ECLI:NL:RBAMS:2026:1310

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/13/773322 / HA RK 25-261
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 RvArt. 3:251 lid 2 BWArt. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor wegens onvoldoende belang en fishing expedition

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van [verzoekers] om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten in verband met het verkoopproces van activa van [verweerder 1] en de rol van betrokken bestuurders en financiers.

De feiten betreffen een complexe situatie rondom onttrekkingen van circa € 15,3 miljoen aan [verweerder 1], onregelmatigheden in de administratie, en een verkoop van activa voor ruim € 159 miljoen na een competitief proces. [Verzoekers] betoogde dat de verkoopprijs te laag was en dat bestuurders en financiers onrechtmatig handelden jegens hen als aandeelhouders.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek onvoldoende belang had omdat de gestelde vordering kansloos was, mede omdat de verkoopprijs na correcties hoger was dan het indicatieve bod en de onregelmatigheden een drukkend effect hadden. Daarnaast was het verzoek onvoldoende bepaald en leek het een fishing expedition, gericht op het vinden van een vordering in een nog te starten procedure. Ook was sprake van strijd met de goede procesorde omdat een vergelijkbaar inzageverzoek eerder was afgewezen.

De rechtbank wees het verzoek af en veroordeelde [verzoekers] in de proceskosten van € 2.209. De beschikking werd gegeven door mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens onvoldoende belang, onvoldoende bepaald verzoek en strijd met de goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/773322 / HA RK 25-261
Beschikking van 5 februari 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,
2.
[verzoeker 2],
te [woonplaats 1] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers] ,
en afzonderlijk: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
advocaat: mr. H. Knotter,
tegen

1.[verweerder 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 2] ,
2.
[verweerder 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
3.
[verweerder 3],
te [woonplaats 2] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
en afzonderlijk: [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] ,
advocaat: mr. H. Şimşek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 29 juli 2025,
- de beschikking van 18 september 2025 waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift, met bijlagen,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 december 2025 en de daarin vermelde processtukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder 1] (voorheen: [bedrijf 1] B.V.) exploiteerde een onderneming die zich bezig hield met de handel in en het leasen/verhuren van auto’s. Enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerder 1] is [verweerder 2] (voorheen: [bedrijf 2] B.V.). [verweerder 2] houdt ook 100% van de aandelen in de Belgische vennootschap [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] , voorheen: [bedrijf 1] B.V.)
2.2.
[verweerder 2] heeft drie aandeelhouders: [verzoeker 1] en [bedrijf 4] B.V. ( [bedrijf 4] ) houden ieder 17,5% van de aandelen en [bedrijf 5] B.V. ( [bedrijf 5] ) houdt de resterende 65% van de aandelen. [verzoeker 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] zijn de persoonlijke holdingvennootschappen van achtereenvolgens [verzoeker 2] , [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] . Vanaf haar oprichting tot september 2024 zijn [verzoeker 1] en [bedrijf 4] – via [verweerder 2] – bestuurder van [verweerder 1] geweest.
2.3.
Vanaf 2017 werden [verweerder 1] , [verweerder 2] en [bedrijf 3] (hierna samen: [verweerder 1] Groep)
asset basedgefinancierd door een aantal banken (hierna: de Financiers) voor een bedrag van uiteindelijk omstreeks € 147.500.000. De belangrijkste zekerheid voor de Financiers vormde een pandrecht op de voertuigen van [verweerder 1] .
2.4.
In maart 2024 heeft [verweerder 1] Groep de Financiers verzocht om de bestaande kredietruimte te verhogen tot een bedrag van € 170 miljoen. De Financiers hebben in verband daarmee een
asset audituitgevoerd op de aan hen verpande voertuigen. De Financiers hebben vervolgens geconstateerd dat het overzicht van verpande voertuigen dat [verweerder 1] had aangeleverd onjuistheden bevatte: hierop was een groot aantal voertuigen opgenomen dat niet (meer) aan [verweerder 1] toebehoorde. Als gevolg hiervan is volgens de Financiers een
borrowing base deficitontstaan van ongeveer € 2,7 miljoen.
