Deze civiele procedure betreft een vordering van de enig erfgenaam tegen ING Bank en de onterfde dochter van de overledene, waarbij wordt gesteld dat een bedrag van circa €350.000 onrechtmatig van de bankrekening van de moeder is onttrokken.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis de vorderingen tegen ING Bank afgewezen en de onterfde dochter in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat de opnames en betalingen ten goede zijn gekomen aan de moeder gedurende haar periode van wilsonbekwaamheid. De dochter heeft bewijs geleverd in de vorm van belastingaangiften en aanslagen, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betalingen daadwerkelijk ten goede zijn gekomen aan de moeder.
De rechtbank oordeelt dat de dochter niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en stelt daarom dat het volledige bedrag van €349.975,14 onrechtmatig is onttrokken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere uitlatingen over de legitieme portie en erfbelasting, die mogelijk gevolgen hebben voor de schadeberekening.
De rechtbank bepaalt dat de erfgenaam zich als eerste mag uitlaten over deze aspecten, waarna de dochter daarop kan reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.