ECLI:NL:RBAMS:2026:132

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
25/4014
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 lid 1 onder j BarpArt. 82 BarpArt. 76 lid 2 Barp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onvoorwaardelijk strafontslag politieambtenaar wegens ernstig plichtsverzuim

Eiser, politieambtenaar sinds 1996, werd onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim na een incident van huiselijk geweld waarbij hij zijn ex-partner mishandelde en met een te hoog alcoholpromillage een auto bestuurde.

De rechtbank beoordeelde marginaal of het ontslag binnen de beoordelingsruimte van de werkgever viel. Uit verklaringen en medisch bewijs bleek voldoende aannemelijk dat eiser fysiek geweld had gebruikt en letsel had toegebracht. Ook was het rijden onder invloed met een waarde van 545 µg/l, ruim boven de wettelijke limiet, aannemelijk.

De gedragingen kwalificeerden als plichtsverzuim omdat zij het imago van de politie schaadden en niet strookten met de integriteitseisen. Eiser kon het plichtsverzuim niet betwisten of rechtvaardigen. De rechtbank vond het ontslag niet onevenredig, ondanks de emotionele context en lange diensttijd van eiser.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het ontslag bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 14 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het onvoorwaardelijk strafontslag wordt ongegrond verklaard en het ontslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4014

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Duijvelshoff),
en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.A.C. Theunissen).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het opleggen van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag.
Met het primaire besluit van 14 oktober 2024 heeft verweerder wegens ernstig plichtsverzuim op grond van artikel 77, eerste lid, onder j, van het Barp [1] aan eiser onvoorwaardelijke strafontslag verleend. Het strafontslag is door verweerder op grond van artikel 82 van Pro het Barp met onmiddellijke ingang ten uitvoer gelegd. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder was ook aanwezig [persoon] , [functie 3] .

Totstandkoming van de besluiten

1.1.
Eiser is sinds 16 augustus 1996 in dienst bij verweerder, laatstelijk in de functie van
[functie 2] bij [opsporingsdienst 1] verbonden aan de [opsporingsdienst 2] van de Eenheid Amsterdam. Eiser heeft zijn (inmiddels) ex-partner ontmoet tijdens hun gezamenlijke werkzaamheden bij verweerder.
1.2.
Op 26 december 2023, omstreeks 1.00 uur, ontving de politie een melding van een incident van huiselijk geweld in een woning in [plaats] . Ter plaatse troffen de agenten de toenmalige partner van eiser aan, die verklaarde werkzaam te zijn bij de politie en zojuist slachtoffer te zijn geworden van mishandeling door eiser. Na het incident had eiser de woning verlaten en zou hij met zijn auto zijn weggereden. De partner van eiser klaagde over ademhalingsproblemen en pijn aan haar ribben, waarop zij per ambulance is overgebracht naar het ziekenhuis. Na klinisch onderzoek bleek dat sprake was van ribfracturen welke echter niet te zien waren op röntgenfoto’s. Omstreeks 02.30 uur werd eiser in zijn woning aangehouden als verdachte van mishandeling. Bij zijn aanhouding is een ademonderzoek afgenomen waarbij 545 µg/l werd gemeten. In verband met het voorval heeft verweerder aan eiser buitengewoon verlof verleend dat op 17 april 2024 is omgezet in een schorsing in het belang van de dienst. Naar aanleiding van het incident heeft zowel een strafrechtelijk als een disciplinair onderzoek plaatsgevonden.
1.3.
Met een brief van 24 juli 2024 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen op grond van artikel 77, eerste lid, onder j, van het Barp. Eiser heeft een schriftelijke zienswijze ingediend van 12 augustus 2024 en deze op 28 augustus 2024 mondeling toegelicht.
1.4.