2.5.
Op 27 augustus 2024 hebben de Financiers een
notice of events of defaultaan [verweerder 1] Groep gestuurd, waarin zij een aantal tekortkomingen onder de fiancieringsovereenkomst vaststellen en nader forensisch onderzoek (door Deloitte) aankondigen, alsmede een
quick scanvan de beschikbare activa (door TWA B.V.) om de
borrowing basevan de [verweerder 1] Groep te onderzoeken.
2.6.
Op 11 september 2024 hebben de Financiers aan de toenmalige advocaat van [verweerder 1] Groep onder meer bericht:
(…) Op maandag 9 september 2024 meldde u dat in tegenstelling tot de eerdere verklaringen van beide heren[ [verzoeker 2] en [naam 1] , rb]
er meer onregelmatigheden hebben plaatsgevonden waarbij gelden aan [bedrijf 2] zijn onttrokken. U meldde dat rekening moet worden gehouden met onttrekkingen in de orde van grootte van EUR 10 miljoen. In uw e-mail van maandag 9 september om 15:24 uur zegt u vervolgens toe dat de bestuurders volledige openheid van zaken zullen geven over de ‘substantiële omissies in de administratie’.(…)
Naar aanleiding van de nieuwe informatie hebben de Lenders[de Financiers, rb]
direct kenbaar gemaakt dat de bestuurders van [bedrijf 2] zo snel mogelijk op afstand van de vennootschap dienen komen te staan en de dagelijkse leiding dienen over te dragen aan een, de Lenders conveniërende, tijdelijk bestuurder. De Lenders hebben in dat kader de heer [verweerder 3] bereid gevonden om in het belang van de vennootschappen die taak op zich te nemen. Per e-mail van 9 september om 22:01 uur hebt u aangegeven dat de bestuurders akkoord zijn met de aanstelling van [verweerder 3] . Inmiddels is over diens benoeming ook contact geweest met de RvC. Die heeft aangegeven de situatie en de wens van de Lenders volledig te begrijpen en te onderschrijven en daarop actie te zullen ondernemen. Wij begrijpen dat er inmiddels een ontmoeting tussen de bestuurders, de RvC en [verweerder 3] heeft plaatsgevonden. Uit de contacten met de RvC is de Lenders overigens ook gebleken dat de RvC tot vandaag onvolledig geïnformeerd is geweest en de bestuurders doelbewust het contact tussen de Lenders en de RvC hebben proberen te vertragen en te belemmeren. Bovendien zou – woensdag 10 september – aan de RvC zijn verklaard dat de onttrekkingen optellen tot een bedrag van circa EUR 15 miljoen. Op de korte termijn zullen [verweerder 3] , TWA en Deloitte de (financiële) situatie van de vennootschap verder in kaart brengen. De Lenders hebben begrepen dat de onderneming van de vennootschap going concern is en dat er een verkoopproces gaande is, waarbij één of meerdere partijen al serieuze interesse zou(den) hebben getoond. Het spreekt voor zich dat ook de Lenders er belang bij hebben dat de onderneming zoveel als mogelijk in betrekkelijke rust kan voortgaan, opdat ook het verkoopproces kan worden doorlopen en afgerond.
2.7.
Op diezelfde dag zijn [verzoeker 1] en [bedrijf 4] geschorst als bestuurders van [verweerder 2] en is [verweerder 3] aangesteld als tijdelijk bestuurder.
2.8.
Op 11 september 2024 heeft [verzoeker 2] als toelichting op de onttrekkingen laten weten dat de ‘
uitgaande gelden betreffen honderden transacties variërend van EUR 25 tot EUR 2 mio’. Daarbij heeft hij een rapportage gedeeld met twee balansen van 2024; daarin is onder meer een verschil van ongeveer € 6 miljoen in het werkelijke wagenpark en een verschil van ongeveer € 15,3 miljoen onder ‘Correcties - vorderingen’ te zien.
