ECLI:NL:RBAMS:2026:1334

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
11743683 \ CV EXPL 25-8178
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:660a BWArt. 6:119 BWArt. 14 lid 2 sub g Arbowet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonstop werkgever wegens weigering werknemer fysiek consult bedrijfsarts in Nederland

Werknemer is in dienst bij Concentrix en vertrekt voor een familiaire aangelegenheid naar Portugal, waar hij ziek wordt. Ondanks het advies van de bedrijfsarts om fysiek aanwezig te zijn bij afspraken in Nederland, keert werknemer niet terug. Werkgever past daarom een loonstop toe vanaf 21 maart 2024.

De kantonrechter oordeelt dat het verzoek van werkgever om fysiek aanwezig te zijn bij de bedrijfsarts een redelijk voorschrift is binnen het kader van re-integratieverplichtingen. De door werknemer overgelegde Portugese doktersverklaringen bieden onvoldoende medische grond om niet te reizen. Ook het verzoek om een second opinion is ten onrechte geweigerd, maar dit leidt niet tot opschorting van de lopende afspraken.

De loonstop is daarom terecht vanaf 21 maart 2024 tot het einde van het dienstverband op 20 november 2024. Wel wordt de loonstop over de periode 1 tot en met 20 maart 2024 als onterecht erkend en wordt nabetaling met wettelijke rente en verhoging toegewezen. Daarnaast moet werkgever gecorrigeerde loonstroken en jaaropgave verstrekken en proceskosten betalen.

Uitkomst: Loonstop werkgever is terecht vanaf 21 maart 2024, nabetaling en proceskosten worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11743683 \ CV EXPL 25-8178
Vonnis van 3 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] , Portugal,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.R. Versluis,
tegen
CONCENTRIX INTERNATIONAL EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Concentrix,
gemachtigde: mr. J.A.J. Hooymayers.
De zaak in het kort
Werknemer vertrekt naar Portugal voor een familiaire aangelegenheid en wordt aldaar ziek. Tegen het advies van de bedrijfsarts in keert werknemer niet terug naar Nederland. Daarom past werkgever een loonstop toe. De kantonrechter oordeelt dat het verzoek van werkgever om naar Nederland af te reizen en om fysiek aanwezig te zijn bij afspraken met de bedrijfsarts is aan te merken als een redelijk voorschrift. De door werknemer overgelegde doktersverklaringen uit Portugal leiden niet tot een ander oordeel. De loonvordering van werknemer wordt grotendeels afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 26 augustus 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen.
1.2.
Op 7 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. Versluis. Voor Concentrix was mr. Hooymayers aanwezig. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen, mede aan de hand van pleitnotities, naar voren hebben gebracht.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is met ingang van 20 november 2023 voor de duur van één jaar in dienst getreden bij Concentrix. Laatstelijk was hij 40 uur per week werkzaam in de functie van [functie] tegen een salaris van € 5.099,42 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.
2.2.
Op 21 december 2023 is [eiser] naar Portugal vertrokken in verband met een familiair noodgeval. Zijn hond, die bij zijn moeder verbleef, lag op sterven en kon niet langer door zijn moeder verzorgd worden. Op 23 december 2023 heeft Concentrix bevestigd dat aan [eiser] twee dagen calamiteitenverlof werden toegekend.
2.3.
Op 24 december 2023 is de hond overleden en op 25 december 2023 heeft [eiser] zich ziekgemeld wegens fysieke en psychische klachten.
2.4.
Op 28 december 2023 heeft [eiser] per e-mail aan Concentrix een doktersverklaring en door dezelfde dokter afgegeven ‘certificaat van tijdelijke ongeschiktheid’ opgestuurd. In de – door [eiser] vertaalde – verklaring staat, voor zover van belang, het volgende:
“Arts (...) verklaart op professionele eer dat [eiser] sinds 24 december ziek is en symptomen vertoont die tot op heden voortduren. Hij begint vandaag met de juiste therapie. Gezien de situatie moet hij momenteel reizen vermijden. (…)”
In het certificaat is de periode van arbeidsongeschiktheid bepaald op 25 december 2023 tot en met 3 januari 2024.
2.5.
