Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [vestigingsplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
- € 4.000,- bij de eerste overtreding;
- € 6.500,- bij de tweede overtreding en
- € 9.000,- bij de derde overtreding.
Beoordeling door de rechtbank
Cliënte voert conform het handelsregister (bijlage 1) een onderneming in dienstverlening voor uitvoerende kunst: het promoten en organiseren van evenementen en festivals onder diverse namen en in samenwerking met artiesten’. Ook de naam zelf duidt op een bedrijf met als doeleinde het maken van reclame (promoten). De overtreding was in zoverre dan ook dienstig aan eiser, omdat met de aanplakbiljetten potentiële bezoekers van een festival worden geworven en die aanplakbiljetten aldus een positieve invloed kunnen hebben op de bezoekersaantallen van een festival. Eiser had de overtreding, tot op zekere hoogte, kunnen voorkomen door bij het ter beschikking stellen van de aanplakbiljetten voorwaarden te stellen of voorlichting te geven over de regels die gelden binnen de gemeente Amsterdam voor het plakken van aanplakbiljetten op openbare plaatsen. In zoverre kon eiser erover beschikken of de overtreding kon plaatsvinden. Met het ongeclausuleerd beschikbaar stellen van de aanplakbiljetten, wetende dat deze zonder de benodigde toestemming in de openbare ruimte kunnen worden opgehangen, heeft eiser als ondernemer dus onvoldoende zijn verantwoordelijkheid genomen om te zorgen dat de aanplakbiljetten op de toegestane wijze worden verspreid om zo de overtreding te voorkomen. Deze verantwoordelijkheid mag van eiser als ondernemer worden verwacht. De stelling dat eiser geen opdracht heeft gegeven om de aanplakbiljetten illegaal te verspreiden, doet hier niet aan af. Door iedere verantwoordelijkheid voor het gebruik van openbare plaatsen in Amsterdam uit de weg te gaan, aanvaardt eiser willens en wetens het risico dat (opnieuw) overtredingen kunnen worden begaan. Daar komt bij dat de toezichthouder telkens heeft vastgesteld dat eenzelfde persoon posters aanbracht en dat hij tijdens al deze handelingen onderweg was met een voertuig dat op naam van eiser staat. Eiser is door verweerder terecht als overtreder van het verbod in artikel 4.7, eerste lid, van de APV aangemerkt. Verweerder was dus bevoegd eiser een last onder dwangsom op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.C. Simonis, griffier.