2.9.
Op verzoek van de Financiers zijn [verzoeker 1] en [bedrijf 4] op 14 september 2024 afgetreden als bestuurders van [verweerder 2] . Op diezelfde dag is [verweerder 3] door de algemene vergadering (ava) van [verweerder 2] benoemd tot bestuurder van [verweerder 2] .
2.10.
Gebleken is dat gedurende een periode van ongeveer 10 jaar een bedrag van ongeveer € 15,3 miljoen is onttrokken aan [verweerder 1] ten behoeve van investeringen die geen verband hielden met de activiteiten van [verweerder 1] . Van deze onttrekkingen waren [bedrijf 5] en de Raad van Commissarissen (RvC) van [verweerder 1] niet op de hoogte. Verder is gebleken dat een dubbele boekhouding is gevoerd en dat de accountant onjuiste informatie heeft ontvangen, waardoor de jaarrekeningen een foutief beeld geven.
2.11.
Op 14 oktober 2024 zijn de statuten van [verweerder 1] gewijzigd. Als gevolg van deze wijziging dienden besluiten van de ava met een meerderheid van 65% (in plaats van voorheen 66%) van de stemmen te worden genomen.
2.12.
Op 18 oktober 2024 heeft [verweerder 1] [verzoeker 2] , [naam 1] , [verzoeker 1] en [bedrijf 4] aansprakelijk gesteld voor het onrechtmatig onttrekken van gelden aan het vermogen van [verweerder 1] en hen gesommeerd de onttrokken gelden, waaronder in elk geval het bedrag van € 15,3 miljoen, terug te betalen.
2.13.
Vanaf 21 oktober 2024 heeft [verweerder 3] wekelijks een informatiememorandum ten behoeve van de aandeelhouders van [verweerder 2] verstuurd.
2.14.
Op 4 november 2024 zijn [verweerder 2] en [verweerder 1] , vertegenwoordigd door [verweerder 3] , met de Financiers een afwijkende wijze van executie van het pandrecht overeengekomen, zoals bedoeld in artikel 3:251 lid 2 BW Pro. Het informatiememorandum van diezelfde dag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Ook heeft het Bankensyndicaat (als pandhouder) de vennootschap (als pandgever) aangedrongen op het aangaan van een art. 3:251 lid 2 overeenkomst Pro (afwijkende wijze van verkoop bij uitwinnen pandrecht). De achtergrond hierbij is als volgt: Het Bankensyndicaat heeft het recht om de verpande zaken openbaar te verkopen.
De vennootschap en het Bankensyndicaat zijn in de art. 3:251 overeenkomst Pro overeengekomen dat de afwijkende wijze van verkoop wordt vormgegeven zoals is beoogd in het huidige verkoopproces. In die zin verandert dit dus niets aan het huidige verkoopproces.
Verkoop op afwijkende wijze, zoals vormgegeven in het huidige verkoopproces, levert meer op dan een openbare verkoop van enkel de assets en is daarmee in het belang van de vennootschap.
Terzijde: in informatiememorandum #2 (week 44/2024) is aangekondigd dat de vennootschap een Reservation of Rights letter van het Bankensyndicaat had ontvangen, waarin de bestaande Events of Defauls worden geadresseerd. Als onderdeel van de art. 3:251 overeenkomst Pro erkent de vennootschap dat zij in Default is onder de SFA (Borrowing Base Misrepresentation).
2.15.
Op 27 november 2024 hebben de leden van de RvC van [verweerder 1] hun taak neergelegd.
2.16.
Op 28 november 2024 is [verweerder 3] benoemd tot bestuurder van [verweerder 1] .
2.17.
