ECLI:NL:RBAMS:2026:1039

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13-296635-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering Nederlandse staatsburger op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens oplichting

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 februari 2026 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Geilenkirchen in Duitsland. Het EAB betreft de aanhouding en overlevering van een Nederlandse staatsburger, geboren in 1997, die verdacht wordt van oplichting, een lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde dat deze de Nederlandse nationaliteit bezit. De strafbare feiten zijn volgens het Duitse recht bestraft met een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar, waardoor de Nederlandse rechter geen onderzoek naar dubbele strafbaarheid hoeft te verrichten. De Duitse autoriteiten gaven een garantie dat, indien de opgeëiste persoon wordt veroordeeld, de straf in Nederland kan worden uitgevoerd, wat de rechtbank voldoende achtte.

De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht om uitstel van de feitelijke overlevering tot na de inhoudelijke behandeling van een lopende Nederlandse strafzaak op 12 februari 2026. De rechtbank wees dit verzoek af, omdat een dergelijk beletsel pas na uitspraak in de overleveringsprocedure kan worden ingediend en behandeld.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse staatsburger aan Duitsland toe voor het strafbare feit oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-296635-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 september 2025 door het
Amtsgericht Geilenkirchen, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat in Brunssum.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis van ‘
Amtsgericht[Kantongerecht]
Geilenkirchen’ van 23.06.2025, dossiernummer: 17Ls - 3 Js 202/24-60/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Leidinggevende Hoofdofficier te Aken heeft op 13 november 2025 de volgende garantie gegeven:
“Het bijgevoegde exemplaar van het Europees Aanhoudingsbevel van het Kantongerecht Geilenkirchen van 17.09.2025 (17 Ls 60/24) samen met vertaling stuur ik met het verzoek om de overlevering van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] .1997 in [geboorteplaats] /Nederland,
(…)
Er wordt verzekerd dat de opgeëiste persoon in het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27.11.2008 aangaande de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken, waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel uitgesproken wordt, voor het doel van hun tenuitvoerlegging in de Europese Unie (publicatieblad L 327 van 05.12.2008, bladzijde 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf terug overgebracht wordt naar Nederland.
(…)”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.6. Artikel 36 OLW Pro: beletselen voor de feitelijke overlevering

De raadsman heeft verzocht om met de overlevering te wachten tot na de inhoudelijke behandeling op 12 februari 2026 van de in Nederlands aanhangige strafzaak.
De rechtbank begrijpt dit verzoek als een beroep op het bepaalde in artikel 36 OLW Pro, namelijk dat de tegen de opgeëiste persoon lopende Nederlandse strafzaak een beletsel vormt voor de feitelijke overlevering. Hoewel de feitelijke overlevering een kwestie is waarover de rechtbank oordeelt, is het niet een beoordeling die in dit stadium van de overleveringsprocedure voorligt. Een dergelijk verzoek kan schriftelijk worden ingediend en zal na de uitspraak van de rechtbank worden behandeld door de raadkamer.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Geilenkirchen, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.