Op 4 januari 2024 heeft [eiser] Concentrix geïnformeerd dat hij op advies van de dokter met een therapietraject voor de duur van één maand is gestart in Portugal.
2.6.
Op 23 januari 2024 is [eiser] (digitaal) bij de bedrijfsarts op spreekuur geweest. In de rapportage van dit consult staat, voor zover van belang, het volgende:
“Advies:
  • Een time-out van tenminste 4 weken is te rechtvaardigen voor bevordering van zijn herstel.
  • Behandeling is tot eind januari in het buitenland en advies is om al deze week contact op te nemen met een behandelaar in Nederland. Zodat als hij in februari 2024 terug is dan kan hij meteen contact hebben met zijn behandelaar. Adviezen om hij hiermee moet omgaan zijn gegeven aan betrokkende.
  • Wekelijks contact met WG. Als hij in Nederland is dan is het belangrijk dat hij fysieke contacten blijft behouden Vanuit medisch oogpunt is het bevorderd om 1x per week fysiek contact te hebben tussen WG en WN als hij terug in Nederland is.
  • Herbeoordeling: Gaarne FYSIEK consult over 4 weken bij ondertekende
(…)
Antwoord op specifieke vraagstelling
- Wat zijn de mogelijkheden, randvoorwaarden en beperkingen voor werken?
(…) De voorwaarde voor ziekteverzuim is dat betrokkene in Nederland zijn behandeling volgt.
- Is er sprake van een reisbeperking?
nee
- Wat is de prognose voor (gedeeltelijke) werkhervatting in eigen of aangepaste werkzaamheden?
Na 4 weken time out dan wordt er geevalueerd als arbeidstherapeutisch gestart kan worden.
(…)
- Wat kan mijn werknemer nog meer doen om de re-integratie te bevorderen?
Op tijd beginnen te zoeken naar persoonlijke behandelaar in Nederland.”
2.7.
Op 31 januari 2024 heeft [eiser] gevraagd om een second opinion van een andere bedrijfsarts. Dit verzoek is op 1 februari 2024 door de arbodienst afgewezen. [eiser] heeft daarna nogmaals om een second opinion verzocht, waarna dit verzoek opnieuw is afgewezen. Op 4 februari 2024 heeft [eiser] een – ongedateerde – verklaring van een ‘psicóloga clínica’ aan Concentrix toegestuurd, waarin onder meer staat vermeld:
“(…) it is not recommended that the patient travels until further assessment. (…) It is recommended that the patient continues treatment, with an expected duration of one month (…).
2.8.
Op 20 februari 2024 heeft Concentrix aan [eiser] bericht dat een loonstop zou worden toegepast, omdat [eiser] die dag niet aanwezig was bij het spreekuur van de bedrijfsarts. [eiser] heeft hierop per e-mail het volgende gereageerd:
“(..) I was shocked by your email given that [naam] last email mentioned that my appointment was on the 21st and not the 20th. Therefore I assumed his information was the correct one and I was prepared to come to the in person appointment on the 21st.
2.9.
Concentrix heeft op 23 februari 2024 excuses aangeboden voor de verwarring over de datum van de afspraak met de bedrijfsarts. Op 26 februari 2024 heeft Concentrix [eiser] toestemming gegeven om de afspraak met de bedrijfsarts op 27 februari 2024 digitaal bij te wonen. Het advies van de bedrijfsarts voor terugkeer van [eiser] naar Nederland bleef gehandhaafd. In de rapportage van dit consult staat, voor zover van belang, het volgende: “
There is clearly a problem. But it is unclear to me if there is medically objectifiable illness or disability. I cannot assess problem digitally. Also there is no adequate treatment according to Dutch protocols. He has not followed my previous advice and that of his practitioners. (…) The person concerned does not have a travel restriction, as he can travel long distances and does so occasionally for intervention. If necessary, he travels about 3-4 hours by public transport (…).” [eiser] heeft daarop opnieuw verzocht om een nieuwe bedrijfsarts. Dit verzoek is afgewezen.
2.10.
Op 21 maart 2024 heeft Concentrix per brief aangekondigd een loonstop toe te passen.
2.11.
