ECLI:NL:RBAMS:2025:9970

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
AMS 25/88
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 172 GemeentewetArt. 5:1 AwbArt. 5:32 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom wegens overtreding wildplakverbod in Amsterdam bevestigd

De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van eiser tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wegens het aanbrengen van aanplakbiljetten zonder vergunning op diverse locaties in Amsterdam.

Tijdens controles in juli 2023, december 2023 en mei 2024 werd vastgesteld dat aanplakbiljetten zonder vergunning werden aangebracht door of namens eiser, waarbij voertuigen op naam van eiser werden gebruikt en dezelfde persoon de posters aanbracht. Eiser voerde aan dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt en dat het college niet bevoegd was de last op te leggen.

De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32 van Pro de Awb een last onder dwangsom op te leggen, ondanks een motiveringsgebrek dat werd hersteld met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. Tevens werd geoordeeld dat eiser als rechtspersoon functioneel dader was omdat het aanplakken van posters binnen zijn normale bedrijfsvoering viel en hij onvoldoende zorg had betracht om overtredingen te voorkomen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser vanwege het motiveringsgebrek. De last onder dwangsom blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en het college is bevoegd de last op te leggen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/88

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [vestigingsplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Westers),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. K. van der Veen en mr. R.J.M. Peeters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom wegens het overtreden van het verbod om aanplakbiljetten aan te (laten) brengen in de openbare ruimte. Eiser is het niet eens met de last onder dwangsom. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Tijdens diverse controles is door toezichthouders geconstateerd dat op verschillende plekken in Amsterdam door of namens eiser aanplakbiljetten werden aangebracht zonder vergunning. Het ging onder andere om de volgende data en overtredingen:
2.1.
Op 25 juli 2023 betrof het schuttingen op de [adres 1] ter hoogte van perceel [nummer 1] en op de garagedeur van perceel [nummer 2] te [adres 2]. Daar werd een bedrijfsauto waargenomen, te weten een witte [automerk], kenteken [kenteken 1], die op het trottoir stond. Ook werd een man aangetroffen die met lijm posters stond te plakken. De man was genaamd [naam]. Teneinde de overtreding te doen stoppen, hebben de toezichthouders spoedeisende bestuursdwang toegepast en de aanplakbiljetten, het plakmiddel en het plakgereedschap meegevoerd en opgeslagen. Uit de databank van de RDW [1] bleek dat de bedrijfsauto op naam staat van eiser.
2.2.
Op 1 december 2023 zag de toezichthouder op de openbare weg [adres 3] ter hoogte van perceelnummer [nummer 3] een bedrijfsbusje dat geparkeerd stond op het fietspad. Het busje was voorzien van het kenteken [kenteken 2] en stond op naam van het bedrijf [eiser]. De toezichthouder zag dat een man op een paal posters aan het plakken was. Hij herkende de man als een voor hem ambtshalve bekende, die vaker reclame plakt en kladt zonder vergunning: [naam]. Uit de RDW bleek dat het busje op naam van eiser staat.
2.3.
Op 14 mei 2024 betrof het de locatie [adres 4] [nummer 4] te Amsterdam. De toezichthouder zag dat een man reclame aanbracht op een lantaarnpaal. De toezichthouder vroeg of de man in het bezit was van een vergunning om hier te plakken. Daarop antwoordde de man ontkennend. De toezichthouder herkende de man als een voor hem ambtshalve bekende, die vaker reclame plakt en kladt zonder vergunning: [naam]. Toezichthouder zag in het systeem CITYCONTROL dat de betrokkene 33 registraties op zijn naam had met betrekking tot plakken en kladden.
3. De last onder dwangsom noemt een aantal overtredingen. Er zouden in totaal zes overtredingen van het wildplakverbod zijn. De last onder dwangsom houdt in dat eiser met onmiddellijke ingang na dagtekening van het primaire besluit van 6 juni 2024 het aanbrengen of laten aanbrengen van aanplakbiljetten op plaatsen waar dat niet is toegestaan dient te staken en gestaakt te houden. Indien eiser niet voldoet aan de last, verbeurt zij een dwangsom van:
  • € 4.000,- bij de eerste overtreding;
  • € 6.500,- bij de tweede overtreding en
  • € 9.000,- bij de derde overtreding.
Het totaalbedrag van de dwangsommen kan oplopen tot € 19.500,-.
3.1.
Met het bestreden besluit van 25 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
3.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Is verweerder bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen?
4. Eiser meent dat het besluit onbevoegd is genomen. De verwijzing in de beslissing op bezwaar naar artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet is onterecht. Artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet ziet juist op de bevoegdheid van de burgemeester in het kader van de openbare orde. Deze bepaling geeft verweerder geen bevoegdheid tot handhaving in een geval als dit.
4.1.
Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de last onder dwangsom niet dient tot handhaving van regels welke de burgemeester uitvoert. Per abuis is in het advies over de bevoegdheid van verweerder verwezen naar artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet. Verweerder is bevoegd op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet een last onder dwangsom op te leggen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat omdat verweerder voor de motivering van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen naar het verkeerde wetsartikel heeft verwezen. In het verweerschrift heeft verweerder naar het juiste wetsartikel verwezen te weten artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet, dat verweerder de bevoegdheid geeft om bij overtreding van een wettelijk voorschrift bestuursdwang toe te passen. Uit artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat als verweerder bevoegd is bestuursdwang toe te passen, hij in plaats daarvan ook bevoegd is een last onder dwangsom op te leggen.
