ECLI:NL:RBAMS:2026:1396

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
13-268898-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks beroep op terugkeergarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit tegen de opgeëiste persoon, die wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en andere strafbare feiten. De opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit, beriep zich op de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Overleveringswet (OLW).

De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was vanwege onduidelijkheden over de rol van de opgeëiste persoon en tegenstrijdigheden in de pleegperiode. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat het EAB voldoende informatie bevatte over de feiten, pleegplaatsen, pleegperiode en betrokkenheid, waarmee het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is.

De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten deels op Nederlands grondgebied zijn gepleegd, maar dat dit geen reden is om overlevering te weigeren op grond van artikel 13 OLW Pro. De gegeven garantie van de Duitse autoriteiten dat de opgeëiste persoon na veroordeling de straf in Nederland mag ondergaan, werd als voldoende beoordeeld.

Gelet op de volledigheid van het EAB, de afwezigheid van weigeringsgronden en de waarborging van de terugkeergarantie, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-268898-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 7 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 mei 2025 door
the Koblenz Local Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam, zijn niet verschenen.
De rechtbank heeft het schriftelijke aanhoudingsverzoek van de raadsman toegewezen en het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst, omdat de raadsman en de opgeëiste persoon niet in staat waren naar de rechtbank te komen in verband met het winterweer.
De behandeling van het EAB is opnieuw aangevangen op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 22 mei 2025 van
the Koblenz Local Court,met zaaknummer: 30 Gs 4268/25 — 51 Js 1347/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is en dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Volgens de raadsman blijkt uit de beschrijving van de strafbare feiten onvoldoende wat de rol van de opgeëiste persoon is geweest. Daarnaast zit een tegenstrijdigheid in de pleegperiode, nu zowel 2010 als 2016 als start van de pleegperiode wordt genoemd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is, nu de plaats, pleegperiode en de rol van de opgeëiste persoon voldoende duidelijk zijn omschreven om het specialiteitsbeginsel te waarborgen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB.
Uit onderdeel e) van het EAB, gelezen in samenhang met het zogeheten A-formulier, blijkt dat - op basis van een nog lopend onderzoek - de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht deel te hebben genomen aan een criminele organisatie, die zich volgens de feitomschrijving sinds 2010 – kortgezegd – bezig zou hebben gehouden met oplichting via betaalde websites met pornografisch materiaal en opererend via een netwerk van lege BV’s. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaatsen, de pleegperiode en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten, terwijl in het A-formulier is vermeld dat de opgeëiste persoon als dader wordt aangemerkt. Daarnaast is in het EAB de opgeëiste persoon als een van de bestuurders van [bedrijf 1] , als algemeen directeur van [bedrijf 2] en als accountant binnen het accountants team van het netwerk omschreven. Verder is bij de pleegperiode in onderdeel (e) van het EAB als in het A-formulier, nader gespecificeerd in de periode van 23 maart 2016 tot 9 juli 2021.
Met bovenstaande informatie is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk waarvoor de overlevering wordt gevraagd en is voldaan aan de hiervoor genoemde eisen, zodat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. Daarbij komt dat sprake is van een verzoek tot overlevering in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat nog gaande is, waarbij wijzigingen ten opzichte van de beschrijving van de tijd van het strafbare feit in het EAB bovendien nog zijn toegestaan. [4] De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht, zal later in Duitsland moeten blijken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven;
informaticacriminaliteit;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit ‘deelneming aan een criminele organisatie’ niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en belangen in Nederland gevestigd. [5] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Staatsanwältinte Koblenz heeft op 10 december 2025 de volgende garantie gegeven:
“It is assured that, following the imposition of a final prison sentence or other sanction in proceedings 51 Js 1347/22, the accused [opgeëiste persoon] will be offered the option of being transferred back to the Kingdom of the Netherlands for enforcement.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [6]
De raadsman heeft opgemerkt dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro van toepassing is, maar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen en een goede rechtsbedeling vereist dat de zaak in Duitsland zal worden behandeld.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat de in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro toe te passen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Koblenz Local Court, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 1 december 2008, C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann en Pustovarov), punt 59.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.