ECLI:NL:RBAMS:2025:9974

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
25/521
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.M. Klinkhamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid en evenredigheid wegslepen auto bij parkeerverbod

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om zijn auto weg te slepen omdat deze geparkeerd stond in strijd met een parkeerverbod. Eiser voerde aan dat het college het besluit niet zorgvuldig had genomen, onvoldoende had gemotiveerd en dat het wegslepen onevenredig was, mede omdat de auto met open deur en sleutel aanwezig was en daardoor verplaatst had kunnen worden.

De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was om de auto weg te slepen, omdat het parkeerverbod duidelijk was aangegeven met een E1-verkeersbord en het later aangebrachte gele kruis op het wegdek niets afdoet aan de duidelijkheid op het moment van wegslepen. De rechtbank vond dat het college terecht afging op het proces-verbaal van de handhavend ambtenaar, waarin stond dat de portierdeur met een hengel was geopend en geen sleutel in de auto aanwezig was.

Verder was het wegslepen noodzakelijk en proportioneel omdat de auto een doorgang voor voetgangers blokkeerde. Het college hoefde de auto niet te verplaatsen naar een fiscaal parkeervak. De rechtbank vond geen strijdigheid met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel, omdat het college voldoende had toegelicht waarom het wegslepen noodzakelijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot wegslepen van de auto is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de auto van eiser weg te slepen. Eiser voert aan dat het college niet heeft onderkend dat dit besluit onevenredig en in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is. De rechtbank beoordeelt het besluit aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de auto heeft mogen wegslepen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het besluit van 13 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het college de auto van eiser laten wegslepen, overbrengen en in bewaring laten stellen, omdat de auto stond geparkeerd in strijd met een parkeerverbod.
2.1.
Eiser heeft op 25 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.2.
Met het bestreden besluit van 9 december 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Op 4 augustus 2025 heeft het college op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Op 3 september 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.
2.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht het college de auto van eiser wegslepen?
3. Eiser betoogt dat het college zijn auto niet had mogen wegslepen. Eiser heeft in beroep een foto overgelegd waaruit blijkt dat het college inmiddels een geel kruis op het wegdek heeft aangebracht op de plek waar de auto van eiser is weggesleept. Volgens eiser was het in zijn geval, wegens het (toen nog) ontbreken van dat kruis op het wegdek, onvoldoende duidelijk dat hij daar niet mocht parkeren.
3.1.
Daarnaast wijst eiser op de foto’s bij het bestreden besluit en voert aan dat de deur van de auto open was en ook de sleutel in de auto aanwezig was. Volgens eiser had de auto daarom verplaatst kunnen worden in plaats van weggesleept en had de overtreding dus op minder ingrijpende wijze beëindigd kunnen worden. Bovendien was het volgens eiser niet noodzakelijk om de auto weg te slepen, omdat de auto geen hinder veroorzaakte. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij hiermee een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel.
3.2.
Ten slotte voert eiser aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Uit het dossier blijkt volgens eiser namelijk onvoldoende waarom het, ondanks de open portier, toch noodzakelijk was de auto weg te slepen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de foto’s bij het bestreden besluit voldoende duidelijk dat eiser stond geparkeerd in strijd met een zichtbaar E1-verkeersbord. Dat het college nadien nog een geel kruis op het wegdek heeft aangebracht om het parkeerverbod te verduidelijken, doet niet af aan die feitelijke vaststelling. Het college was daarom bevoegd om met een last onder bestuursdwang op te treden en moet in de regel ook van die bevoegdheid gebruik maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het college worden verwacht om niet op te treden. Een bijzondere omstandigheid kan zich voordoen als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
4.1.
Het college mag volgens vaste jurisprudentie, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller weergeven. Het college heeft naar de sleepbon verwezen waarin door de handhavend ambtenaar is opgenomen dat hij of zij de linker portierdeur met een hengel heeft geopend en er geen sleutel in de auto aanwezig was. De rechtbank ziet in wat door eiser is aangevoerd geen reden om aan de informatie, die blijkt uit de sleepbon, te twijfelen. Dat op de foto’s in het dossier de auto met een open portier te zien is, is niet in strijd met de informatie uit de sleepbon omdat, zoals het college heeft toegelicht, deze foto’s gemaakt zijn nadat de deur van de auto met een hengel is opengemaakt. Het college heeft ook toegelicht dat de deur moest worden geopend om de handrem van de auto te halen en de wielen recht te zetten en dat auto’s nooit worden verplaatst naar een fiscaal parkeervak in plaats van weggesleept. Alleen in het bijzondere geval van invalide-auto’s kan het zijn dat het college de invalide-auto verplaatst. Dat acht de rechtbank niet onredelijk en van die bijzondere omstandigheid is in het geval van eiser geen sprake. Ook heeft eiser met zijn stelling dat hij geen hinder veroorzaakte niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een bijzondere omstandigheid waardoor het college van het wegslepen had moeten afzien. Overigens is in de sleepbon opgenomen dat de auto voor een doorgang voor voetgangers stond geparkeerd en doorgang niet mogelijk was. Dat volgt ook uit de foto’s bij de sleepbon en de foto’s bij het primaire besluit. Gelet op het voorstaande volgt de rechtbank het standpunt van het college in het bestreden besluit dat het wegslepen in dit geval noodzakelijk was en in verhouding stond tot het te dienen doel om de overtreding te beëindigen. Dit betekent dat er geen strijdigheid is met het evenredigheidbeginsel.
4.2.
Evenmin is gebleken van strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. In het bestreden besluit heeft het college helder gemotiveerd dat uit de sleepbon, die zich in het dossier bevindt, blijkt dat de handhavers de linker portierdeur van de auto hebben geopend om de auto (zonder schade) weg te kunnen slepen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het ontbreken van een aanvullend proces-verbaal tot een motiveringsgebrek leidt, omdat de relevante informatie voldoende uit de sleepbon blijkt.
4.3.
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
De griffier is verhinderd te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.