ECLI:NL:RBAMS:2026:1379

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
9062650 \ CV EXPL 21-3522
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13 EGECLI:EU:C:2023:478
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens vernietiging oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomst

Huurgemak vorderde betaling van huurtermijnen van [gedaagde], die niet is verschenen in de procedure. De rechtbank heeft ambtshalve twee bedingen in de algemene voorwaarden van Huurgemak als oneerlijk aangemerkt en vernietigd. Dit betekent dat deze bedingen [gedaagde] niet binden en Huurgemak zich hier niet op kan beroepen.

De rechtbank heeft het sanctiemodel toegepast, waarbij de schending van informatieplichten leidt tot een sanctie van 60% over de hoofdsom. Dit sanctiebedrag overstijgt het bedrag van de onbetaald gelaten huurtermijnen dat Huurgemak kan vorderen, waardoor de vordering integraal wordt afgewezen.

Huurgemak heeft aangevoerd dat de informatieplichten beoordeeld moeten worden naar oudere richtlijnen uit 2020, maar de rechtbank volgt het huidige sanctiemodel. Ook het argument dat vernietiging van de bedingen buitenproportionele gevolgen heeft, wordt verworpen op grond van Europese richtlijnen en jurisprudentie.

De rechtbank veroordeelt Huurgemak in de proceskosten, die nihil worden begroot, mede vanwege het vernietigde oneerlijke proceskostenbeding. De vordering wordt afgewezen en [gedaagde] is geen resterende termijnen verschuldigd vanaf het moment van ontbinding van de overeenkomst.

Uitkomst: De vordering van Huurgemak wordt afgewezen vanwege vernietiging van oneerlijke bedingen en toepassing van een sanctie die het toewijsbare bedrag overstijgt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 9062650 \ CV EXPL 21-3522
Vonnis van 29 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HUURGEMAK B.V.,
gevestigd te Steenwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Huurgemak,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2025,
- de akte van Huurgemak.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is Huurgemak in de gelegenheid gesteld, kort gezegd, zich uit te laten over het voornemen tot vernietiging van twee bedingen in de algemene voorwaarden, die als oneerlijk zijn aangemerkt.
2.2.
Huurgemak is in haar akte uitgebreid ingegaan op de beoordeling van de naleving van informatieplichten, ondanks dat zij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Die gelegenheid heeft Huurgemak al (meerdere keren) gehad en daarvan heeft zij ook gebruik gemaakt. Opvallend in dat kader is dat Huurgemak in haar akte verzoekt de informatieplichten, waaronder de bestelknop, te beoordelen naar de in 2020 geldende richtlijnen, tarieven en percentages in plaats van de meest recente versie van het Sanctiemodel. In 2020 was er nog geen sanctiemodel en werden vorderingen nog integraal afgewezen als de bestelknop niet voldeed. In dit verband wordt ook verwezen naar het tussenvonnis van 4 juli 2024. Het is dan ook in het belang van Huurgemak om de zaak te beoordelen naar (de huidige versie van) het Sanctiemodel. Huurgemak lijkt te suggereren dat de schending van de bestelknopverplichting dubbel wordt bestraft. Dat is onjuist. Er is immers een schending van de bestelknopverplichting, de precontractuele verplichting om [gedaagde] te informeren over de totale prijs, de precontractuele verplichting om [gedaagde]
op duidelijke en begrijpelijke wijzete informeren over het ontbindingsrecht (aan dat onderstreepte vereiste voldoet een bepaling in de algemene voorwaarden niet) én er zijn meerdere contractuele schendingen van informatieplichten, die gezamenlijk als één schending meetellen. Dat komt neer, gelet op het Sanctiemodel, niet uit op 40% zoals eisende partij schrijft, maar op 60%, zonder dat sprake is van dubbele sanctionering.
2.3.
Voor wat betreft de gevolgen van mogelijke ambtshalve vernietiging van de bedingen laat Huurgemak weten dat dit buitenproportionele gevolgen zal hebben, zeker nu partijen daaraan dan niet (meer) gebonden zijn. Nu alle bedingen vooraf zijn verstrekt, duidelijk en transparant zijn geformuleerd en inherent zijn aan de aard van de overeenkomst, ziet eisende partij geen aanleiding om een beding als oneerlijk aan te merken.
2.4.
Buitenproportionele gevolgen kunnen niet aan vernietiging van oneerlijke bedingen in de weg staan. Hierover is de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, alsmede de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie helder. Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel).
2.5.
Het gaat er niet alleen om of bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd of passen bij de aard van de overeenkomst, zoals Huurgemak aanvoert, maar of bedingen oneerlijk zijn. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
2.6.
Gelet op het hiervoor aangehaalde beoordelingskader, in samenhang met de overwegingen in het tussenvonnis van 23 oktober 2025 over de daarin geciteerde bedingen, blijft de kantonrechter bij het oordeel dat die bedingen oneerlijk zijn. De door Huurgemak aangevoerde argumenten maken dat oordeel niet anders.
2.7.
De kantonrechter zal dan ook overgaan tot vernietiging van de bedingen die in het tussenvonnis als oneerlijk zijn aangemerkt. Het gevolg hiervan is dat die bedingen [gedaagde] niet binden. Huurgemak kan zich op deze bedingen niet beroepen en evenmin een beroep doen op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn als de bedingen niet in de overeenkomst zouden staan.
2.8.
Dat betekent dat [gedaagde] géén resterende termijnen verschuldigd is vanaf het moment waarop Huurgemak de overeenkomst heeft willen ontbinden. Uitsluitend de onbetaald gelaten huurtermijnen tot dat moment zijn toewijsbaar. Dat komt neer op een bedrag van € 345,44. De factuur, of subsidiair gevorderd een gedeelte daarvan, waarbij alle resterende termijnen in rekening zijn gebracht, ten bedrage van € 2.284,22 is [gedaagde] niet verschuldigd.
2.9.
Nu de sanctie van 60% wordt toegepast over de volledige hoofdsom ten bedrage van € 2.629,66, komt deze neer op een bedrag van € 1.577,79.
2.10.
Het sanctiebedrag overstijgt ruimschoots het toewijsbare gedeelte van de vordering van Huurgemak. De vordering wordt daarom integraal afgewezen.
2.11.
Voor een proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] is alleen al vanwege het vernietigde oneerlijke proceskostenbeding in de algemene voorwaarden geen ruimte, maar ook niet bij deze uitkomst van de procedure. Huurgemak wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt Huurgemak in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
991