Op 3 april 2024 heeft [eiser] een motorongeluk gehad. [eiser] heeft op 4 april 2024 bij Concentrix gemeld pijnklachten te ervaren en daarbij een doktersverklaring overgelegd in de vorm van een ‘certificaat van tijdelijke arbeidsongeschiktheid’ voor de duur van 3 april tot en met 14 april 2024. [eiser] is vervolgens opgeroepen voor een fysiek consult met de bedrijfsarts op 30 april 2024. Op 17 april 2024 heeft [eiser] verzocht om dit consult om te zetten naar een online consult. Dit verzoek heeft de arbodienst op 22 april 2024 afgewezen. [eiser] is niet tijdens het consult van 30 april 2024 verschenen.
2.12.
[eiser] heeft nadien aan Concentrix een verklaring van een Portugees ziekenhuis dat hij daar op 30 april 2024 voor onderzoek was gezonden en nog een aantal ‘certificaten van tijdelijke arbeidsongeschiktheid’ voor opeenvolgende periodes.
2.13.
Op 17 september 2024 heeft Concentrix [eiser] per e-mail geïnformeerd dat zijn contract niet zal worden verlengd.
2.14.
Op 14 oktober 2024 heeft het UWV een deskundigenoordeel afgegeven. Het UWV overweegt dat de werkgever weigert een toelichting te geven op de vragen van de arbeidsdeskundige en concludeert op grond daarvan – kort gezegd – dat de re-integratie-inspanningen van Concentrix op dat moment onvoldoende zijn. Op 10 februari 2025 heeft het UWV opnieuw een deskundigenoordeel afgegeven. Daarin is het volgende, voor zover van belang, opgenomen:
“(…) Vanwege verschillende redenen kan ik op dit moment geen zorgvuldig deskundigenoordeel afgeven. Allereerst is recent de belastbaarheid van de werknemer niet vastgesteld en bovendien verschillen de mening van beide partijen aanzienlijk. Dus geen oordeel.”
2.15.
Op 20 november 2024 is de arbeidsovereenkomst geëindigd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Concentrix tot betaling van achterstallig loon, primair € 34.114,57 bruto exclusief 8% vakantiegeld en subsidiair € 2.631,96 bruto exclusief 8% vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, rente en kosten. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van Concentrix tot afgifte van gecorrigeerde loonstroken, jaaropgave en eindspecificatie op straffe van een dwangsom.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Concentrix ten onrechte een loonstop heeft toegepast. Het verzoek van Concentrix om naar Nederland af te reizen en om fysiek aanwezig te zijn bij de afspraken met de bedrijfsarts is volgens [eiser] geen redelijk voorschrift, omdat [eiser] door zijn dokters in Portugal werd geadviseerd om niet te reizen. De onterechte stopzetting van het loon heeft tot gevolg dat Concentrix de wettelijke verhoging verschuldigd is en de wettelijke rente.
3.3.
Concentrix voert verweer. Zij voert aan dat [eiser] gedurende zijn arbeidsongeschiktheid moet meewerken aan redelijke maatregelen en voorschriften in het kader van zijn re-integratie. Het verzoek om naar Nederland af te reizen en om fysiek aanwezig te zijn bij afspraken met de bedrijfsarts valt daar onder. Dit heeft [eiser] ten onrechte geweigerd. De loonstop is daarom terecht doorgevoerd over de periode 21 maart tot en met 21 november 2024. Wel erkent Concentrix dat zij geen loonstop heeft mogen toepassen tussen 1 maart en 21 maart 2024. Dit is een vergissing en een nabetaling van het loon over deze periode zal volgen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van Concentrix is dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij geen deskundigenoordeel heeft overgelegd. Het deskundigenoordeel van 10 februari 2025 volstaat volgens Concentrix niet. Hierin concludeert het UWV dat zij geen inhoudelijk oordeel kan geven, onder meer omdat de belastbaarheid van [eiser] niet recentelijk is vastgesteld. Dit laatste is aan [eiser] te wijten en daarom moet hij in zijn vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, zo stelt Concentrix.
4.2.
