ECLI:NL:RBAMS:2026:112

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/13/721751
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering erfgenaam wegens onrechtmatige onttrekking banktegoeden door onterfde dochter

Deze civiele procedure betreft een vordering van de enig erfgenaam tegen ING Bank en de onterfde dochter van de overledene, waarbij wordt gesteld dat een bedrag van circa €350.000 onrechtmatig van de bankrekening van de moeder is onttrokken.

De rechtbank heeft in een tussenvonnis de vorderingen tegen ING Bank afgewezen en de onterfde dochter in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat de opnames en betalingen ten goede zijn gekomen aan de moeder gedurende haar periode van wilsonbekwaamheid. De dochter heeft bewijs geleverd in de vorm van belastingaangiften en aanslagen, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de betalingen daadwerkelijk ten goede zijn gekomen aan de moeder.

De rechtbank oordeelt dat de dochter niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en stelt daarom dat het volledige bedrag van €349.975,14 onrechtmatig is onttrokken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere uitlatingen over de legitieme portie en erfbelasting, die mogelijk gevolgen hebben voor de schadeberekening.

De rechtbank bepaalt dat de erfgenaam zich als eerste mag uitlaten over deze aspecten, waarna de dochter daarop kan reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst het bewijsaanbod van de onterfde dochter af en gaat uit van onrechtmatige onttrekking van circa €350.000, met verdere procedure over schadeberekening en legitieme portie.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/721751 / HA ZA 22-645
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
de vereniging
[naam vereniging],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. J.H. van Woudenberg te Amsterdam,
tegen
1. de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
hierna te noemen: ING,
advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat mr. N.C. van Steijn te Leiden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit
- tussenvonnis van 13 augustus 2025, en de daarin genoemde stukken,
- akte bewijslevering van [gedaagde 2] , met producties,
- antwoordakte van [eiseres] .

2.Waar deze zaak over gaat en het eerdere procesverloop

2.1.
Dit is het vervolg van de zaak waarin [eiseres] als enig erfgenaam van mevrouw [erflaatster] een schadevergoeding eist van ongeveer € 350.000 van ING, de bank van [erflaatster] , en van [gedaagde 2] , de dochter van [erflaatster] , die door [erflaatster] was onterfd. Volgens [eiseres] is dat bedrag onrechtmatig onttrokken van de rekening van [erflaatster] en zijn ING en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor lijdt.
2.2.
In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiseres] tegen ING afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank [gedaagde 2] in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van haar stelling dat bepaalde opnames en betalingen, die zijn verricht gedurende de periode dat [erflaatster] niet wilsbekwaam was, ten goede zijn gekomen aan laatstgenoemde.
2.3.
In dit vonnis waardeert de rechtbank het bewijs en concludeert zij dat [gedaagde 2] het bewijs niet heeft geleverd. De zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlaten door [eiseres] en [gedaagde 2] over een tweetal onderwerpen.

3.De verdere beoordeling

in conventie
de vorderingen tegen [gedaagde 2]
3.1.
In het tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank [gedaagde 2] toegelaten te bewijzen dat en voor welk bedrag de opnames en betalingen bedoeld in 3.11.1. tot en met 3.11.3. van dat tussenvonnis, die zijn verricht gedurende de periode dat [erflaatster] niet wilsbekwaam was, ten goede zijn gekomen aan [erflaatster] .
3.2.
[gedaagde 2] heeft van de gelegenheid om bij akte bewijs te leveren gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] er niet in is geslaagd het opgedragen bewijs te leveren. Hiertoe is het volgende redengevend.
3.3.
[gedaagde 2] heeft een aantal belastingaangiften van [erflaatster] (over de jaren 2015, 2017 en 2018) en aanslagen (over de jaren 2015 t/m 2019) in het geding gebracht. Daarmee heeft zij op geen enkele wijze aangetoond dat enige door haar verrichte betaling, laat staan de in het tussenvonnis van 13 augustus 2025 specifiek bedoelde opnames en betalingen, ten goede is gekomen aan [erflaatster] . [gedaagde 2] wijst erop dat in de belastingaangiften tot en met 2017 (bedoeld zal zijn van 2015 en 2017, rb) een schuld voorkomt van € 45.000 aan ene mevrouw [naam 1] , en dat deze schuld in de aangifte 2018 niet meer voorkomt. Anders dan [gedaagde 2] meent, vormt dit geen bewijs voor haar stelling dat (voor de hoogte van dit bedrag) uitgaven zijn gedaan ten behoeve van [erflaatster] ter afbetaling van haar schulden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dit gegeven niet te rijmen met de stelling die [gedaagde 2] eerder in deze procedure heeft ingenomen, te weten dat ter aflossing van een schuld van [erflaatster] aan een mevrouw uit België in verband met een lening voor een winkel in België, onder andere twee overboekingen van € 50.000 naar de rekening van [naam 2] hebben plaatsgevonden, en dat er om die reden in 2018 zoveel contante opnames zijn geweest. Terecht wijst [eiseres] er verder op dat uit niets blijkt dat [gedaagde 2] de gestelde schuld aan [naam 1] – die [eiseres] dan ook betwist – namens en ten behoeve van [erflaatster] heeft afbetaald. De naam van [naam 1] en het bedrag van die schuld is in de bankafschriften van [erflaatster] niet terug te vinden.
3.4.
Voor het overige wijst [gedaagde 2] erop dat zij door tijdsverloop en door diefstal niet over ander bewijsmateriaal beschikt en in bewijsnood verkeert. In de onderlinge verhouding tussen partijen komen deze omstandigheden voor risico van [gedaagde 2] , waarbij bovendien kan worden opgemerkt dat [gedaagde 2] in de conclusie van antwoord wel degelijk een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.
3.5.
Omdat [gedaagde 2] geen bewijs heeft geleverd, strekt voor de verdere beoordeling tot uitgangspunt dat zij het volledige bedrag van € 349.975,14 op onrechtmatige wijze aan de rekening van [erflaatster] heeft onttrokken.
3.6.
[eiseres] en [gedaagde 2] mogen zich nu nog uitlaten over hetgeen de rechtbank onder 5.22. van het tussenvonnis van 15 november 2023 heeft overwogen, te weten dat het de rechtbank voorkomt dat te zijner tijd bij berekening van de schade rekening zal moeten worden gehouden met de legitieme portie van [gedaagde 2] en met het effect van de erfbelasting op de aanspraken van [eiseres] . [eiseres] zal zich als eerste bij akte mogen uitlaten over de vraag of en in zo ja, in hoeverre, deze aspecten gevolgen hebben voor het door haar gevorderde schadebedrag. [gedaagde 2] zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.
3.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
11 februari 2026voor akte uitlating door [eiseres] over hetgeen is overwogen in 3.6., waarop [gedaagde 2] op een termijn van vier weken bij antwoordakte mag reageren,
in conventie en in reconventie
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe rechter, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 14 januari 2026.