ECLI:NL:RBAMS:2026:1035

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13-275593-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor een opgeëiste persoon die in Nederland verblijft. De zaak betreft de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes maanden wegens oplichting.

Tijdens de procedure bleek dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de uitoefening van verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de Poolse hoger beroepsprocedure. De rechtbank ontving aanvullende informatie, maar deze was niet vertaald, waardoor de vraag of de opgeëiste persoon daadwerkelijk aanwezig was en vertegenwoordigd werd in hoger beroep niet kon worden beantwoord.

De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen en te schorsen om vertalingen en aanvullende informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten. Tevens wordt gewacht op het certificaat en de originele vonnissen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de overname van de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland, conform artikel 6a van de Overleveringswet en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (CJ).

De opgeëiste persoon verblijft rechtmatig en duurzaam in Nederland en verliest zijn verblijfsrecht niet door de straf. De rechtbank acht de overname van de tenuitvoerlegging mogelijk en passend, mits aan alle procedurele vereisten wordt voldaan. De zaak wordt uiterlijk veertien dagen voor het einde van de beslistermijn opnieuw op zitting gebracht.

Uitkomst: Onderzoek heropend en geschorst om vertalingen en certificaten af te wachten voor beoordeling overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-275593-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 20 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2021 door de
Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VIII Penal Division,Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 10 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 20 januari 2026 om de certificaten zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de originele vonnissen en de antwoorden met betrekking tot artikel 12 OLW Pro af te wachten.
De rechtbank heeft tevens de beslistermijn nogmaals verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen.
Zitting 20 januari 2026
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
judgement by the District Court of Warsaw Śródmieście (Warsaw) [Sąd Rejonowy dla Warszawy Śródmieścia w Warszawie] of 19 February 2018met referentie X K 482/17; en
a judgement by the Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie] of 7 October 2019met referentie IX Ka 809/19; en
a decision by the District Court of Warsaw Śródmieście (Warsaw) of 25 September 2020.
Uit onderdeel f) van het EAB blijkt dat het arrest met referentie IX Ka 809/19 een procedure in hoger beroep betreft van het vonnis met referentie X K 482/17. Daarnaast blijkt ook dat de beslissing van 25 september 2020 een tenuitvoerleggingsbeslissing is van de in de procedure in hoger beroep opgelegde voorwaardelijke straf.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het arrest van 7 oktober 2019.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de informatie ten aanzien van de vraag of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen onvolledig is. Zo ontbreekt er een duidelijke vertaling van het antwoord op de vraag of de opgeëiste persoon bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest. De raadsman verzoekt primair de overlevering te weigeren. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak nog een keer aan te houden om een duidelijk vertaald antwoord op die vraag te krijgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden om een vertaling af te wachten van het antwoord op de vraag of de opgeëiste persoon bij de behandeling van zijn zaak aanwezig is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk X K 482/17 en het arrest met kenmerk IX Ka 809/19
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank moet daarom beoordelen of de opgeëiste persoon in de procedure in hoger beroep zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
In het EAB is door de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon wist van de procedure en dat hij in die procedure is vertegenwoordigd door een advocaat. Er is echter niet toegelicht of dit antwoord betrekking heeft op de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep, en ook niet op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is geraakt van de procedure (in hoger beroep). Vlak voor de zitting heeft de rechtbank van het Openbaar Ministerie aanvullende informatie ontvangen, te weten een emailbericht van 19 januari 2026, afkomstig van de
Prosecutor, Assistant to the National Member for Polandbij Eurojust. Het bericht luidt:

Please find enclosed a response from the Court in Sucha Beskidzka in the case concerning [opgeëiste persoon] . According to the information provided [opgeëiste persoon] was informed every time about his rights and obligations. Also about the consequences of not informing court about changing his address. He was aware about this. The court sends him a summons and received in return a confirmation from the address [adres] . But the does not appear at the court.”
Aan het emailbericht is een bijlage in de Poolse taal gehecht, zonder vertaling. Uit het hiervoor geciteerde bericht kan de rechtbank niet vaststellen op welke wijze en op welk moment de opgeëiste persoon op de hoogte is geraakt van de procedure in hoger beroep en ook niet of de opgeëiste persoon in die procedure daadwerkelijk is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. De bijlage is niet vertaald, waardoor de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in de procedure in hoger beroep
De rechtbank zal het onderzoek heropenen en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een vertaling te leveren van de bijlage behorend bij voormelde e-mail van 19 januari 2026. Voor zover die bijlage niet reeds de benodigde informatie bevat over de procedure in hoger beroep zoals hiervoor uiteengezet, verzoekt de rechtbank de officier van justitie om de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het arrest met kenmerk IX Ka 809/19 de volgende vragen te laten beantwoorden:
Kunt u sectie D van het EAB invullen ten aanzien van het proces in hoger beroep dat tot het arrest heeft geleid?
Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij dit proces in hoger beroep en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden:
a. was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces in hoger beroep dat tot de veroordeling heeft geleid? Zo ja, hoe?
b. heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten?
c. zo ja, op welk moment in de procedure is dat geweest? En is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten moest doorgeven?
d. is hij er expliciet op gewezen dat deze zogenoemde ‘adresinstructie’ gold voor de gehele procedure, dus ook voor de hoger beroepsprocedure?
e. is de oproeping/zijn de oproepingen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden?
f. Wie heeft/hebben het hoger beroep ingesteld?
Ten aanzien van de beslissing van 25 september 2020
Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 december 2025 blijkt dat de vrijheidsbenemende straf van 6 maanden bij de veroordeling van 19 februari 2018 (met kenmerk X K 482/17) voorwaardelijk is opgelegd. Deze veroordeling is bekrachtigd in hoger beroep bij beslissing van 7 oktober 2019 (met kenmerk IX Ka 809/19). Vervolgens is deze voorwaardelijk opgelegde straf tenuitvoergelegd bij beslissing van 25 september 2020, omdat de opgeëiste persoon in de tussentijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Voor deze strafbare feiten is hij veroordeeld bij de beslissingen van
the District Court in Brezskovan 10 december 2019 (met kenmerk II K 584/19), van de
the District Court for Cracow Podgórze in Cracowvan 12 december 2019 (met kenmerk II K 1259/19) en van de
District Court in Sucha Beskidzavan onbekende datum (met kenmerk II K 382/19).
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
Ten aanzien van het vonnis van 12 december 2019 met kenmerk II K 1259/19
Ten aanzien van de veroordeling met kenmerk II K 1259/19 is door de uitvaardigende justitiële autoriteit informatie verstrekt over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in het kader van een ander EAB (EAB-I) dat gelijktijdig met onderhavig EAB in behandeling is bij de rechtbank. De rechtbank constateert dat uit de tussenuitspraak van EAB-I blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure die tot de veroordeling met kenmerk II K 1259/19 heeft geleid aanwezig is geweest en artikel 12 OLW Pro niet aan de orde is.
Ten aanzien van het vonnis van 10 december 2019 (II K 584/19) en het vonnis van onbekende datum met kenmerk II K 382/19)
Over het verloop van de procedure en de aanwezigheid van de opgeëiste persoon in de procedures met de kenmerken II K 584/19 en II K 382/19 is niets bekend. De rechtbank verzoekt de officier van justitie om informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, en daartoe de volgende vragen te stellen:
I – ten aanzien van de veroordeling met kenmerk II K 382/19: wat is de datum van het vonnis?
II – ten aanzien van beide procedures II K 382/19 en II K 584/19:
Kunt u sectie D van het EAB invullen ten aanzien van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, zowel ten aanzien van eerste aanleg als ten aanzien van het hoger beroep (indien daar sprake van is geweest)?
Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij dit proces en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden:
a. was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid? Zo ja, hoe?
b. heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten?
c. zo ja, op welk moment in de procedure is dat geweest? En is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten moest doorgeven?
d. is hij er expliciet op gewezen dat deze zogenoemde ‘adresinstructie’ gold voor de gehele procedure, dus ook voor een eventueel hoger beroep?
e. is de oproeping/zijn de oproepingen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden?
f. Is er hoger beroep ingesteld? Zo ja, door wie? Kunt u voornoemde vragen eveneens voor die procedure beantwoorden?

5.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
oplichting.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is, met de raadsman en de officier van justitie, van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 2 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon door de strafrechtelijke feiten niet zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
oplichting.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak CJ (C-305/22)
Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak CJ. [7] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Oftewel de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het HvJ EU – kort samengevat – volgt dat alvorens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden
en procedurevan Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf. Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. [8] Een en ander wordt door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025. [9]
Hoewel de behandeling van de zaak op 10 december 2025 daartoe is aangehouden, zijn de certificaten en een afschrift van de originele vonnissen in onderhavige zaak nog niet van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest
CJvan het HvJ EU de ontvangst van de reeds het reeds aangevraagde ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de originele vonnissen van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en een afschrift van de originele vonnissen in het kader van een mogelijke strafovername door Nederland als bedoeld in artikel 6a OLW aan het dossier toe te voegen en tevens om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 4 geformuleerde vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 19 maart 2026 (einde van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman en oproeping van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2025, C-215/24, ECLI:EU:C:2025:695 (