ECLI:NL:RBAMS:2025:9947
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vordering tot opdracht makelaar voor verkoop gezamenlijke woning na echtscheiding toegewezen
De man en vrouw zijn sinds 2004 getrouwd geweest en hebben drie kinderen, waarvan één minderjarig. Na hun echtscheiding in maart 2025 is in een convenant afgesproken dat de man de gezamenlijke woning overneemt voor € 2.150.000,- met betaling van een deel van de overwaarde aan de vrouw. De man kreeg uitstel tot 1 oktober 2025 voor herfinanciering en overname, met de verplichting om de woning te koop te zetten als dit niet lukt.
De vrouw vordert in kort geding dat de man binnen 7 dagen een makelaar opdracht geeft tot verkoop van de woning en binnen drie maanden tot levering overgaat, onder dwangsom. Zij stelt dat de man de afspraken niet nakomt, zij nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheek en daardoor geen nieuwe financiering kan krijgen, terwijl zij noodgedwongen in een dure huurwoning woont.
De man voert verweer dat hij de woning wil overnemen maar door werkloosheid geen stabiel inkomen heeft. Hij betaalt maandelijks een compensatie aan de vrouw en betwist het spoedeisend belang van haar vordering. De rechtbank oordeelt dat de vrouw wel degelijk spoedeisend belang heeft vanwege haar financiële situatie en het langdurig vasthouden aan de onverdeelde gemeenschap.
De rechtbank wijst de vordering toe en veroordeelt de man binnen 7 dagen een makelaar opdracht te geven tot verkoop, met een dwangsom van € 500 per dag bij niet-nakoming, tot maximaal € 50.000. De levering moet binnen drie maanden na verkoop plaatsvinden, zonder dwangsom voor die termijn. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. De rechtbank spreekt de hoop uit dat partijen alsnog tot een oplossing komen waarbij de man en kinderen in de woning kunnen blijven.
Uitkomst: Man wordt veroordeeld binnen 7 dagen een makelaar opdracht te geven tot verkoop van de gezamenlijke woning onder dwangsom.