ECLI:NL:RBAMS:2026:1014

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
772821
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.33 lid 1 WHWArt. 1.4 lid 5 Inschrijvingsbesluit UvA 2018-2019Art. 7.48 WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding voor studievertraging na onterecht negatief bindend studieadvies

Eiser ontving in 2018 onterecht een negatief bindend studieadvies (bsa) van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Na een gegrond verklaard beroep ontving hij in 2019 alsnog een positief bsa en schreef zich opnieuw in, maar betaalde het collegegeld niet. UvA weigerde daarop de inschrijving voor de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021.

Eiser vorderde een materiële schadevergoeding van €42.275,- en een immateriële vergoeding van €5.000,- wegens studievertraging. De rechtbank oordeelde dat er geen causaal verband bestaat tussen het onterecht afgegeven bsa en de studievertraging, die werd veroorzaakt door het niet betalen van collegegeld. De weigering tot inschrijving was rechtmatig bevestigd door het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs.

De rechtbank stelde vast dat UvA geen zorgplicht had geschonden en dat de weigering tot inschrijving niet onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van €5.601,-. De vorderingen werden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772821 / HA ZA 25-1301
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. Ruijs,
tegen
DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: UvA,
advocaat: mr. W. Brussee.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
[eiser] vordert van UvA € 42.275,- aan materiële schadevergoeding voor de opgelopen studievertraging in de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021 en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding. [eiser] heeft in 2018 onterecht een negatief bindend studieadvies (hierna: bsa) gekregen van UvA. [eiser] heeft zich opnieuw voor zijn studie ingeschreven voor de periode april 2019 tot en met augustus 2019, maar heeft het collegegeld van ruim € 882,- onbetaald gelaten. UvA heeft om die reden de inschrijving van [eiser] in de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021 geweigerd. Volgens [eiser] handelt UvA onrechtmatig door het onterecht afgegeven negatief bsa en de weigering tot inschrijving voor de studiejaren 2019-2020 en 2021-2021.
1.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Hierna wordt dit oordeel verder uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan de zittingsaantekeningen van de griffier aan het dossier zijn toegevoegd.
2.2.
Daarna is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
In het studiejaar 2017-2018 is [eiser] begonnen met een studie [studievak] aan de UvA. Op 21 augustus 2018 heeft [eiser] van UvA een negatief bsa ontvangen.
3.2.
Op 1 februari 2019 heeft het College van Beroep voor de Examens van UvA (Cobex) het beroep van [eiser] tegen het negatieve bsa gegrond verklaard. [eiser] heeft daarna op 25 februari 2019 een positief bsa ontvangen.
3.3.
[eiser] heeft zich per 1 april 2019 opnieuw ingeschreven voor de studie [studievak] . Voor het restant van het studiejaar 2018-2019 (april tot september 2019) heeft UvA € 882,33 aan collegegeld bij [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft dit niet betaald. UvA heeft daarom de inschrijving van [eiser] voor het studiejaar 2019-2020 geweigerd. [eiser] is hiertegen opgekomen bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (hierna: CBHO).
3.4.
Op 15 juli 2020 heeft het CHBO bepaald dat de UvA de inschrijving van [eiser] voor studiejaar 2019-2020 mocht weigeren vanwege het openstaande collegegeld van € 882,33.
3.5.
UvA heeft daarna ook de inschrijving van [eiser] voor de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 geweigerd.
3.6.
Op 14 juni 2022 heeft de rechtbank Amsterdam [eiser] veroordeeld tot betaling van het openstaande collegegeld van € 882,33 aan UvA. UvA is veroordeeld tot betaling van € 10.225,00 aan [eiser] aan schadevergoeding voor studievertraging van zes maanden, te weten september 2018 tot maart 2019. UvA heeft € 10.225,00 aan [eiser] betaald. [eiser] heeft niet aan de veroordeling tot betaling van € 882,33 voldaan.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, UvA veroordeelt tot betaling van € 42.275,00 voor studievertraging over de jaren 2019-2020 en 2020-2021, met rente. Ook vordert [eiser] € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met rente en veroordeling in de proceskosten, ook met rente.