Op 16 december 2024 heeft [verweerder 1] [verzoeker 2] , [naam 1] , [verzoeker 1] en [bedrijf 4] gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant en gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 15,3 miljoen, met rente en kosten. Aan deze vordering heeft [verweerder 1] – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat gedaagden uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van artikel 2:9 juncto Pro 2:11 BW, dan wel 6:162 en 6:166 BW, aansprakelijk zijn voor de schade die [verweerder 1] als gevolg van de onttrekkingen heeft geleden.
2.18.
Op 5 maart 2025 heeft [verweerder 1] namens de Financiers – na goedkeuring door de ACM – door middel van een activa/passiva transactie de aan de Financiers verpande
assetsverkocht aan Volkswagen Pon Financial Services (VWPFS) tegen een koopprijs van ongeveer € 149,5 miljoen. Daarbij is afgesproken dat [verweerder 1] de leasetermijnen van de maand na overdracht ter waarde van ongeveer € 6,3 miljoen mocht behouden. Daarnaast heeft [verweerder 1] op 25 april 2025 haar rechten op een aantal geleasde voertuigen (zogenaamde Ortys portefeuille) juridisch overgedragen aan Rebel Lease B.V. (Rebel Lease) voor een bedrag van ongeveer € 3,5 miljoen.
2.19.
Zowel [verzoeker 2] en [verzoeker 1] , als [naam 1] en [bedrijf 4] , hebben in de onder 2.17 bedoelde procedure een incidentele vordering ingesteld tegen [verweerder 1] tot het verstrekken van bescheiden. Bij vonnis in incident van 25 juni 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant de vorderingen van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] , die betrekking hadden op de verkoop van de activa aan VWPFS, afgewezen wegens het ontbreken van een rechtmatig belang. De vorderingen van [naam 1] en [bedrijf 4] zijn deels toegewezen, wat betreft accountantsverslagen gedurende een aantal jaren en correspondentie tussen [naam 1] en de accountants daarover.
2.20.
Op 23 juni 2025 heeft [verweerder 3] de aandeelhouders van [verweerder 2] opgeroepen voor een ava van 1 juli 2025, met op de agenda een drietal besluiten: het ontslag van [verweerder 3] als bestuurder, het verlenen van decharge aan [verweerder 3] en het benoemen van mr. [naam 3] als nieuwe bestuurder. [verzoekers] heeft op voorhand bezwaar gemaakt tegen het voornemen deze besluiten ter stemming te brengen. Desondanks zijn deze besluiten op de ava van 1 juli 2025 genomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekers] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekers] het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1.
Het voorlopig getuigenverhoor ziet op het verkoopproces van augustus 2024 tot en met heden waarin [verweerder 1] op 5 maart 2025 het grootste deel van haar activa heeft verkocht. [verzoekers] wil duidelijkheid verkrijgen over de rol, verantwoordelijkheden en het handelen van [verweerder 1] , [verweerder 2] , [verweerder 3] en de Financiers daarbij. Het heeft er alle schijn van dat [verweerder 1] en [verweerder 2] en [verweerder 3] de (in)direct aandeelhouders van [verweerder 1] en [verweerder 2] – onder wie [verzoekers] – financieel hebben benadeeld en nog steeds benadelen. In een zeer kort tijdsbestek heeft [verweerder 1] het grootste deel van haar onderneming verkocht voor wat sterk lijkt op een niet optimale koopprijs en niet optimale voorwaarden. Ogenschijnlijk was daarbij het enige oogmerk dat de niet-opeisbare vorderingen van de Financiers op de kortst mogelijke termijn konden worden voldaan. Door geen openheid van zaken te geven schendt [verweerders] vermoedelijk een bijzondere zorgplicht en een specifieke informatieplicht jegens [verzoekers] Ook schendt zij het goedkeuringsrecht van de ava’s van [verweerder 1] en [verweerder 2] . [verweerder 3] heeft door de belangen van de Financiers (en zijn persoonlijk belang) voorop te stellen zijn taak onbehoorlijk vervuld en zowel [verweerder 1] als [verweerder 3] handelen vermoedelijk onrechtmatig jegens (in)direct aandeelhouder [verzoekers]
3.2.2.