De kantonrechter volgt Concentrix hierin niet. Voor de beoordeling van een loonvordering als de onderhavige is op grond van artikel 7:629a lid 1 juncto 7:660a Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat een deskundigenoordeel wordt overgelegd. Dit heeft [eiser] gedaan. De omstandigheid dat het UWV geen inhoudelijk deskundigenoordeel heeft kunnen geven, doet hier niet aan af. [eiser] is ontvankelijk in zijn vordering.
Loonstop
4.3.
Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of Concentrix de loonbetaling heeft mogen staken vanaf 21 maart 2024 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te weten 20 november 2024.
4.4.
Artikel 7:629 lid 1 BW Pro bepaalt dat een werknemer in geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte het recht op loon behoudt, tenzij de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten (lid 3 sub d). Deze uitsluitingsgrond correspondeert met de in artikel 7:660a lid 1 onder a BW opgenomen re-integratieverplichtingen voor de werknemer: de werknemer is verplicht gevolg te geven aan redelijke voorschriften en mee te werken aan maatregelen die erop zijn gericht hem zijn eigen of andere passende arbeid te laten verrichten. Op de werkgever rust de plicht zijn werknemer zo nodig te dwingen mee te werken aan re-integratie, door middel van maatregelen zoals een loonsanctie.
4.5.
De vraag die moet worden beantwoord is of het verzoek van Concentrix om naar Nederland af te reizen en om fysiek aanwezig te zijn bij de afspraken met de bedrijfsarts is aan te merken als een redelijk voorschrift. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit het geval. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.6.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een redelijk voorschrift, omdat hij niet in staat was om te reizen. Dit blijkt volgens [eiser] uit de door hem overgelegde doktersverklaringen en ‘certificaten van arbeidsongeschiktheid’. Daarom is het niet redelijk om hem op te dragen naar Nederland af te reizen en om fysiek aanwezig te zijn bij afspraken met de bedrijfsarts. Dit heeft [eiser] ook meerdere keren bij Concentrix kenbaar gemaakt. [eiser] heeft Concentrix altijd op de hoogte gehouden van recente ontwikkelingen over zijn medische situatie. Concentrix heeft telkens een escalerende houding gehad en zij was niet bereid om mee te denken met [eiser] , terwijl zij dit als goed werkgever wel had moeten doen, zo stelt [eiser] .
4.7.
De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog. In Nederland is de bedrijfsarts degene die moet vaststellen of een werknemer in staat is om (passende) werkzaamheden uit te voeren. De werkgever moet bij het vormgeven van de re-integratie afgaan op het advies van de bedrijfsarts. Volgens de bedrijfsarts was de fysieke aanwezigheid van [eiser] op het spreekuur noodzakelijk om de mate van arbeids(on)geschiktheid van [eiser] vast te stellen. Ook was het volgens de bedrijfsarts noodzakelijk dat [eiser] naar Nederland af zou reizen om behandelingsmogelijkheden in Nederland te onderzoeken en om fysiek contact te onderhouden met Concentrix. Het afreizen naar Nederland is daarmee nodig voor de re-integratie van [eiser] . Het voorschrift van Concentrix is daarom gepast en niet onredelijk. Van [eiser] mocht dan ook worden verwacht dat hij hieraan mee zou werken, tenzij objectieve medische gronden daaraan in de weg zouden staan. Ook op dit punt is de werkgever afhankelijk van het medisch oordeel van de bedrijfsarts en mag zij daarop vertrouwen. De bedrijfsarts heeft Concentrix geadviseerd dat er geen medische reisbeperking was.
4.8.