Met het primaire besluit heeft verweerder wegens ernstig plichtsverzuim aan eiser onvoorwaardelijke strafontslag verleend. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan fysiek geweld richting zijn partner, met letsel tot gevolg en het besturen van een auto onder invloed van meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag heeft mogen opleggen. Dit is een marginale toets. De rechtbank toetst dus niet zelf of en zo ja, welke straf zij gerechtvaardigd vindt, maar enkel of verweerder gelet op alle omstandigheden van het geval, in redelijkheid de opgelegde straf mocht opleggen. De daarbij te hanteren toets is uitdrukkelijk een andere dan in het strafrecht. In het bestuursrecht (en dus in deze zaak) gaat het om de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat de gedragingen zijn begaan en dus niet of de gedragingen wettig en overtuigend bewezen zijn, zoals in het stafrecht het geval is. [2]
2.2.
Voor de beoordeling van de disciplinaire straf zijn de volgende vragen relevant:
  • Heeft eiser de verweten gedragingen begaan, dan wel is voldoende aannemelijk geworden dat hij deze gedragingen heeft begaan?
  • Kunnen de vastgestelde gedragingen worden gekwalificeerd als plichtsverzuim?
  • Kunnen deze gedragingen aan eiser worden toegerekend?
  • Is de opgelegde straf evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim?
2.3.
De rechtbank zal aan de hand van de beroepsgronden van eiser en de hiervoor genoemde vragen beoordelen of het onvoorwaardelijk strafontslag in stand kan blijven.
Heeft eiser de verweten gedragingen begaan, dan wel is voldoende aannemelijk geworden dat hij deze gedragingen heeft begaan?
3.1.
Verweerder heeft aan het strafontslag ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan fysiek geweld richting zijn partner, met letsel tot gevolg en het besturen van een auto onder invloed van meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol. Volgens verweerder rechtvaardigen deze gedragingen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, het opleggen van een strafontslag aan eiser.
3.2
Om een disciplinaire maatregel op te kunnen leggen vanwege plichtsverzuim is het noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat – in dit geval – eiser de hem verweten gedragingen heeft begaan.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan fysiek geweld jegens zijn ex-partner, waarbij letsel is toegebracht. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisanten op 26 december 2023 omstreeks 1.00 uur bij de woning van de toenmalige partner van eiser arriveerden. Zij constateerden dat de partner moeizaam ademde en herhaaldelijk naar haar rechterribben greep. De ex-partner verklaarde ter plaatse dat zij door eiser was geschopt en daarbij onder meer een harde trap tegen haar ribben had gekregen. Eiser betwist niet dat hij zijn ex-partner heeft geduwd en geschopt; hij stelt alleen dat hij dit minder vaak heeft gedaan dan zijn ex-partner heeft verklaard en dat het letsel minder ernstig bleek te zijn dan eerst werd aangenomen. Ook heeft eiser ter zitting verklaard dat zijn toenmalige partner was begonnen met het fysieke geweld en hij op haar heeft gereageerd door haar een trap te geven.
Op grond van de verklaringen van de ex-partner en eiser zelf is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser zijn ex-partner heeft geschopt en dat zij daarvan letsel heeft ondervonden. Dat letsel blijkt immers uit de medische beoordeling door de spoedeisende hulp, waarin staat dat verschillende kneuzingen en klinische ribfracturen zijn vastgesteld bij de toenmalige partner van eiser. Het is dus voldoende aannemelijk dat eiser fysiek geweld heeft gebruikt en daarbij letsel bij zijn toenmalige partner heeft veroorzaakt, zoals door verweerder aan het strafontslag ten grondslag is gelegd. Het exacte aantal trappen en het precieze letsel doen hieraan niet af. Ook is in deze beoordeling niet relevant wie het fysieke geweld heeft geïnitieerd. Het gaat op dit punt in de toets enkel om de vraag of eiser de verweten gedragingen heeft begaan. Niet wat de omstandigheden daartoe waren.