De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 februari 2026 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Geilenkirchen in Duitsland. Het EAB betreft de aanhouding en overlevering van een Nederlandse staatsburger, geboren in 1997, die verdacht wordt van oplichting, een lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW).
De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde dat deze de Nederlandse nationaliteit bezit. De strafbare feiten zijn volgens het Duitse recht bestraft met een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar, waardoor de Nederlandse rechter geen onderzoek naar dubbele strafbaarheid hoeft te verrichten. De Duitse autoriteiten gaven een garantie dat, indien de opgeëiste persoon wordt veroordeeld, de straf in Nederland kan worden uitgevoerd, wat de rechtbank voldoende achtte.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht om uitstel van de feitelijke overlevering tot na de inhoudelijke behandeling van een lopende Nederlandse strafzaak op 12 februari 2026. De rechtbank wees dit verzoek af, omdat een dergelijk beletsel pas na uitspraak in de overleveringsprocedure kan worden ingediend en behandeld.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.