[verzoekers] wil in een nieuwe door hem nog aanhangig te maken procedure mogelijk zelf vorderingen instellen en onderbouwen tegen [verweerder 1] en/of andere partijen. Het zal daarbij gaan om onrechtmatige daad- en schadevergoedingsvorderingen zoals bedoeld in de artikelen 2:9, 6:162 en 6:166 BW en titel 1, afdeling 10 van boek 6 BW. [verzoekers] wil opheldering krijgen over de relevante feiten voordat hij zijn vorderingen instelt. Op die manier is hij beter in staat zijn positie en kansen in een procedure te beoordelen. Ook kan dan (beter) worden vastgesteld welke vorderingen tegen wie kunnen of moeten worden ingesteld. [verzoekers] wil bewijs verzamelen ter ondersteuning van deze vorderingen en voorkomen dat bewijs verloren gaat. Als uit de feiten blijkt dat niet opportuun is om tegen [verweerders] of de Financiers een schadevergoedingsprocedure op te starten, kan [verzoekers] ook nog kiezen voor de route van een enquête-procedure voor de Ondernemingskamer. [verzoekers] wil daarom 12 getuigen horen, onder wie [verweerder 3] .
3.3.
[verweerders] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op haar verweren zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
4.2.
[verzoekers] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek is daarom toewijsbaar tenzij de rechtbank van oordeel is:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald;
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.3.
Het verzoek zal worden afgewezen omdat [verzoekers] daarbij onvoldoende belang heeft, de verlangde informatie onvoldoende is bepaald, het verzoek het karakter heeft van een
fishing expeditionen sprake is van strijd met de goede procesorde. De rechtbank licht dit als volgt toe.
onvoldoende belang
4.4.
Voorop staat dat de centrale stelling van [verzoekers] dat [verweerder 1] , onder leiding van [verweerder 3] , haar activa voor een te laag bedrag heeft verkocht, op geen enkele wijze is onderbouwd en door [verweerders] ook overtuigend is weerlegd. [verzoekers] baseert zijn stelling op een indicatief bod dat Rebel Lease begin 2024 zou hebben gedaan. Op basis daarvan bestond volgens [verzoekers] de verwachting dat de verkoop een bedrag van circa € 185 miljoen zou genereren. Als al van een dergelijk bod sprake is geweest, geldt evenwel dat de door de Financiers geconstateerde onregelmatigheden toen nog niet aan het licht waren gekomen. Aangenomen kan worden dat deze een drukkend effect op de waarde van de onderneming hebben gehad. Vast staat (zie 2.18) dat de verkoop (in totaal) een bedrag van ruim € 159 miljoen heeft opgebracht. [verweerders] heeft daarbij – onder verwijzing naar bewijsstukken – aangevoerd dat de verkoop tot stand is gekomen na een competitief proces, waarbij de potentiële kopers in beeld zijn gebracht en opbrengstmaximalisatie en dealzekerheid voorop stonden. Rebel Lease heeft in dat proces uiteindelijk een iets hoger bod (€ 5 ton meer) gedaan dan VWPFS. De redenen dat [verweerder 1] met VWPFS – en niet met Rebel Lease – in zee is gegaan heeft [verweerder 1] in een informatiememorandum aan de aandeelhouders toegelicht. Dat verder – zoals [verzoekers] – suggereert voor de verkoop geen wettelijke basis bestond onderbouwt hij in het licht van de vaststaande feiten evenmin. [verweerders] wijst er verder terecht op dat vanwege de overeengekomen afwijkende wijze van executieverkoop voorafgaande goedkeuring van de ava niet was vereist. In die zin mist het verzoek feitelijke grondslag.
4.5.
Daarnaast wijst [verweerders] er terecht op dat [verzoekers] hoe dan ook geen aanspraak kan maken op schadevergoeding. In dat verband is het volgende van belang.
4.6.