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat ook voldoende aannemelijk is geworden dat eiser met meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol op, een auto heeft bestuurd. Eiser heeft erkend dat hij na het incident in de woning van zijn ex-partner met zijn eigen auto naar huis is gereden. Ook heeft hij erkend bij zijn ex-partner alcohol te hebben gedronken. Zowel eiser als zijn ex-partner hebben verklaard dat hij in de middag en avond van 25 december 2023 meerdere alcoholische dranken heeft gedronken, waaronder vier tot vijf flesjes triple bier. Rond middernacht is eiser naar huis gereden waar hij naar eigen zeggen nog een halve liter bier heeft gedronken. Op 26 december 2023 rond 4.20 uur in de ochtend is bij eiser een Dräger-test afgenomen, die een waarde van 545 µg/l aangaf, terwijl de wettelijke toegestane grens 220 µg/l is. Naar het oordeel van de rechtbank is het verschil tussen het bij eiser gemeten µg/l en de wettelijke toegestane grens zo groot, dat niet aannemelijk is dat deze overschrijding enkel is ontstaan door de halve liter bier die eiser bij thuiskomst heeft gedronken. Dat brengt mee dat eveneens aannemelijk is dat eiser op het moment dat hij die nacht in zijn auto naar huis reed meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol op had. Gezien de gemeten hoeveelheid alcohol in de uitgeademde lucht, de hoeveelheid consumpties in de middag en avond van 25 december 2023 en de omstandigheid dat hij na thuiskomst niet meer dan een halve liter bier heeft gedronken, is voldoende aannemelijk dat zijn alcoholgehalte op het moment van het besturen van de auto boven de wettelijke limiet van 220 µg/l lag. Dat het Openbaar Ministerie onvoldoende aanleiding heeft gezien voor een strafrechtelijke vervolging voor rijden onder invloed, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. Zoals gezegd is de toets in het bestuursrecht immers een andere dan in het strafrecht.
3.5.
De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat het voldoende aannemelijk is dat eiser beide hem verweten gedragingen heeft begaan.
Kunnen de vastgestelde gedragingen worden gekwalificeerd als plichtsverzuim?
4.1.
Artikel 76, tweede lid, van het Barp bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift omvat als het verrichten of nalaten van handelingen die een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten. Dit criterium wordt door de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) objectief gehanteerd: het gaat niet om de persoonlijke overtuigingen of intenties van de ambtenaar, maar om het gedrag dat een redelijk handelende ambtenaar in dezelfde functie en omstandigheden zou vertonen. [3] Ook gedragingen buiten werktijd kunnen onder omstandigheden in strijd zijn met wat een goed ambtenaar behoort na te laten of te doen en daarmee plichtsverzuim opleveren. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gedrag, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst schaadt of wanneer privégedrag en de hoedanigheid als ambtenaar onvoldoende van elkaar zijn te scheiden. Grensoverschrijdend gedrag of handelingen die het functioneren of imago van de dienst substantieel kunnen beïnvloeden, vallen hier eveneens onder.
4.2.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Gelet op de specifieke taakstelling van de politie dienen aan politieambtenaren hoge eisen te worden gesteld op het gebied van integriteit en betrouwbaarheid. Een politieambtenaar moet zich ervan bewust zijn dat hij zich moet onthouden van gedragingen die maatschappelijk niet aanvaardbaar zijn. Van dergelijke gedragingen is sprake wanneer wettelijke en maatschappelijke normen worden overtreden. Eiser heeft door het gebruik van fysiek geweld en het besturen van zijn auto onder invloed van meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol regels overtreden die hij als politieambtenaar juist moet handhaven. Te allen tijde, dus ook in een privésituatie, is eiser verantwoordelijk voor het naleven van de betrouwbaarheids- en integriteitseisen die zijn verbonden aan werken bij de politie in het algemeen en het uitvoeren van zijn functie in het bijzonder. Gelet op dit uitgangspunt, volgt de rechtbank verweerder in diens standpunt dat eiser door de hem verweten gedragingen een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de aan hem te stellen betrouwbaarheids- en integriteitseisen. Deze gedragingen kunnen het imago van de politie nadelig beïnvloeden. Naar het oordeel van de rechtbank doet de context waarin deze gedragingen hebben plaatsgevonden hieraan niet af, en zijn beide handelingen op zichzelf aan te merken als plichtsverzuim.
