ECLI:NL:RBAMS:2026:1009

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11733351 \ CV EXPL 25-7950
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:261b BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling waarborgsom na huurbeëindiging wegens onrechtmatige toegangssluiting

Huurster huurde een onzelfstandige woonruimte vanaf 26 augustus 2023 en betaalde een waarborgsom van € 1.050,00. Zij zegde de huur op 24 september 2023 per 1 oktober 2023 op. Verhuurster verrekende de waarborgsom met vermeende schade aan een pan en openstaande huur over oktober.

De kantonrechter oordeelde dat verhuurster onvoldoende bewijs leverde dat de pan aanwezig was en dat huurster schade had veroorzaakt. Bovendien maakte verhuurster de toegang tot het gehuurde op 26 september 2023 onmogelijk door de sloten te vervangen, waardoor huurster niet aan de opzegtermijn kon voldoen.

Hierdoor was huurster geen huur over oktober verschuldigd en moest verhuurster de volledige waarborgsom terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Verhuurster werd veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Verhuurster wordt veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom met rente, betaling van incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11733351 \ CV EXPL 25-7950
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: huurster,
gemachtigde: mr. D. Karpuz,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: verhuurster,
gemachtigde: mr. L. Akkanat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 12 augustus 2025,
- de conclusie van repliek met producties,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Huurster huurde vanaf 26 augustus 2023 voor onbepaalde tijd van verhuurster de onzelfstandige woonruimte, te weten de “achterzijde kamer”, aan de [adres] te [woonplaats 2] , tegen betaling van € 750,00 per maand. Bij aanvang van de huur heeft huurster een waarborgsom van € 1.050,00 betaald.
2.2.
In artikel 20 van Pro de huurovereenkomst is bepaald dat de opzegtermijn van huurster een maand is en dat de opzegging gedaan moet worden tegen de eerste of de zestiende van de maand.
2.3.
Huurster heeft op 24 september 2023 via WhatsApp de huur per 1 oktober 2023 opgezegd.

3.Het geschil

3.1.
Huurster vordert – samengevat – de terugbetaling van de waarborgsom ter hoogte van € 1.050,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Huurster legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de huur op 24 september 2023 per 1 oktober 2023 heeft opgezegd. Zij heeft het gehuurde correct opgeleverd zodat zij recht heeft op terugbetaling van de waarborgsom. Omdat verhuurster met terugbetaling daarvan in verzuim is, maakt huurster aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten en rente.
3.3.
Verhuurster voert verweer en voert aan dat zij de waarborgsom heeft verrekend. Huurster heeft schade toegebracht aan de inboedel, te weten aan een pan van het merk SimTronic ter waarde van € 309,00. Ter onderbouwing van haar stelling beroept verhuurster zich op een tweetal schriftelijke verklaringen (volgens verhuurster van een huisgenoot van huurster en een tolk die op 2 oktober 2023 bij de oplevering van het gehuurde door huurster aan verhuurster aanwezig was) en een aankoop bon met datum 30 april 2022. Daarnaast is huurster volgens verhuurster over de maand oktober nog huur verschuldigd. Huurster heeft de overeenkomst op 24 september 2023 opgezegd en met inachtneming van een maand opzegtermijn is deze per 1 november 2023 geëindigd. Na verrekening is verhuurster niets meer aan huurster verschuldigd. Verhuurster voert tot slot verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst gesloten is tussen twee consumenten, zodat niet ambtshalve moet worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
Niet in geschil is dat huurster een waarborgsom van € 1.050,00 heeft betaald. Op grond van artikel 7:261b BW restitueert de verhuurder de waarborgsom binnen veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst, tenzij er sprake is van schade of de huurder de huur onbetaald heeft gelaten. In dat geval kan de verhuurder overgaan tot verrekening.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verhuurster onvoldoende onderbouwd dat de door haar genoemde pan in het gehuurde aanwezig was. De door verhuurster overgelegde aankoopbon toont dat niet aan. Evenmin is voldoende onderbouwd dat huurster aan een dergelijke pan schade heeft veroorzaakt. Huurster heeft dat betwist en heeft onweersproken aangevoerd dat zij niet heeft samengewoond met degene van wie de verklaring over de beschadiging van de pan afkomstig is, zodat deze persoon gedurende de huurperiode nergens getuige van heeft kunnen zijn. Bovendien blijkt uit die verklaring niet meer dan dat huurster een pan zou hebben beschadigd, niet dat het gaat om de pan van het merk SimTronic met de aanzienlijke nieuwwaarde van € 309,00.
4.4.
Met verhuurster is de kantonrechter het eens dat een opzegtermijn van een maand is overeengekomen. Met de opzegging van 24 september 2023 eindigde de huurovereenkomst aldus in beginsel per 1 november 2023. Verhuurster heeft evenwel - gelet op het door huurster in het geding gebrachte WhatsApp-verkeer - onvoldoende betwist dat zij de sloten van de woning waarvan het gehuurde deel uitmaakt op 26 september 2023 heeft vervangen, waardoor huurster de toegang tot het gehuurde per die datum feitelijk onmogelijk is gemaakt. Gelet daarop kan huurster redelijkerwijs niet aan de opzegtermijn worden gehouden. Dat huurster (voordat zij door verhuurster was gewezen op de opzegtermijn) voornemens was om de sleutels van het gehuurde eerder in te leveren, doet aan het voorgaande niet af. Dat betekent dat huurster over de maand oktober geen huur verschuldigd is en dat verhuurster ten onrechte € 750,00 met de waarborgsom heeft verrekend.
4.5.
Verhuurster dient aldus de waarborgsom van € 1.050,00 aan huurster terug te betalen en wordt daartoe dan ook veroordeeld. Verhuurster heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente met ingang van 26 december 2024 wordt daarom toegewezen.
4.6.
Huurster vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Huurster heeft op 11 april 2025 aan verhuurster een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Gelet op de toewijsbare hoofdsom wordt een bedrag van € 157,50 toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing bepaald.
4.7.
Omdat verhuurster in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Omdat huurster heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal verhuurster niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van huurster worden begroot op:
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 270,00 (2 punten × € 135,00)
- nakosten
€ 67,50(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 427,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt verhuurster om aan huurster te betalen een bedrag van € 1.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 26 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt verhuurster om aan huurster te betalen een bedrag van € 157,50 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt verhuurster in de proceskosten van € 427,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als verhuurster niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt verhuurster tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
58984