 4.433,59 bruto.
2.5.
Uit maandelijkse incasso overzichten van Ai2 blijkt dat de opbrengsten sinds 1 juni 2025 niet meer naar [bedrijf] worden overgemaakt, maar naar [gedaagde] . Enige bestuurder van [gedaagde] is [naam] .
2.6.
Op 8 juli 2025 is [bedrijf] op eigen verzoek failliet verklaard. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van [eiser] en de twee andere werknemers opgezegd. Na 1 mei 2025 heeft [eiser] geen loon tijdens ziekte van [bedrijf] meer ontvangen. Ook de betaling van onkostendeclaraties is gestopt.
2.7.
Tussen [bedrijf] en [eiser] is een kort geding procedure aanhangig geweest bij deze rechtbank. In die procedure heeft de kantonrechter op 14 juli 2025 vonnis gewezen. In dat vonnis is [bedrijf] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van:
- € 2.322,85 aan onkostendeclaraties over maart 2025 - mei 2025, met wettelijke rente vanaf 3 juni 2025;
- € 764,56 aan onkostendeclaratie over de maand juni 2025;
- € 4.433,59 bruto aan salaris over mei 2025 en de in mei 2025 te betalen vakantietoeslag van € 4.644,66 bruto, beide bedragen te vermeerderen met eerst de wettelijke verhoging van 25%, en vervolgens met wettelijke rente vanaf 3 juni 2025;
- € 4.433,59 bruto aan salaris over de maand juni 2025;
- € 288,09 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Verder is [bedrijf] veroordeeld in de proceskosten van € 1.557,42, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. [bedrijf] heeft aan het vonnis niet voldaan.
2.8.
[eiser] heeft een print screen van de website van Flower Board in het geding gebracht. Daarop is te zien dat op 12 augustus 2025 op de website van Flower Board bij de contactgegevens de namen van [eiser] en zijn collega’s worden vermeld.
2.9.
Bij e-mail van 12 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [naam] bericht dat sprake is van een overgang van onderneming tussen [bedrijf] en [gedaagde] en dat [eiser] als gevolg daarvan van rechtswege in dienst is gekomen van [gedaagde] . Verder heeft de gemachtigde verzocht gehoor te geven aan het vonnis van 14 juli 2025 en het salaris van [eiser] door te betalen. [naam] heeft die e-mail niet beantwoord.
2.10.
Op 2 september 2025 heeft [eiser] ingelogd op HortiSupply, het IT-systeem waar Ai2 mee werkt. [eiser] heeft een printscreen in het geding gebracht waarop een lijst met relaties van [gedaagde] te zien is en waar de naam van [eiser] wordt vermeld bij [gedaagde] .
2.11.
[eiser] heeft een uitkering wegens betalingsonmacht aangevraagd bij het UWV, voor [bedrijf] . Bij brief van 20 oktober 2025 heeft het UWV bericht dat hij over de periode 14 april 2025 tot en met 24 augustus 2025 een vergoeding ontvangt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, [gedaagde] :
I. te bevelen om hem weder tewerk te stellen zodra hij weer arbeidsgeschikt is en tot doorbetaling van het salaris inclusief emolumenten en vergoeding van onkosten vanaf 1 juli 2025,
II. te veroordelen tot betaling van € 13.300,77 bruto, zijnde het salaris van € 4.433,59 bruto over juli, augustus en september 2025,
III. te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het salaris van juni, juli, augustus en september 2025 (€ 8.867,18 bruto) en de wettelijke rente daarover,
IV. te veroordelen tot betaling van de onkostendeclaraties van juli en augustus 2025, respectievelijk € 731,74 en € 268,66 netto,
V. te veroordelen tot nakoming van de pensioenverplichtingen vanaf 1 juli 2025,
VI. te bevelen om binnen 2 dagen na het wijzen van dit vonnis aan [eiser] te betalen al hetgeen waartoe [bedrijf] bij vonnis van 14 juli 2025 is veroordeeld,
VII. te veroordelen tot betaling van € 908,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
VIII. te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[eiser] stelt daartoe dat er sprake is van een overgang van onderneming van [bedrijf] naar [gedaagde] . De activiteiten van [bedrijf] zijn na haar faillissement volledig door [gedaagde] voorgezet. De twee collega’s van [eiser] bij [bedrijf] verrichten nu exact dezelfde werkzaamheden vanaf dezelfde werklocatie (Aalsmeer en Naaldwijk) voor [gedaagde] . Uit de rapportages van Ai2 en het systeem van HortiSupply blijkt dat het klantenbestand van [bedrijf] één op één overgenomen is door [gedaagde] . Uit het systeem van HortiSupply volgt ook dat alle informatie die voorheen gekoppeld was aan [bedrijf] nu is gekoppeld aan [gedaagde] . Op de website van Flower Board is te zien dat de activiteiten van [bedrijf] door [gedaagde] zijn voortgezet met dezelfde contactpersonen. Het komt erop neer dat de medewerkers, de klanten en de financiële intermediairs (Ai2 en Flower Board) van [bedrijf] zijn overgegaan op [gedaagde] .