Als aan een vennootschap door een derde (waarder ook een bestuurder) vermogensschade wordt toegebracht door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht om op die grond van die derde vergoeding van haar schade te vorderen. Die schade zal een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders op grond van dit nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding jegens deze derde instellen. Hun zogenaamde ‘afgeleide schade’ komt niet voor vergoeding in aanmerking. Alleen als de aandeelhouders door het onrechtmatige handelen rechtstreeks, dus niet via het vermogen van de vennootschap, schade leiden kan dit anders zijn. [1]
4.7.
[verzoekers] stelt dat hier van afgeleide schade geen sprake is. Volgens hem heeft [verweerders] specifieke zorgvuldigheidsnormen jegens [verzoekers] geschonden, onder meer door hem onvoldoende te informeren en geen openheid te betrachten over het verkoopproces. Ook meent hij dat het debat over de schade niet in dit stadium dient te worden gevoerd.
4.8.
De rechtbank volgt dit betoog niet. [verzoekers] licht onvoldoende toe dat hij – voor zover al van schending van enige zorgvuldigheidsnorm sprake zou zijn – daardoor andere (rechtstreekse) schade heeft geleden dan de schade die [verweerder 1] beweerdelijk lijdt door het feit dat haar activa voor een te laag bedrag zijn verkocht. Bovendien is van belang dat niet [verzoekers] , maar [verweerder 2] de aandeelhouder van [verweerder 1] is. Als al aandeelhoudersrechten van de aandeelhouders van [verweerder 1] zouden zijn geschonden, komt een vordering ter zake aan [verweerder 2] en niet aan [verzoekers] toe. Dat [verweerders] bewust erop uit zijn geweest om de belangen van [verzoekers] te schaden blijkt verder nergens uit.
4.9.
Al met al berust de gestelde vordering van [verzoekers] zodanig op drijfzand dat deze als kansloos moet worden beschouwd. Daarmee heeft [verzoekers] onvoldoende belang om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten.
de verlangde informatie is onvoldoende bepaald / fishing expedition
4.10.
Daarnaast heeft [verzoekers] onvoldoende duidelijk weten te maken over welke feiten hij de getuigen nog wil bevragen. [verzoekers] wil naar eigen zeggen onderzoeken of en tegen wie hij (mogelijk) vorderingen zou kunnen instellen. Kennelijk wil hij onderzoeken of jegens hem specifieke zorgvuldigheidsnormen zijn geschonden. Het feitelijk handelen dat hij (mogelijk) aan [verweerders] wil tegenwerpen is hem echter al bekend: het lijkt [verzoekers] er vooral om te doen om te onderzoeken of dat handelen als onrechtmatig jegens hem kan worden aangemerkt. Dat laatste is vooral een juridische vraag waarover de getuigen niet kunnen verklaren. Een voorlopig getuigenverhoor is niet bedoeld om aan te tonen dat reeds vaststaande feiten onrechtmatig zijn. [2]
4.11.
[verzoekers] stelt ook dat hij bijvoorbeeld wil weten wat de overwegingen, afwegingen, beweegredenen en motivering waren voor de aandeelhouders- en bestuursbesluiten die in het verkoopproces zijn genomen. Als (in)direct aandeelhouder plaatst hij grote vraagtekens bij het beleid en de gang van zaken, het handelen van [verweerder 1] en [verweerder 2] , en het ‘aan de banken gelieerde’ éénkoppige statutaire bestuur van [verweerder 1] en [verweerder 2] en het handelen van de Financiers bij het verkoopproces. Ook de ava van 1 juli 2025 waarop aan [verweerder 3] decharge is verleend en mr. [naam 3] als nieuwe bestuurder van [verweerder 1] en [verweerder 2] is benoemd, roept bij [verzoekers] tal van vragen op.
4.12.