De stelling van [eiser] dat hij niet naar Nederland af kon reizen vanwege zijn psychische klachten, wordt niet gevolgd. Aan de verschillende doktersverklaringen uit Portugal kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet veel gewicht worden toegekend. Alleen op 28 december 2023 heeft een arts met zo veel woorden verklaard dat [eiser] op dat moment (“
momenteel”) reizen zou moeten vermijden en op enig moment – in een ongedateerde verklaring – heeft een ‘psicóloga clínica’ verklaard dat het voorlopig (“
until further assessment”) niet aanbevolen is dat hij reist. Aangezien zijn psychische klachten dateren uit december 2023 en de verklaring van de ‘psicóloga clínica’ duidt op een eerste consult, kan niet uitgesloten worden dat deze verklaring in december is opgesteld. Temeer nu [eiser] gesteld heeft dat hij in februari bereid was om fysiek op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen, maar dat de gevolgen van een motorongeluk op 3 april 2024 daaraan vervolgens in de weg stonden. Uit de door hem tot aan het eind van de arbeidsovereenkomst periodiek toegezonden door het Portugese ministerie van volksgezondheid gestandaardiseerde ‘certificaten van tijdelijke arbeidsongeschiktheid’ valt niet op te maken dat er sprake is van een reisbeperking. Het op dit standaardformulier voorgedrukte voorschrift
“Verblijf in de woning (In geval van arbeidsongeschiktheid door ziekte van begunstigde) De patiënt mag de woning alleen verlaten voor behandeling. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de arts toestemming geven voor afwezigheid van 11.00 tot 15.00 uur en van 18.00 tot 21.00 uur)”representeert geen medisch oordeel van de dokter die de verklaring afgeeft en is kennelijk een algemeen geldend voorschrift voor arbeidsongeschikten in Portugal. Daarnaast heeft [eiser] in zijn e-mail van 20 februari 2024 medegedeeld dat hij bereid was om op 21 februari 2024 fysiek aanwezig te zijn op het spreekuur met de bedrijfsarts. [eiser] vond dus kennelijk zelf ook dat hij in februari 2024 in staat was om te reizen. Door het misverstand over de consultdatum is [eiser] vervolgens toegestaan om op het tweede consult met de bedrijfsarts op 27 februari 2024 niet fysiek, maar digitaal te verschijnen. Blijkens de daarvan opgestelde rapportage is toen opnieuw met hem besproken dat de bedrijfsarts een fysiek consult nodig acht en geen reisbeperking aanwezig acht. Gelet op dit herhaalde advies van de bedrijfsarts en de door hem gestelde bereidheid om op 21 februari 2024 fysiek aanwezig te zijn, had van [eiser] verwacht mogen worden dat hij naar Nederland zou afreizen.
4.9.
Nadat in maart een loonstop was aangekondigd, heeft [eiser] op 4 april 2024 aan Concentrix medegedeeld dat hij op dat moment niet in staat was om te reizen naar Nederland vanwege zijn fysieke klachten als gevolg van een motorongeluk op 3 april 2024. Daarbij beroept [eiser] zich slechts op een ‘certificaat van tijdelijke arbeidsongeschiktheid’ van 4 april 2024, waaruit – zoals hierboven is overwogen – geen reisbeperking op medische gronden blijkt. [eiser] kan niet gevolgd worden in zijn overigens niet onderbouwde stelling dat het motorongeluk vervolgens in de weg stond aan een terugkeer naar Nederland. Dat [eiser] , zoals hij op zitting verklaarde, op enig moment voor fysieke ondersteuning gebruik maakte van krukken staat als zodanig aan reizen niet in de weg. Het overgelegde certificaat volstaat niet, omdat de tekst hiervan gestandaardiseerd is en geen specifieke medische informatie vermeldt. Het daarin voorgedrukte voorschrift sluit aan bij het algemeen gegeven dat je thuis moet blijven als je je hebt ziekgemeld bij je werkgever, maar zegt niets over de (on)mogelijkheid om te kunnen reizen. Ook over de mate van arbeidsongeschiktheid en mogelijkheid van het verrichte van passende werkzaamheden in een re-integratietraject is in deze verklaring niets te vinden, zodat dit voor de bedrijfsarts – zoals in diens rapportage ook is aangegeven – geen bruikbare informatie oplevert.
4.10.
Gezien het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting zijn stelling dat hij een deugdelijke grond had om niet mee te werken aan het door de bedrijfsarts gegeven voorschrift om fysiek op het spreekuur te verschijnen, omdat hij medisch niet in staat was om naar Nederland af te reizen, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd heeft. Daardoor komt de kantonrechter aan het opdragen van bewijs niet toe. Het in de dagvaarding gedane bewijsaanbod van [eiser] wordt daarom gepasseerd.
4.11.