3.3.
Door de overgang van onderneming is [eiser] van rechtswege in dienst gekomen van [gedaagde] . Dit betekent dat [gedaagde] hem tewerk dient te stellen en zijn salaris dient te betalen, maar ook dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de vordering van [eiser] op [bedrijf] uit hoofde van het vonnis van 14 juli 2025. In dat vonnis is [bedrijf] onder meer veroordeeld tot betaling van het salaris tot en met juni 2025, zodat [eiser] uitgaat van 1 juli 2025 als datum van overgang van onderneming, aldus steeds [eiser] .
3.4.
[gedaagde] heeft als verweer gesteld dat er geen sprake is van een overgang van onderneming. Zowel [gedaagde] als [eiser] heeft overzichten van Ai2 in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat de verkopen die lopen via Ai2 slechts een klein deel van de omzet betroffen, die [bedrijf] voor Flower Board per jaar ophaalde. Naar de handel via Ai2 ging slechts een deel van de producten die niet via de veiling werden verkocht. Per jaar verliep circa € 150.000,00 omzet via Ai2, terwijl de business to business omzet in het eerste kwartaal van 2024 circa € 1 miljoen betrof. De omzet die loopt via Ai2 vertegenwoordigde nog geen 5% van de activiteiten van [bedrijf] .
3.5.
Het screenshot van HortiSupply is van 1 september 2025 en vormt geen bewijs dat per 1 juli 2025 sprake is van overgang van onderneming. Het overzicht bewijst niks.
3.6.
[eiser] heeft volgens [gedaagde] geen spoedeisend belang. [eiser] is al vanaf januari 2025 aan het solliciteren naar andere functies. Dit heeft hij onder werktijd gedaan en is een vorm van slecht werknemerschap. Het arbeidsgeschil tussen [eiser] en [bedrijf] is ontstaan toen [naam] constateerde dat de business to business omzet in de door [eiser] bediende veilingen in het eerste kwartaal van 2025 sterk was teruggelopen. Toen [naam] hem hierop aansprak heeft [eiser] zich ziekgemeld vanwege een arbeidsconflict. Verder verricht(te) [eiser] nevenwerkzaamheden voor de firma Dobbe als chauffeur. [eiser] heeft geweigerd inzage te geven in de tijdsbesteding bij Dobbe. Er is, naast de boetes uit de arbeidsovereenkomst die staan op het verrichten van nevenwerkzaamheden, sprake van aansprakelijkheid voor schade op grond van wanprestatie. De schade is groot, de omzet liep met bijna € 300.000,00 terug. In het geval wordt geoordeeld dat sprake is van overgang van onderneming, dan beroept [gedaagde] zich als overnemer van de rechten van [bedrijf] op verrekening met deze schadevergoedingsvordering.