De beantwoording van vragen over deze onderwerpen kan evenwel niet leiden tot vaststelling van (nadere) feiten. Een voorlopig getuigenverhoor is bedoeld om duidelijkheid te verkrijgen over feiten die de verzoeker in een eventuele hoofdzaak aan zijn vordering ten grondslag wil leggen, zodat de verzoeker kan beoordelen of het zinvol is de voorgenomen vordering in te stellen, en leent zich niet voor een onderzoek naar de standpunten en beweegredenen van de wederpartij. Uit de toelichting van [verzoekers] blijkt niet over welke feiten hij opheldering wenst te krijgen. Zijn doel lijkt te zijn om hoe dan ook een (tegen)vordering te vinden tegen [verweerders] , maar daarvoor is het voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld.
4.13.
[verzoekers] heeft op de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat ook de mogelijkheid van het opstarten van een enquête-procedure een reden kan vormen om een voorlopig getuigenverhoor te vragen. Dat kan zo zijn, maar neemt niet weg dat ook daarvoor geldt dat het dan aan [verzoekers] is om duidelijk te maken over welke feiten hij duidelijkheid wenst te verkrijgen.
4.14.
Uit dit alles volgt dat wat [verzoekers] wil bewijzen onvoldoende duidelijk is. Het verzoek is in die zin aan te merken als een
fishing expedition.
strijd met de goede procesorde
4.15.
Tot slot geldt dat [verzoekers] in de lopende procedure voor de rechtbank Oost-Brabant al een inzageverzoek heeft gedaan op basis van exact dezelfde feiten en stellingen de hij hier inneemt. [verzoekers] stelt zelf ook dat hij de feiten en omstandigheden die hij aan onderhavig verzoek ten grondslag legt al uitgebreid heeft beschreven in zijn conclusie van antwoord in die procedure en verzoekt daarom een aantal nummers uit die conclusie als hier herhaald en ingelast te beschouwen.
4.16.
Het inzageverzoek was volgens de toelichting van [verzoekers] nodig om zijn verweer, te weten dat hij beschikte over een verrekenbare tegenvordering op [verweerder 1] , te kunnen onderbouwen. Dit inzageverzoek is door de rechtbank Oost-Brabant bij vonnis van 25 juni 2025 al afgewezen (zie 2.19). Kort gezegd overwoog de rechtbank daartoe dat de stellingen van [verzoekers] – al zouden deze waar zijn – voorshands in dit stadium niet tot een toewijzing van zijn vorderingen zouden leiden. Een maand later heeft [verzoekers] onderhavig verzoek ingediend bij de rechtbank Amsterdam, zonder melding te maken van dit incidentele verzoek en de daarop genomen beslissing.
4.17.
Deze gang van zaken wordt in strijd met een goede procesorde geacht. Zoals hiervoor is overwogen heeft het er alle schijn van dat [verzoekers] op zoek is naar een vordering om te kunnen verrekenen met de zeer substantiële vordering waarmee hij in de procedure voor de rechtbank Oost-Brabant is geconfronteerd. Hij stelt wel dat het onderhavige verzoek is ingestoken om een nieuwe procedure tegen deels andere partijen op te starten, maar dit verschil komt gekunsteld voor. Uit het verzoek blijkt dat [verzoekers] op zoek is naar nadere informatie, dit terwijl zijn eerdere inzageverzoek op basis van hetzelfde feitencomplex hem al is geweigerd. Dit alles is niet in lijn met het wettelijke systeem dat beoogt voorlopige bewijsverrichtingen te bundelen en te voorkomen dat kwesties waarover al is geoordeeld opnieuw aan de rechtbank worden voorgelegd.
proceskosten
4.18.
[verweerders] heeft gevraagd om [verzoekers] in de proceskosten te veroordelen. Omdat [verzoekers] in het ongelijk is gesteld, moet hij de proceskosten van [verweerders] betalen. Deze worden tot op heden begroot op € 2.209. Dit bedrag bestaat uit € 714 aan griffierecht,
€ 1.306 aan salaris advocaat en € 189 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt [verzoekers] in de kosten van deze procedure, aan de kant van [verweerders] tot op heden begroot op € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekers] niet aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend moet [verzoekers] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.