ECLI:NL:RBAMS:2026:1327

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
1332099325
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Roemenië

De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Roemenië voor de overlevering van een persoon geboren in 1999, zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Het EAB betreft een vrijheidsstraf van vier jaar en acht maanden voor mishandeling en diefstal door meerdere personen met braak, opgelegd door het Ploiești Court of Appeal.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) van toepassing is. Gezien het feit dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedures in Roemenië en de zaak definitief is afgedaan, is deze weigeringsgrond niet van toepassing.

Hoewel de rechtbank erkent dat er een algemeen risico bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling in Roemeense penitentiaire inrichtingen vanwege overbevolking, heeft zij de door de Roemeense autoriteiten verstrekte garanties beoordeeld. Deze garanties betreffen onder meer individuele celruimte, toegang tot activiteiten, en een quarantaineperiode met voldoende bewegingsvrijheid. De rechtbank concludeert dat deze garanties voldoende zijn om het risico voor de opgeëiste persoon te mitigeren.

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom wordt de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Roemenië toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel en verstrekte detentiegaranties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-320993-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 9 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2025 door
Judecătoria Târgovişte (Târgoviște District Court), Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 januari 2026, in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Sönmez, advocaat in Rotterdam, en door een telefonische tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the Târgoviște Court(no. 280/23.04.2025) dat deels is gewijzigd bij arrest van
the Ploiești Court of Appeal(no. 936/30.09.2025).
Het EAB vermeldt in onderdeel e) voorts een vonnis van
the Târgoviște Court(no. 766/10.12.2024), dat in hoger beroep onherroepelijk is geworden met het arrest van
the Ploiești Court of Appeal(no. 105/30.01.2025).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf moet volgens het EAB het voorarrest worden afgetrokken over de periode van 13 maart 2023 tot en met 17 maart 2023 en van 23 april 2024 tot en met 7 november 2025. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het arrest van
the Ploiești Court of Appealvan 30 september 2025.
De arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank zal daarom de beslissingen van
the Ploiești Court of Appealvan 30 september 2025 (no. 936) en van 30 januari 2025 (no. 105) aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
Ten aanzien van het arrest van the Ploiești Court of Appeal (no. 936/30.09.2025)
De aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 januari 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van het arrest van the Ploiești Court of Appeal (no. 105/30.01.2025)
In dit arrest heeft
the Ploiești Court of Appealaan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar aan de opgeëiste persoon opgelegd. De aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 16 januari 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom ook hier niet van toepassing.
De vrijheidsstraf van twee jaar is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. In het arrest van
the Ploiești Court of Appealvan 30 september 2025 (no. 936) is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen, waarbij op grond van de Poolse
Criminal Codede eerder opgelegde gevangenisstraf van twee jaar is verlaagd tot een derde (acht maanden). Dit heeft ertoe geleid dat in dit arrest aan de opgeëiste persoon een (gecombineerde) gevangenisstraf van vier jaar en acht maanden is opgelegd.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 en 16 januari 2026 volgt dat in dit geval de
triggerendeveroordeling het arrest van
the Ploiești Court of Appealvan 30 januari 2025 is. Zoals de rechtbank zojuist heeft overwogen, is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing op dit arrest.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
-
mishandeling;
-
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [6]
Op 13 januari 2026 heeft de
Chief Commissioner of Correctional Police [naam politie] – Director - Directorate for Detention Security and Prison Regime National Administration of Penitentiariesde volgende garantie verstrekt:
"If the person deprived of liberty is handed over to the Romanian authorities at Henri Coanda Airport in Bucharest, he will initially be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for a 21-day quarantine period, in a room that will provide him with a minimum space of 3 square metres. (…) Every person deprived of their liberty who is in quarantine and under observation is guaranteed the right to a daily walk for 2 hours. Furthermore, each prisoner is offered a range of activities to choose from, thus creating the opportunity to spend much more time outside their cell if they choose to participate. (...)
Given the length of the sentence, he will most likely serve his initial custodial sentence in a closed regime. At the same time, given his place of residence, he will most likely serve his sentence inMărgineni Prisonto begin with. (...) The detention cells at Mărgineni Penitentiary provide each convicted person with an individual bed, mattress and necessary bedding, and are equipped with the necessary furniture for storing personal belongings and for serving meals. The cells provide adequate ventilation and natural lighting, and, depending on weather conditions, the premises are heated to ensure an optimal temperature in the detention cells. Prisoners have permanent access to running water and sanitary facilities to meet their physiological needs. (...)
Main features of the closed regime:The daily schedule of persons assigned to the closed regime includes work, educational, cultural, therapeutic and sports activities, psychological and social counselling, moral and religious guidance, school education and vocational training, medical care, walks, rest time and other activities necessary to stimulate the interest of prisoners in the closed regime to take on responsibilities. (...)Prisoners in closed regime who, for various reasons, are not employed in work, educational or vocational training activities, shall engage in walking, education, psychological and social assistance, sports and religious activities for a minimum of 4 hours per day. In addition, prisoners who do not work and do not participate in other activities are entitled to at least 3 hours of daily exercise, and those who work, participate in education programmes or psychological and social assistance are entitled to at least one hour of daily walking. (...)
[de opgeëiste persoon] shall have a minimum individual space of 3 square metres, throughout the period of his sentence (...)."
Stanpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de individuele detentiegarantie volstaat. De opgeëiste persoon wordt in eerste instantie in
Bucharest-Rahova Penitentiarygeplaatst en vervolgens in
Mărgineni Prison, in het gesloten regime.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie [7] , uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken van penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de hierboven vermelde informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie in
the Bucharest-Rahova Penitentiaryzal worden geplaatst en daarna naar alle waarschijnlijkheid in het gesloten regime in
Mărgineni Prison.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 13 januari 2026. [8] De rechtbank is, gelet op deze garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Judecătoria Târgovişte (Târgoviște District Court), Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau en N.F.M. de Koning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
6.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.
8.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.