3.7.
Er is daarnaast sprake van een restitutierisico. [eiser] heeft tot en met 24 augustus 2025 volledige compensatie ontvangen van het UWV voor zijn salaris en onkosten. Als [gedaagde] het salaris van [eiser] moet betalen, zal hij de ontvangen compensatie aan het UWV moeten terugbetalen. Mocht in hoger beroep of in de bodemprocedure anders worden beslist, dan bestaat het risico dat [eiser] het onverschuldigd betaalde loon niet kan terugbetalen aan [gedaagde] .
3.8.
De wettelijke verhoging dient als prikkel om het salaris tijdig te betalen. De curator heeft de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] en [eiser] opgezegd. [gedaagde] mocht daarom ervan uitgaan dat zij geen loon hoefde te betalen aan [eiser] . Indien [gedaagde] toch salaris aan [eiser] dient te betalen, dan dient de wettelijke verhoging te worden gematigd tot nihil.
3.9.
Het UWV heeft de pensioenpremie tot en met 24 augustus 2025 gecompenseerd. Mocht worden geoordeeld dat [eiser] van rechtswege in dienst is getreden bij [gedaagde] , dan zal zij per 24 augustus 2025 aan de pensioenverplichtingen voldoen.
3.10.
De geldvordering uit hoofde van het vonnis van 14 juli 2025 is een vordering op de boedel van [bedrijf] . Bovendien is [eiser] hiervoor door het UWV gecompenseerd. Er is geen enkele grond voor [gedaagde] om deze vordering te voldoen.
3.11.
De vordering tot wedertewerkstelling is innerlijk tegenstrijdig. [eiser] stelt op dit moment arbeidsongeschikt te zijn en heeft niet de intentie om daadwerkelijk aan het werk te gaan. Hij wil enkel aanspraak maken op salaris, aldus steeds [gedaagde] .
3.12.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
[eiser] vordert onder meer tewerkstelling en betaling van loon. Een loonvordering is naar zijn aard spoedeisend.
4.3.
Het gaat in deze procedure om de vraag of de bodemrechter het aannemelijk zal achten dat tussen [bedrijf] en [gedaagde] sprake is van een overgang van onderneming. Als dat het geval is, is [eiser] van rechtswege bij [gedaagde] in dienst getreden.
4.4.
Op grond van artikel 7:662 Burgerlijk Wetboek (BW) – dat uitvoering geeft aan de EG-richtlijnen 77/187, 98/50 en 2001/23 inzake het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen ervan – is sprake van een overgang van onderneming bij de overgang, ten gevolge van overeenkomst, fusie of splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt.
4.5.
Het begrip ‘overdracht ten gevolge van overeenkomst’ moet ruim worden uitgelegd. Een rechtstreekse contractuele betrekking tussen de vervreemder en verkrijger is niet vereist. Een overdracht ten gevolge van overeenkomst kan bestaan in een schriftelijke of mondelinge overeenkomst tussen de vervreemder en de verkrijger over een wijziging van de voor de exploitatie van de economische eenheid verantwoordelijke persoon, alsmede in een stilzwijgende overeenkomst tussen hen die blijkt uit praktische samenwerking op bepaalde punten, waarin de wens van de vervreemder en de verkrijger om tot een dergelijke wijziging over te gaan, tot uiting komt. Het ontbreken van een contractuele band tussen een vervreemder en een verkrijger of tussen twee ondernemers aan wie achtereenvolgens werkzaamheden zijn overgedragen, is bovendien niet van doorslaggevend belang bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overgang van een onderneming.
4.6.
Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt namelijk dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang, beslissend is of de identiteit van de onderneming (economische eenheid) behouden blijft. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU verwijst het begrip ‘eenheid’ naar een georganiseerd geheel van personen en elementen, waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend en blijkt het behoud van identiteit daarnaast met name uit het daadwerkelijk voortzetten of hervatten van dezelfde of soortgelijke activiteiten door de nieuwe ondernemer. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, de vraag of materiële activa worden overgedragen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van overdracht, de vraag of vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer wordt overgenomen, of de klantenkring al dan niet wordt overgedragen, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van de activiteiten. Of de identiteit van de betrokken eenheid na de overgang bewaard is gebleven, kan met name blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen.
