ECLI:NL:RBAMS:2026:1407

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/7301 en 25/7369
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 35 Wjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing VOG-aanvraag medewerker financiële dienstverlening bevestigd

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) voor een functie als medewerker klantenservice in de financiële sector. De aanvraag werd afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op basis van het screeningsprofiel 95 Financiële dienstverlening. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het risico op verlies van de arbeidsovereenkomst bij het niet overleggen van een VOG. Bij de beoordeling van het beroep toetst de rechter terughoudendheid gezien de beoordelingsruimte van verweerder. De afwijzing is gebaseerd op het objectieve criterium, waarbij justitiële gegevens wijzen op relevante verdenkingen en veroordelingen voor onder meer identiteitsfraude en drugshandel, die een risico vormen voor de functie.

Ook het subjectieve criterium, waarbij het persoonlijk belang van eiser wordt afgewogen tegen het maatschappelijk belang, leidt niet tot toewijzing. Hoewel eiser een positieve gedragsverandering toont en reclassering de VOG ondersteunt, weegt het recente strafrechtelijk verleden en het risico voor de samenleving zwaarder. De voorzieningenrechter wijst het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening af, en veroordeelt eiser tot betaling van griffierecht zonder proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/7301 en 25/7369
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzoekt daarnaast om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor een VOG mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een VOG voor medewerker klantenservice in de financiële sector. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel 95 Financiële dienstverlening. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 26 mei 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft met het betreden besluit van 15 december 2025 dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [1] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3.2.
Eiser heeft in dat kader aangevoerd dat hij de functie bij ABN Amro waar de VOG voor is aangevraagd al sinds januari 2025 uitvoert, maar dan via YoungCapital. Er is in die periode geen probleem gemaakt van het feit dat hij geen VOG kon overleggen. Vanaf
1 januari 2026 is hij door ABN Amro in dienst genomen met een jaarcontract. In dat contract staat als ontbindende voorwaarde opgenomen dat zijn arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt als hij niet uiterlijk op 12 februari 2026 een VOG heeft overgelegd. Eiser zal zijn baan en daarmee zijn inkomen verliezen als hij geen VOG krijgt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met deze omstandigheden er voldoende sprake is van een spoedeisend belang.
3.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [2]
Algemeen
4.1.
Ingevolge artikel 35 van Pro de Wjsg [3] , weigert verweerder de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voor komt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is.
4.2.
Verweerder heeft bij de afwijzing van de aanvraag – kortgezegd – overwogen dat er binnen de terugkijktermijn van vier jaar een relevante verdenking in het JDS voor komt ten aanzien van drugshandel, overtreding Wet wapens en munitie en meerdere feiten die zien op identiteitsfraude. Ook is eiser eerder buiten de terugkijktermijn veroordeeld vanwege fraude. Daarnaast moet het algemeen belang van bescherming van de samenleving zwaarder wegen dan het persoonlijk belang van eiser.
4.3.
Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft besloten om zowel op grond van het objectieve als het subjectieve criterium niet over te gaan tot de afgifte van de VOG.
4.4.
De voorzieningenrechter beoordeelt die beroepsgronden, maar stelt bij haar beoordeling voorop dat verweerder gelet op voornoemde beoordelingsruimte het bestreden besluit terughoudend moet toetsen [4] .
Objectieve criterium
5.1.
Bij de toetsing van het objectieve criterium wordt gekeken of de aangetroffen justitiële gegevens van de aanvrager, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheden waarvoor een VOG is aangevraagd. Het gaat dus om de vraag of in zijn algemeenheid sprake kan zijn van een risico en niet om de vraag of er sprake is van een reëel recidivegevaar.
5.2.
Eiser heeft aangevoerd dat verweerder op grond van de justitiële gegevens niet heeft kunnen besluiten dat deze een risico voor de samenleving kunnen opleveren bij het vervullen van de desbetreffende functie.
5.3.
