Verzoekers hebben een aanvraag ingediend voor een laissez-passer voor hun zoon, geboren uit een draagmoeder in Ghana. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat de zoon niet de Nederlandse nationaliteit bezit en de geboorteakte niet voldoet aan de Nederlandse wettelijke eisen.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd vanwege het spoedeisend belang dat hun zoon tijdig in Nederland kan zijn voor noodzakelijke Rijksvaccinaties. De voorzieningenrechter stelt vast dat het spoedeisend belang niet wordt betwist.
De voorzieningenrechter voert een belangenafweging uit waarbij het belang van verzoekers om hun zoon mee te nemen naar Nederland wordt afgewogen tegen het belang van verweerder om de zorgvuldigheid van de draagmoederconstructie te waarborgen. Gelet op het DNA-onderzoek en de verklaringen van de draagmoeder acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat verzoekers de juridische ouders zijn en dat de zoon na de civiele procedure de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen.
Daarom beveelt de voorzieningenrechter verweerder om uiterlijk 15 december 2025 een laissez-passer en Schengenvisum te verstrekken. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.