4.7.
Geoordeeld wordt dat voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van overgang van onderneming. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.8.
Of sprake is van een (stilzwijgende) overeenkomst tussen [bedrijf] en [gedaagde] kan in het midden blijven. Zoals gezegd is dat niet van doorslaggevend belang.
4.9.
Uit het uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat [gedaagde] zich onder meer bezighoudt met de im- en export van bloemen. Dat leidt tot het voorlopig oordeel dat de aard van de onderneming in beginsel identiek is.
4.10.
Niet gebleken is dat materiële vaste of vlottende activa is overgedragen, maar deze omstandigheid legt weinig gewicht in de schaal. In het faillissementsverslag staat namelijk dat [bedrijf] vrijwel geen bedrijfsmiddelen in eigendom had. Op de balans staat alleen een computer met een restwaarde van vrijwel nihil. Verder volgt uit het faillissementsverslag dat [bedrijf] geen voorraden hield.
4.11.
Dat [bedrijf] enige immateriële waarde had ten tijde van de overdracht is niet gebleken.
4.12.
[naam] was ten tijde van het faillissement bestuurder van zowel [bedrijf] als [gedaagde] . Ter zitting is door de gemachtigde van [gedaagde] erkend dat de twee collega’s van [eiser] bij [bedrijf] nu voor [gedaagde] werken. Niet weersproken is dat zij exact dezelfde werkzaamheden op de dezelfde locatie verrichten. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat het klantenbestand van [bedrijf] is overgenomen door [gedaagde] en dat uit het systeem van HortiSupply volgt dat alle informatie die voorheen gekoppeld was aan [bedrijf] nu is gekoppeld aan [gedaagde] . Zoals gezegd houdt [gedaagde] zich ook bezig met de import en export van bloemen zodat er een grote mate van overeenkomst is tussen de activiteiten. De activiteiten die door [bedrijf] werden verricht, zijn voortgezet door [gedaagde] .
4.13.
Niet betwist is de stelling van [eiser] dat nadat de curator de arbeidsover-eenkomsten van zijn twee collega’s bij [bedrijf] had opgezegd, zij hun werkzaamheden gewoon (voor [gedaagde] ) hebben voortgezet. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat er geen, dan wel slechts een zeer korte onderbreking van de activiteiten is geweest. Dat niet exact bekend is wanneer de overgang van onderneming heeft plaatsgevonden, is niet relevant.
4.14.
Gelet op bovenstaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat sprake is van identiteitsbehoud omdat de exploitatie van de onderneming van [bedrijf] feitelijk is voortgezet door [gedaagde] en dus dat sprake is van een overgang van onderneming. Gelet op de vorderingen van [eiser] zal de kantonrechter 1 juli 2025 nemen als datum van overgang.
4.15.
Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] op 1 juli 2025 van rechtswege in dienst is gekomen bij [gedaagde] en dat op haar een loon(door)betalingsverplichting rust. Om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien is [eiser] afhankelijk van het loon. Dit maakt ook dat van een zeker restitutierisico sprake is. Het legt echter onvoldoende gewicht in de schaal om de vordering van [eiser] af te wijzen. Dat [eiser] vanwege het faillissement van [bedrijf] een uitkering heeft (of zal) ontvangen van het UWV staat aan toewijzing van de loonvordering evenmin in de weg. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiser] hetgeen hij van het UWV heeft ontvangen zal moeten terugbetalen nadat [gedaagde] het achterstallig loon aan hem heeft betaald. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] behoeft geen beoordeling, omdat [gedaagde] hiervoor onvoldoende heeft gesteld.
4.16.