De voorzieningenrechter volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat met name de (identiteits)fraude waar eiser van wordt verdacht – en zoals op de zitting is gebleken inmiddels op 8 januari 2026 voor is veroordeeld door de politierechter – indien herhaald in de functie waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd, als zodanig een risico vormt en dus een belemmering oplevert. Hierbij mocht verweerder betrekken dat er ten aanzien van de identiteitsfraude sprake is van recidive. Eiser heeft aangevoerd dat hij geen toegang tot de systemen heeft en slechts klanten doorverbindt naar verschillende afdelingen binnen de bank. Eiser heeft daartoe ook de officiële functieomschrijving overgelegd. De voorzieningenrechter is het echter met verweerder eens dat eiser weldegelijk in aanraking komt met gevoelige informatie en vertrouwelijke gegevens van klanten van de bank. Deze gevoelige informatie hoeft niet alleen uit de systemen te komen, maar kan ook worden verstrekt door collega's of klanten van de bank. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eiser ook een geheimhoudingsverklaring dient te ondertekenen volgens zijn contract. Verder is van belang dat het screeningsprofiel 95 voor de financiële dienstverlening geldt voor alle medewerkers van financiële instellingen en dit ook het profiel is dat is verzocht te toetsen. Het is dus ook op de functie van eiser van toepassing. De beroepsgronden die zien op het objectieve criterium slagen dan ook niet.
Subjectieve criterium
6.1.
Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden in ieder geval als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
6.2.
Eiser heeft in dat kader aangevoerd dat het concreet risico op herhaling in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG te rechtvaardigen op grond van het subjectieve criterium. Eiser heeft daarbij gewezen op de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en dat deze meer dan een jaar oud zijn. Daarnaast heeft eiser erop gewezen dat hij al ruim een jaar probleemloos deze functie vervult. Ook is bij eiser sprake van een positieve gedragsverandering en een gemotiveerde houding. De reclassering ondersteunt ook de afgifte van een VOG voor deze functie. Die benoemen ook dat bij eiser in het algemeen sprake is van een laag recidiverisico. Eiser is afhankelijk van zijn baan bij ABN Amro. Als hij die verliest, verliest hij ook zijn stabiliteit, inkomen en toekomstperspectief. Zijn loopbaan richt zich op de financiële sector. De algemene opmerking van verweerder dat eiser een andere baan kan zoeken doet geen recht aan de situatie van eiser. Hij heeft ook geen diploma's of andere relevante werkervaring. Eiser stelt dat verweerder al deze omstandigheden niet heeft meegewogen, althans onvoldoende gewicht aan heeft toekend.
6.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder bij de beoordeling van het subjectieve criterium wel degelijk alle genoemde omstandigheden heeft meegewogen, maar tot een andere uitkomst is gekomen dan eiser wenst. Verweerder heeft zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser relatief kort geleden, in oktober 2024, voor meerdere strafbare feiten in contact is gekomen met politie en justitie. Eiser heeft vanwege die feiten in voorarrest gezeten en aan hem zijn schorsingsvoorwaarden opgelegd. Daarnaast is gebleken dat ook buiten de terugkijktermijn een relevant strafbaar feit voor komt, namelijk fraude. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd dat deze recente feiten niet passen bij de functie waar de VOG voor is aangevraagd. Verweerder heeft de positieve ontwikkeling van eiser erkend en meegewogen. Verweerder hoeft aan deze omstandigheden echter niet, gelet op het korte tijdsverloop, zodanig gewicht toe te kennen dat hij alsnog tot afgifte van de VOG diende over te gaan. [5] Verweerder mag in redelijkheid van eiser verlangen dat hij over een langere periode niet in aanraking komt met justitie. Daarnaast heeft verweerder ook mogen betrekken dat eiser een andere functie kan uitoefenen waarmee hij inkomsten kan verdienen. Hij is nog jong en voor zijn huidige functie had eiser eerder ook geen relevantie werkervaring en diploma's nodig. Dit betekent dat verweerder op dit moment de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder mochten laten wegen dan het belang van eiser bij het verlenen van de VOG. De beroepsgronden die zien op het subjectieve criterium slagen niet.
6.4.
De voorzieningenrechter begrijpt dat dit een teleurstelling is voor eiser omdat hij hard werkt om na gemaakte fouten in het verleden stabiliteit te creëren en een toekomst op te bouwen. Hij heeft het naar zijn zin in zijn huidige functie en wil graag verder in de financiële sector. Bovendien ondersteunt zijn reclasseringsbegeleider de VOG-aanvraag, wat ook tot bepaalde verwachtingen kan hebben geleid. De voorzieningenrechter hoopt dat het eiser lukt om zijn positieve ontwikkeling ondanks deze tegenslag vast te houden. De weigering op dit moment van de VOG betekent ook niet dat hij nooit in aanmerking zal komen voor een VOG voor een soortgelijke functie. Eiser kan in de toekomst een nieuwe aanvraag doen waarin bijvoorbeeld ook de strafafdoening door de politierechter met een taakstraf en de afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging van een eerdere veroordeling kunnen worden betrokken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de VOG-aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Vanwege medische omstandigheden heeft eiser deelgenomen via een digitale verbinding.
2.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
3.Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
4.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BV1809, r.o. 2.4.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1601.