Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Circuit Court in Płock, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
the District Court in Plońsk of 07 February 2014 in the case ref. II K 381/13en een vonnis van
the District Court in Plońsk of 16 May 2013 in the case ref. II K 95/13.
II K 381/13voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, vijf maanden en 24 dagen.
II K 95/13voor de duur van tien maanden, ook door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
II K 95/13niet van toepassing. De dagvaarding voor de zitting is namelijk op 27 april 2013 aan de opgeëiste persoon in persoon uitgereikt. Subsidiair verzoekt de officier van justitie om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond.
II K 381/13stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie van 3 en 5 december 2025 blijkt dat de Poolse autoriteiten een adresinstructie aan de opgeëiste persoon hebben verstrekt. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de strafprocedure en de verdenking. Hij heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest.
II K 95/13op 28 december 2012 en op 15 februari 2013 door de politie is verhoord. Tijdens de verhoren heeft de opgeëiste een correspondentieadres opgegeven. De oproeping voor de zitting van 16 mei 2013 is aan de opgeëiste persoon op 27 april 2013 in persoon uitgereikt. Tijdens de voorbereidende procedure is de opgeëiste persoon erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de justitiële autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze instructie getekend en was dus op de hoogte van de verdenking en de strafprocedure.
II K 381/13blijkt uit de aanvullende informatie van 3 en 5 december 2025 dat de opgeëiste persoon op 3 maart 2013, 23 en 25 juni 2013 en op 2 juli 2013 door de politie is verhoord. Tijdens de verhoren heeft de opgeëiste een correspondentieadres opgegeven. De oproepingen voor de zitting zijn per post naar dit adres verzonden. Ook in deze zaak is de opgeëiste persoon tijdens de voorbereidende procedure erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de justitiële autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. Voorts is vermeld dat een kopie van het vonnis per post naar het opgegeven adres is verzonden en in ontvangst is genomen door een (volwassen) huisgenoot. Daarnaast zou de opgeëiste persoon zelf hoger beroep hebben ingesteld, wat overigens te laat was ingediend. Ook in deze zaak was de opgeëiste persoon dus op de hoogte van de verdenking en de strafprocedure.
5.Strafbaarheid
: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
fulltimein Nederland gewerkt. Ter onderbouwing hiervan verwijst de raadsman naar het verzekeringsbericht over het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon van het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV).
II K 381/13naar Nederlands recht is verjaard op 8 februari 2022. [5] Het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij vonnis van 16 mei 2013 met kenmerk
II K 95/13is naar Nederlands recht verjaard op 17 mei 2021. De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.
7.Slotsom
8.Toepasselijke wetsbepalingen
9.Beslissing
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Płock, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.