[eiser] heeft verder gesteld dat hij meerdere keren om een second opinion van een andere bedrijfsarts heeft verzocht, maar dat deze verzoeken telkens ten onrechte zijn afgewezen. De kantonrechter overweegt dat zo’n verzoek alleen in geval van zwaarwegende redenen kan worden afgewezen (artikel 14 lid 2 sub g Arbowet Pro). Dat die zwaarwegende redenen er in dit geval zijn, is niet gesteld of gebleken. Het verzoek van [eiser] om een second opinion had dan ook moeten worden gehonoreerd. Maar ook als dit het geval zou zijn geweest, geldt dat een second opinion geen opschortende werking heeft. Dit betekent dat wanneer de werknemer een second opinion aanvraagt, de lopende afspraken met de eerste bedrijfsarts en werkgever ten aanzien van re-integratie doorlopen. In dit geval heeft [eiser] direct na het advies van de bedrijfsarts om een second opinion van een andere bedrijfsarts gevraagd, terwijl [eiser] op geen enkel moment het advies van de bedrijfsarts opgevolgd. Dat zijn verzoek om een second opinion ten onrechte is geweigerd, leidt onder de gegeven omstandigheden daarom niet tot een ander oordeel.
4.12.
Tot slot beroept [eiser] zich op het deskundigenoordeel van 14 oktober 2024 en 10 februari 2025. Uit de overgelegde deskundigenoordelen blijkt evenwel dat van Concentrix geen inhoudelijke reactie is gekomen op de gestelde vragen. Er heeft dus geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Aan deze deskundigenoordelen komt gezien de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen dan ook geen doorslaggevende betekenis toe.
4.13.
De conclusie is dat het gegeven voorschrift gepast en niet onredelijk is en dat [eiser] zonder deugdelijke grond dit voorschrift niet heeft opgevolgd. Ondanks de adviezen van de bedrijfsarts en een loonstop is [eiser] zich op het standpunt blijven stellen dat hij zich niet in staat achtte om naar Nederland af te reizen, terwijl uit voornoemde adviezen niet is gebleken van een (medische) reden die [eiser] daartoe geheel verhinderde. Daarmee is voldoende gebleken dat [eiser] de op hem rustende re-integratieverplichting heeft geschonden. Concentrix heeft daarom op goede gronden een loonsanctie mogen toepassen vanaf 21 maart 2024. Het primair gevorderde bedrag van € 34.114,57 aan achterstallig loon wordt daarom afgewezen.
4.14.
[eiser] vordert subsidiair betaling van € 2.631,96 bruto (exclusief 8% vakantiegeld) aan achterstallig loon over de periode 1 maart tot en met 20 maart 2024. Partijen zijn het erover eens dat Concentrix over deze periode geen loonstop heeft mogen toepassen. Concentrix heeft immers toegelicht dat zij een vergissing heeft gemaakt en dat een nabetaling van dit loon zal volgen. Nu ter zitting is gebleken dat [eiser] deze nabetaling nog niet heeft ontvangen, wijst de kantonrechter deze vordering toe, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 50%. Anders dan Concentrix heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een matiging van de wettelijke verhoging tot 10%.
Nevenvorderingen
4.15.
De gevorderde afgifte van gecorrigeerde loonstroken, jaaropgave en deugdelijke eindspecificatie wordt als niet weersproken toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde dwangsom voor de afgifte te matigen tot € 100,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00.
4.16.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten, primair begoot op € 1.116,15. Mede gelet op de betwisting van Concentrix heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat er werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan de wettelijke tarieven van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het subsidiair gevorderde bedrag van € 388,20 komt overeen met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en zal daarom worden toegewezen.
4.17.
De gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de opeisbaarheid wordt als niet weersproken toegewezen.
Proceskosten
4.18.
Concentrix is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Concentrix niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
72,00
Totaal
668,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Concentrix om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.631,96 bruto, exclusief 8% vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 2.631,96 vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Concentrix om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 388,20 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt Concentrix om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken gecorrigeerde loonstroken en jaaropgave, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Concentrix hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00,
5.4.
veroordeelt Concentrix om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken een deugdelijke specificatie ter zake van het einde van het dienstverband, alsmede het uitbetalen hiervan, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Concentrix hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00,
5.5.
veroordeelt Concentrix in de proceskosten van € 668,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door mr. K. Hart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
66531