ECLI:NL:RBAMS:2026:134

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13-255999-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering op grond van verjaring en verzetsgarantie in het kader van een Europees aanhoudingsbevel

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de weigering van overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De rechtbank oordeelde dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Overleveringswet (OLW), omdat de feiten waarvoor de opgeëiste persoon was veroordeeld, naar Nederlands recht waren verjaard. De feiten dateren uit 2012 en 2013, en de verjaringstermijn was reeds verstreken. De rechtbank overwoog dat de opgeëiste persoon zijn leven in Nederland had opgebouwd en dat de verzetsgarantie uit Polen niet voldeed aan de eisen van de OLW. De rechtbank had eerder de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, maar besloot uiteindelijk de overlevering te weigeren. De zaak kwam aan de orde na een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat was uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen bij de eerdere processen en dat de vonnissen niet aan hem waren betekend, wat een belangrijke factor was in de beslissing om de overlevering te weigeren. De rechtbank benadrukte dat de opgeëiste persoon weliswaar niet in persoon was verschenen, maar dat hij op de hoogte was van de strafprocedure en de verdenking. De rechtbank besloot dat de opgeëiste persoon in beide procedures stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn, of dat hij onzorgvuldig was geweest in zijn communicatie met de Poolse autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing was en dat er geen aanleiding was om van deze weigeringsgrond af te zien.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-255999-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 4 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2016 door
the Circuit Court in Płock, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
feitelijk verblijvende op het adres: [verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Kleiman, advocaat in Noord-Scharwoude, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Plońsk of 07 February 2014 in the case ref. II K 381/13en een vonnis van
the District Court in Plońsk of 16 May 2013 in the case ref. II K 95/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd bij het vonnis met kenmerk
II K 381/13voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, vijf maanden en 24 dagen.
Daarnaast wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd bij het vonnis met kenmerk
II K 95/13voor de duur van tien maanden, ook door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De opgeëiste persoon is bij beide processen niet in persoon verschenen. De vonnissen zijn ook niet aan de opgeëiste persoon betekend, maar in het EAB is aangegeven dat deze onverwijld aan hem zullen worden betekend.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is artikel 12 OLW ten aanzien van het vonnis met kenmerk
II K 95/13niet van toepassing. De dagvaarding voor de zitting is namelijk op 27 april 2013 aan de opgeëiste persoon in persoon uitgereikt. Subsidiair verzoekt de officier van justitie om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond.
Ten aanzien van het vonnis met kenmerk
II K 381/13stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie van 3 en 5 december 2025 blijkt dat de Poolse autoriteiten een adresinstructie aan de opgeëiste persoon hebben verstrekt. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de strafprocedure en de verdenking. Hij heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
1. het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
2. de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
"e. the person was not personally served with the decision - default sentences in the cases ref. II K 381/13 and II K 95/13, but:
- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender,
AND
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed,
AND
- the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 30 days."[tekst verklaring]
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat een verzetsgarantie uit Polen niet onvoorwaardelijk is. [4] Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring daarom niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 3 en 5 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon met betrekking tot het vonnis met kenmerk
II K 95/13op 28 december 2012 en op 15 februari 2013 door de politie is verhoord. Tijdens de verhoren heeft de opgeëiste een correspondentieadres opgegeven. De oproeping voor de zitting van 16 mei 2013 is aan de opgeëiste persoon op 27 april 2013 in persoon uitgereikt. Tijdens de voorbereidende procedure is de opgeëiste persoon erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de justitiële autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze instructie getekend en was dus op de hoogte van de verdenking en de strafprocedure.
Met betrekking tot het vonnis met kenmerk
II K 381/13blijkt uit de aanvullende informatie van 3 en 5 december 2025 dat de opgeëiste persoon op 3 maart 2013, 23 en 25 juni 2013 en op 2 juli 2013 door de politie is verhoord. Tijdens de verhoren heeft de opgeëiste een correspondentieadres opgegeven. De oproepingen voor de zitting zijn per post naar dit adres verzonden. Ook in deze zaak is de opgeëiste persoon tijdens de voorbereidende procedure erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de justitiële autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. Voorts is vermeld dat een kopie van het vonnis per post naar het opgegeven adres is verzonden en in ontvangst is genomen door een (volwassen) huisgenoot. Daarnaast zou de opgeëiste persoon zelf hoger beroep hebben ingesteld, wat overigens te laat was ingediend. Ook in deze zaak was de opgeëiste persoon dus op de hoogte van de verdenking en de strafprocedure.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon in beide procedures ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de processen aanwezig te zijn, ofwel kennelijk onzorgvuldig is geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet per post bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien wordt voldaan aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens
: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Op grond van artikel 9, eerste lid onder f, OLW kan de overlevering voor feiten wegens verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht worden geweigerd als naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. In het geval van de opgeëiste persoon is daarvan, ex artikel 7, eerste en derde lid, jo. artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht, sprake als hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daaronder wordt de situatie begrepen dat hij kan aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000, en de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd wegens verjaring. De verjaringstermijn is naar Nederlands recht ruimschoots verstreken. De opgeëiste persoon verblijft sinds medio 2013 in Nederland en heeft vrijwel onafgebroken
fulltimein Nederland gewerkt. Ter onderbouwing hiervan verwijst de raadsman naar het verzekeringsbericht over het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon van het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV).
