De werknemer trad op 29 november 2024 in dienst bij Cruisinc Tourism B.V. als cabin stewardess. Op 15 september 2025 werd zij op staande voet ontslagen wegens het niet weggooien van een vuile handdoek, een gedraging die volgens de werkgever een dringende reden vormde. De werknemer betwistte de geldigheid van het ontslag en vorderde een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat de gegeven reden geen dringende reden vormde. Het ontslag was bovendien niet onverwijld meegedeeld en de werkgever kon niet aantonen dat de reden voor het ontslag aan de werknemer was medegedeeld. Het door de werkgever geschetste beeld van disfunctioneren kwalificeerde ook niet als dringende reden.
De arbeidsovereenkomst eindigde op 15 september 2025, waarna de kantonrechter de werkgever veroordeelde tot betaling van een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.335,06, een transitievergoeding van € 770,02 en een billijke vergoeding van € 11.561,60. De billijke vergoeding werd vastgesteld op basis van het relatief korte dienstverband, de dossieropbouw en de gevolgen van het onterecht ontslag.
Daarnaast werden de proceskosten van € 1.039,00 aan de zijde van de werknemer toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.