4.3.
Dit betekent dat verweerder het motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank kan daarom aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het is aannemelijk dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Daarom passeert de rechtbank het gebrek. Wel zal verweerder worden veroordeeld in de proceskosten in beroep en zal verweerder het griffierecht aan eiser moeten vergoeden.
Kan eiser aangemerkt worden als overtreder?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte als overtreder wordt aangemerkt. Hij voert een onderneming in dienstverlening voor uitvoerende kunst: het promoten en organiseren van evenementen en festivals onder diverse namen en in samenwerking met artiesten. Er zijn ook geen posters aangeplakt namens eiser. Hij kan dan ook niet als functioneel dader van het aanbrengen van posters worden aangemerkt.
6. Op grond van artikel 4.7, eerste lid, van de APV is het verboden om op de weg of op een zaak een aanplakbiljet aan te brengen of aan te laten brengen.
7. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van meerdere overtredingen op Amsterdams grondgebied van hetzelfde voorschrift, namelijk artikel 4.7 van de APV, in juli 2023, november 2023, december 2023 en mei 2024.
8. Een overtreder is volgens artikel 5:1, eerste lid, van de Awb degene die de overtreding pleegt of medepleegt. In de regel mag worden aangenomen dat de persoon tot wie de overtreding kan worden herleid, ook de overtreder is. Volgens vaste rechtspraak is een overtreder niet alleen degene die een wettelijk voorschrift daadwerkelijk schendt door de verboden handeling fysiek te verrichten. Ook kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling kan worden toegerekend, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en als overtreder worden aangemerkt.
9. Uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 31 mei 2023 blijkt dat voor de toerekening in het bestuursrecht moet worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. [3] Dit geldt ook voor rechtspersonen. Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;
e rechtspersoon kon beschikken over het plaatsvinden van de overtreding of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
10. De rechtbank is van oordeel dat het promoten van evenementen en festivals (door middel van het laten aanbrengen van aanplakbiljetten) valt onder de normale bedrijfsvoering van eiser omdat hij zelf in het beroepschrift heeft vermeld ‘
Cliënte voert conform het handelsregister (bijlage 1) een onderneming in dienstverlening voor uitvoerende kunst: het promoten en organiseren van evenementen en festivals onder diverse namen en in samenwerking met artiesten’. Ook de naam zelf duidt op een bedrijf met als doeleinde het maken van reclame (promoten). De overtreding was in zoverre dan ook dienstig aan eiser, omdat met de aanplakbiljetten potentiële bezoekers van een festival worden geworven en die aanplakbiljetten aldus een positieve invloed kunnen hebben op de bezoekersaantallen van een festival. Eiser had de overtreding, tot op zekere hoogte, kunnen voorkomen door bij het ter beschikking stellen van de aanplakbiljetten voorwaarden te stellen of voorlichting te geven over de regels die gelden binnen de gemeente Amsterdam voor het plakken van aanplakbiljetten op openbare plaatsen. In zoverre kon eiser erover beschikken of de overtreding kon plaatsvinden. Met het ongeclausuleerd beschikbaar stellen van de aanplakbiljetten, wetende dat deze zonder de benodigde toestemming in de openbare ruimte kunnen worden opgehangen, heeft eiser als ondernemer dus onvoldoende zijn verantwoordelijkheid genomen om te zorgen dat de aanplakbiljetten op de toegestane wijze worden verspreid om zo de overtreding te voorkomen. Deze verantwoordelijkheid mag van eiser als ondernemer worden verwacht. De stelling dat eiser geen opdracht heeft gegeven om de aanplakbiljetten illegaal te verspreiden, doet hier niet aan af. Door iedere verantwoordelijkheid voor het gebruik van openbare plaatsen in Amsterdam uit de weg te gaan, aanvaardt eiser willens en wetens het risico dat (opnieuw) overtredingen kunnen worden begaan. Daar komt bij dat de toezichthouder telkens heeft vastgesteld dat eenzelfde persoon posters aanbracht en dat hij tijdens al deze handelingen onderweg was met een voertuig dat op naam van eiser staat. Eiser is door verweerder terecht als overtreder van het verbod in artikel 4.7, eerste lid, van de APV aangemerkt. Verweerder was dus bevoegd eiser een last onder dwangsom op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Gemeentewet

Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
(…)
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:1

In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:32

Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling.

Artikel 5:32a

De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Algemene Plaatselijke Verordening

Artikel 4.7 Plakken en kladden

1. Het is verboden op de weg of op een zaak:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding op welke wijze dan ook aan te brengen of aan te laten brengen of
met kalk, krijt, teer, een kleur- of verfstof of op andere wijze een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of aan te laten brengen.
2. Het verbod geldt niet als:
gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift;
gehandeld wordt door of met schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of de zaak mits die toestemming vooraf is verleend en op eerste vordering kan worden getoond aan een toezichthouder of een opsporingsambtenaar of
het aanbrengen of laten aanbrengen geschiedt op een plaats die vanaf de weg niet zichtbaar is.

Voetnoten

1.Rijksdienst voor het Wegverkeer.
2.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067.