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie heeft de opgeëiste persoon niet aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon staat sinds 25 juni 2024 in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Voor de jaren daarvoor zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon feitelijk in Nederland heeft verbleven. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon in het jaar 2021 onvoldoende inkomsten verworven. Nu geen sprake is van rechtsmacht, is weigering van de overlevering wegens verjaring niet aan de orde. Als de rechtbank van oordeel is dat wel aangetoond kan worden dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, sluit de officier van justitie zich aan bij het standpunt van de raadsman.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de in de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW genoemde voorwaarden. Zij licht dat toe.
Ononderbroken rechtmatig verblijf
Uit de overgelegde stukken over de periode 7 mei 2019 tot en met 7 mei 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Het onafgebroken verblijf is rechtmatig als de opgeëiste persoon gedurende deze vijf jaar reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. Hiervan is in ieder geval sprake als de opgeëiste persoon jaarlijks 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend of minstens 40% van de reguliere arbeidstijd heeft gewerkt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat aan dit vereiste is voldaan. De opgeëiste persoon staat weliswaar (pas) sinds 25 juni 2024 in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar op alle overgelegde stukken met betrekking tot het inkomen van de opgeëiste persoon staan Nederlandse adressen genoemd. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat de opgeëiste persoon in de voornoemde periode, met uitzondering van het jaar 2021, zoveel heeft verdiend dat het niet anders kan dan dat hij sinds 7 mei 2019 onafgebroken in Nederland heeft verbleven om die werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Ten aanzien van het jaar 2021 blijkt uit een overgelegde jaaropgave weliswaar dat de opgeëiste persoon onvoldoende inkomsten heeft verworven, maar uit het UWV-overzicht blijkt dat hij over dat jaar 2033 uren heeft gewerkt. Dit komt neer op een fulltimebaan, zodat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon ook over 2021 in Nederland heeft gewoond. Gelet op de overgelegde stukken over de andere jaren acht de rechtbank het aannemelijk dat de opgeëiste persoon in 2021 voor meerdere opdrachtgevers heeft gewerkt, maar dat hij niet meer al zijn jaaropgaven heeft kunnen terugvinden.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de feiten naar Nederlands recht een misdrijf opleveren. Gelet op wat in paragraaf vijf is overwogen, is ook aan deze voorwaarde voldaan.
Nu de opgeëiste persoon aldus met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en de feiten in Nederland een misdrijf opleveren, heeft Nederland rechtsmacht kunnen uitoefenen.
De rechtbank stelt vast dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij vonnis van 7 februari 2014 met kenmerk
II K 381/13naar Nederlands recht is verjaard op 8 februari 2022. [5] Het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij vonnis van 16 mei 2013 met kenmerk
II K 95/13is naar Nederlands recht verjaard op 17 mei 2021. De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld, dateren uit 2012 en 2013 en de verjaringstermijn naar Nederlands recht is in beide gevallen al geruime tijd verstreken. Bovendien heeft de opgeëiste persoon zijn leven hier in Nederland opgebouwd. Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat weigering van de overlevering op grond van verjaring niet betekent dat de opgeëiste persoon de bij de vonnissen opgelegde straffen niet meer hoeft te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straffen naar het recht van Polen niet is verjaard, zou de opgeëiste persoon – wanneer hij Nederland verlaat – rekening moeten houden met de mogelijkheid van overlevering ter tenuitvoerlegging van die straffen vanuit een andere lidstaat.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot bespreking van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW over te gaan.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet en 2, 5, 7 en 9 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Płock, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6773; Vgl. Rb. Amsterdam 3 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2687.
5.Gelet op de artikelen 70 van het Wetboek van Strafrecht juncto 6:1:22 en 6:1:23 van het Wetboek van Strafvordering.