4.2.
UvA concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] vindt dat UvA schadevergoeding moet betalen omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld door a) het afgeven van een onterecht negatief bsa in 2018 in strijd met de op UvA rustende zorgplichten en wettelijke eisen, b) het daarna herhaaldelijk en zonder deugdelijke grond blijven weigeren om [eiser] in te schrijven voor zijn studie, ondanks rechterlijke uitspraken en het recht van [eiser] om zijn opleiding voort te zetten.
Geen causaal verband tussen onterecht afgegeven negatief bsa en weigering inschrijving
5.2.
Voor zover [eiser] heeft betoogd dat het onterecht afgegeven negatief bsa heeft geleid tot de weigering inschrijving over de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021, volgt de rechtbank [eiser] hierin niet. Er bestaat geen causaal verband tussen het in 2018 onterecht gegeven negatief bsa en eventuele studievertraging van [eiser] . Dat [eiser] vanaf september 2019 niet verder kon met zijn studie komt, anders dan hij stelt, niet door het onterecht afgegeven bsa, maar doordat hij het collegegeld voor het restant van het studiejaar 2018-2019 onbetaald heeft gelaten. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij het collegegeld niet kon betalen vanwege het onterecht gegeven negatief bsa, heeft hij dit niet onderbouwd.
Weigering inschrijving geen onrechtmatige gedraging
5.3.
Daarnaast geldt dat met de uitspraak van 15 juli 2020 van het CHBO de rechtmatigheid van de weigering van UvA voor inschrijving van het studiejaar 2019-2020 vaststaat. Het CHBO heeft daarin bevestigd dat UvA gerechtigd was de inschrijving van [eiser] te weigeren op grond van artikel 7.33 lid 1 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) in combinatie met het artikel 1.4 lid 5 Inschrijvingsbesluit UvA 2018-2019. [eiser] heeft niet naar voren gebracht waarom aan de uitspraak van het CHBO geen formele rechtskracht kan worden toegekend. Onvoldoende hiervoor is de opmerking van [eiser] dat een bestuursrechtelijke procedure niet uitsluit dat hiertegen civielrechtelijk kan worden opgekomen.
5.4.
Ook is niet gebleken van een schending van een zorgplicht van UvA. UvA mocht de inschrijving van [eiser] weigeren vanwege het openstaande collegegeld. Daarnaast kon UvA, als [eiser] dat zou willen, het collegegeld van € 882,33 niet verrekenen met de schadevergoeding van € 10.225,00 omdat dit op grond van artikel 7.48 WHW niet is toegestaan. Dit is ook bevestigd in het vonnis van 14 juni 2022. Dat UvA, zoals [eiser] stelt, niet bereid is tot een oplossing te komen is niet komen vast te staan. [eiser] heeft namelijk zelf tijdens de zitting gezegd dat de UvA oplossingen heeft aangedragen, maar dat hij die niet heeft geaccepteerd. [eiser] heeft erkend dat hij collegegeld moest betalen, maar gezegd dat hij niets wilde betalen, omdat hij vindt dat hij geld moest krijgen van UvA.
Weigering inschrijving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar
5.5.
Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat UvAde weigering tot inschrijving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, heeft [eiser] hiervoor onvoldoende omstandigheden naar voren gebracht. Het enkele feit dat UvA onrechtmatig heeft gehandeld door het onterecht gegeven negatief bsa in 2018 is daarvoor onvoldoende. UvA heeft [eiser] namelijk op 25 februari 2019 alsnog een positief bsa gegeven en hem in 2022 gecompenseerd voor de studievertraging.
Conclusie
5.6.
De conclusie is dat er geen grond is voor betaling van schadevergoeding door UvA. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
5.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van UvA worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.601,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis voor de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.