Kunnen deze gedragingen eiser worden toegerekend?
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim, een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van belang of het wangedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of eiser ten tijde van de gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en of hij in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen en de gedraging achterwege te laten. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. [4]
5.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het plichtsverzuim hem, gelet op de algehele context, niet kan worden toegerekend. Hij voert aan dat zowel hij als zijn ex-partner onder invloed van alcohol waren en dat zijn ex-partner hem als eerste een trap heeft gegeven, hetgeen zij ook heeft erkend. Hierdoor zou het voor eiser emotioneel zijn geëscaleerd, waarna hij een black-out kreeg en hij aldus heeft gehandeld. Omdat hij vervolgens van zijn ex-partner het huis moest verlaten, had eiser de auto gepakt om naar huis te rijden. Dat was aanvankelijk namelijk helemaal niet de bedoeling geweest. Volgens eiser is bovendien ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat het gedrag van zijn ex-partner volgens hem de aanleiding vormde voor zijn eigen handelen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het plichtsverzuim aan eiser worden toegerekend. Niet is gesteld of gebleken dat hij ten tijde van de gebeurtenissen psychisch of feitelijk niet in staat was om zijn gedrag te overzien of te sturen. Evenmin heeft eiser aangevoerd dat sprake was van daadwerkelijk noodweer of enige andere rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de context van de gebeurtenissen de verwijtbaarheid wegneemt. Dat er sprake was van een beladen privésituatie wordt niet miskend, maar ook in emotioneel hoog oplopende omstandigheden blijft eiser verantwoordelijk voor zijn eigen handelen, ook als die handelingen een reactie zijn op het handelen van een ander. De omstandigheid dat hij door de eerste trap van zijn ex-partner geëmotioneerd raakte, neemt de verwijtbaarheid van zijn eigen handelen niet weg, temeer nu van een politieambtenaar een verhoogd normbewustzijn en zelfbeheersing mag worden verwacht. Daarnaast heeft eiser zijn voertuig bestuurd terwijl hij meer alcohol had gedronken dan wettelijk is toegestaan. Ook nu dit niet het oorspronkelijk plan was (eiser zou immers blijven slapen), is wel aan eiser toe te rekenen dat hij in de auto is gestapt en is weggereden terwijl hij daarvoor teveel had gedronken. Hij had immers ook naar huis kunnen lopen of een taxi kunnen bellen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank beide gedragingen volledig aan eiser toerekenbaar.
Is de opgelegde straf evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim?
6.1.
De rechtbank beoordeelt tot slot of verweerder gelet op de begane gedragingen in redelijkheid tot het opleggen van een onvoorwaardelijk strafontslag heeft kunnen komen.
6.2.
Ter zitting heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd of alternatieve disciplinaire maatregelen zijn overwogen. Verweerder heeft daarop verklaard dat, gelet op de ernst van de gedragingen van eiser, uitsluitend een onvoorwaardelijk strafontslag passend wordt geacht. Verweerder heeft toegelicht dat bij huiselijk geweld steeds een onvoorwaardelijk strafontslag wordt opgelegd, terwijl bij rijden onder invloed doorgaans wordt volstaan met een voorwaardelijk strafontslag. In dit geval acht verweerder de gedragingen van eiser echter van zodanige ernst dat deze, zowel in onderlinge samenhang als ieder voor zich, een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigen.
6.3.
Eiser vindt de opgelegde straf onevenredig gelet op de gehele context van het incident. Hij voert daarbij aan dat niet hij maar zijn ex-partner als eerste heeft geschopt. Ook zij is politieambtenaar, maar anders dan tegen eiser is tegen haar niet disciplinair opgetreden. Eiser ervaart het daarom als onrechtvaardig dat hem de zwaarste maatregel is opgelegd, terwijl zijn ex-partner eveneens een aandeel in het incident heeft gehad, geweld heeft toegepast en hiervoor zelfs geen waarschuwing heeft ontvangen.