Het feit dat [eiser] in het verleden heeft gesolliciteerd bij andere werkgevers en thans nog arbeidsongeschikt is, staat aan toewijzing van zijn vordering tot weder tewerkstelling niet in de weg. Het is aan [gedaagde] om een bedrijfsarts in te schakelen, die zal moeten beoordelen in hoeverre [eiser] in staat is werkzaamheden te verrichten.
4.17.
Bovenstaande betekent dat het onder 3.1 onder I en II gevorderde, waarbij het onder II gevorderde als een specificering van het onder I gevorderde wordt beschouwd, zal worden toegewezen.
4.18.
De gevorderde wettelijke verhoging over het salaris van juni, juli, augustus en september 2025 zal worden gematigd tot 25%, derhalve een bedrag van in totaal € 4.433,59. De gevorderde wettelijke verhoging dient als prikkel voor de werkgever om tijdig tot betaling van het salaris over te gaan. De kantonrechter ziet, gelet op de tussen partijen bestaande discussie over de gebondenheid aan de arbeidsovereenkomst, aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar vanaf de datum van verzuim. Nu geen verzuimdatum is genoemd zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarden op 1 oktober 2025.
4.19.
De verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde onkostendeclaraties over juli en augustus 2025 zijn door [gedaagde] niet betwist, zodat dit als onbetwist zal worden toegewezen.
4.20.
De door [eiser] gevorderde nakoming van de pensioenverplichtingen vanaf 1 juli 2025 is eveneens toewijsbaar. Dat het UWV de pensioenpremie tot en met 24 augustus 2025 heeft voldaan, doet hier niet aan af. Zoals gezegd zal [eiser] , althans in dit geval het pensioenfonds, de door het UWV betaalde premie moeten terugbetalen nadat de premie door [gedaagde] is voldaan.
4.21.
Artikel 7:663 BW bepaalt dat door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming
voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsttussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger. Gelet hierop is de vordering van [eiser] om [gedaagde] te bevelen aan hem te betalen al hetgeen waartoe [bedrijf] bij vonnis van 14 juli 2025 is veroordeeld niet volledig toewijsbaar. De in dat vonnis toegewezen buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten vloeien niet voort uit de arbeidsovereenkomst, maar uit het vonnis. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. [gedaagde] kan deze bedragen desgewenst inbrengen in het faillissement van [bedrijf] .
4.22.
[eiser] heeft voldoende gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Geoordeeld wordt dat deze werkzaamheden de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Het gevorderde bedrag van € 908,00 zal daarom worden toegewezen.
4.23.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,22
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.760,72

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
beveelt [gedaagde] [eiser] weder tewerk te stellen zodra hij weer arbeidsgeschikt is en tot doorbetaling van het salaris (tijdens ziekte 90%) inclusief emolumenten en vergoeding van onkosten vanaf 1 juli 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 13.300,77 bruto aan achterstallig loon, zijnde de salarisbetalingen over juli, augustus en september 2025, dit bedrag vermeerderd met een wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van dagvaarding (1 oktober 2025) tot en met de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.000,40 aan onkostendeclaraties over juli en augustus 2025,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de pensioenverplichtingen van [eiser] vanaf 1 juli 2025,
5.5.
beveelt [gedaagde] om binnen twee dagen na heden aan [eiser] de volgende veroordelingen uit het vonnis van 14 juli 2025 te betalen:
- € 2.322,85 netto aan declaraties over de maanden maart 2025 tot en met mei 2025, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot aan de voldoening;
- € 764,56 aan declaraties over de maand juni 2025;
- € 4.433,59 bruto aan salaris over de maand mei 2025 en de in mei 2025 te betalen vakantietoeslag van € 4.644,66 bruto, beide bedragen te vermeerderen met eerst de wettelijke verhoging van 25%, en vervolgens met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025 tot aan de voldoening;
- € 4.433,59 bruto aan salaris over de maand juni 2025,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 908,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.760,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
57170.MVU