ECLI:NL:RBAMS:2026:1336

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
1328995925
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in West-Vlaanderen. De verdachte werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder helpdeskfraude en witwassen, zoals omschreven in het EAB en het bijbehorende A-formulier.

De verdediging voerde aan dat het EAB ongenoegzaam was en dat de detentieomstandigheden in België onmenselijk zouden zijn, waardoor overlevering niet zou moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de feiten en de betrokkenheid van de verdachte, en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd was. Tevens werd vastgesteld dat de strafbare feiten op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet stonden, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoefde te worden getoetst.

Met betrekking tot de detentieomstandigheden gaf België een individuele garantie af dat de verdachte in een gevangenis met voldoende leefruimte, sanitaire voorzieningen en toegang tot dagactiviteiten zal worden geplaatst, conform internationale standaarden. De rechtbank achtte deze garantie voldoende om het algemene gevaar van onmenselijke behandeling weg te nemen. De overlevering werd daarom toegestaan, waarbij rekening werd gehouden met het belang van maatschappelijke re-integratie in Nederland en de terugkeergarantie na eventuele veroordeling in België.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan België toe op basis van een Europees aanhoudingsbevel met voldoende garanties over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-289959-25
Datum uitspraak: 5 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 september 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
[detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Aïssal, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 25 september 2025 afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is, omdat onvoldoende duidelijk is waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht en in welke mate hij bij de feiten betrokken is geweest.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten is vermeld in het A-formulier en, gelet op het feit dat in dit geval sprake is van een vervolgings-EAB, is de feitomschrijving voldoende duidelijk.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Het EAB maakt melding van meerdere strafbare feiten die verband houden met zogeheten helpdeskfraude. Het slachtoffer is op 10 mei 2025
“gebeld met de melding dat er een verdachte handeling met zijn bankkaart was gebeurd. Hij kreeg dat een andere medewerker de bankkaarten van [slachtoffer] en zijn echtgenote, zijn telefoon alsook de pincode van de bankkaart zou komen ophalen.”. Voorts is vermeld dat er een bedrag van 3.500 euro van de rekening van het slachtoffer verdwenen was, dat er met de bankkaarten van het slachtoffer en zijn echtgenote op een cashpunt in [plaatsnaam] een geldafhaling is gebeurd alsmede betalingen in een casino in Antwerpen. De opgeëiste persoon heeft zich, met iemand anders. met één van de gestolen bankkaarten van het slachtoffer op 10 mei 2025 om 22.19 uur ingeschreven in een casino in Antwerpen. In het A-formulier, dat gelezen wordt in samenhang met het EAB, staat de opgeëiste persoon vermeld als dader.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon hierbij betrokken zou zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, zodat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

4.1.
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven;informaticacriminaliteit;oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het zesde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de Procureur des Konings – West-Vlaanderen, Afdeling Brugge – Internationale Rechtshulp heeft op 17 december 2025 de volgende garantie gegeven:
“(…) Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon].
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. [5]
Bij brief van 14 januari 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege de slechte detentieomstandigheden in België. De opgeëiste persoon zit momenteel een lange gevangenisstraf in Nederland uit. Het zal zeker 3,5 jaar duren voordat hij naar België gaat. De individuele detentiegarantie houdt geen rekening met een toekomstige verslechtering van de situatie, waardoor de opgeëiste persoon mogelijk alsnog in een mensonterende situatie terecht kan komen tijdens zijn verblijf in een Belgische gevangenis.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgegeven individuele detentiegarantie ten aanzien van de opgeëiste persoon volstaat.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 14 januari 2026. [6] De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). De rechtbank beoordeelt de situatie in de Belgische gevangenissen aan de hand van de huidige stand van zaken. Een eventuele verslechtering van de situatie is een toekomstige onzekerheid waar de rechtbank geen rekening mee kan houden. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Veurne, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.