6.4.
De rechtbank begrijpt dat eiser dit laatste als ongelijkwaardig en onrechtvaardig ervaart. In dat kader had het verweerder gesierd om naar eiser toe erkenning te geven voor het aandeel van de ex-partner tijdens of in aanloop naar het incident en voor eiser inzichtelijk te maken waarom er geen onderzoek naar haar (handelen) is gedaan en waarom niet is overgegaan tot het opleggen van een waarschuwing of (voorwaardelijke) disciplinaire maatregel. Verweerder is immers werkgever van beide betrokkenen en heeft ook vanuit de aard van de politie tot taak de feiten objectief en onafhankelijk te onderzoeken. Als dit was gedaan, dan had dat in een vroeg stadium mogelijk de gevoelens van onrechtvaardigheid bij eiser kunnen wegnemen. Op de zitting is nog steeds niet helder geworden of is overwogen onderzoek te doen naar de ex-partner en wat de beweegredenen van verweerder zijn geweest om niet tegen de ex-partner op te treden. Eventuele maatregelen jegens zijn ex-partner vormen echter geen onderdeel van het bestreden besluit en staan daarom in deze procedure niet ter beoordeling.
6.5.
Voor wat betreft de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde straf, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt allereerst vast dat de gebeurtenissen op de avond en nacht van 25 op 26 december 2023 grote gevolgen voor eiser hebben gehad. In één avond is eiser zijn baan en zijn relatie kwijtgeraakt. Dit zijn twee heftige levensgebeurtenissen. De rechtbank begrijpt dan ook goed dat eiser hierdoor emotioneel erg is geraakt. De rechtbank begrijpt ook dat er voor eiser veel op het spel staat in deze procedure en dat hij graag zijn voormalige functie, die voor hem jarenlang van grote betekenis is geweest, zou willen terugkrijgen. Verweerder heeft echter de ernst van eisers gedragingen benadrukt en erop gewezen dat er binnen de organisatie geen ruimte meer voor hem is. Verweerder heeft wel erkend dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat eiser jarenlang goed heeft gefunctioneerd in zijn functie. De rechtbank onderkent dat eiser door zijn eigen handelen in een moeilijke persoonlijke en financiële situatie is terechtgekomen en dat hij, los van de uitkomst van deze procedure, zijn toekomst opnieuw zal moeten vormgeven. De rechtbank hoopt ook dat eiser zichzelf de kans gunt het leven weer op te pakken.
6.6.
Meer toegespitst op de concrete gedragingen en de vraag of de opgelegde straf evenredig is aan die gedragingen, onderkent de rechtbank dat het incident zich heeft afgespeeld binnen een emotioneel hoogopgelopen situatie en zij begrijpt dat eiser vanuit die gemoedstoestand heeft gehandeld. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook dat eiser al zevenentwintig jaar in dienst is bij verweerder, in die periode steeds naar behoren heeft gefunctioneerd en dat uit de verklaringen van zijn familie en vrienden een beeld naar voren komt van een betrokken en integer persoon die op de betreffende avond, ernstige fouten heeft gemaakt. Deze factoren wegen in het voordeel van eiser en worden door de rechtbank niet miskend. Zij kunnen echter niet wegnemen dat de gedragingen van eiser, gezien hun aard en ernst, een ernstige aantasting vormen van de normen die van een politieambtenaar worden verwacht. Gelet op de ernst van het plichtverzuim is de rechtbank van oordeel dat verweerder met deze maatregel binnen zijn beoordelingsruimte is gebleven en het opleggen van een onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is tot de begane gedragingen en het daarmee samenhangende gepleegde plichtsverzuim.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de disciplinaire straf van ontslag heeft mogen opleggen. Dat betekent dat het beroep van eiser ongegrond is en het ontslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, voorzitter, en mr. J.A.W. Jansen en mr. E.M. Hansen-Löve, leden, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het Besluit algemene rechtspositie politie.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:252.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1914.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1182.