De veroordeelde was bij vonnis van 29 juni 2022 veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf en kreeg op 5 juni 2024 voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) met een proeftijd van 480 dagen. Op 22 september 2025 werd hij aangehouden op verdenking van nieuwe strafbare feiten, waaronder handel in harddrugs, voorbereidingshandelingen en witwassen. Het Openbaar Ministerie besloot daarop de v.i. te herroepen.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze herroeping, stellende dat hoewel het aanwezig hebben van harddrugs bewezen kan worden, een volledige herroeping van 480 dagen disproportioneel is. Hij wees op positieve persoonlijke omstandigheden zoals werk, relatie en woonruimte, en het reclasseringsadvies dat een verlenging van de proeftijd niet noodzakelijk achtte.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie terecht ernstige redenen had voor het vermoeden van overtreding van de algemene voorwaarde van de v.i. en dat herroeping gerechtvaardigd was. Echter, de rechtbank vond dat de herroeping niet in redelijkheid voor de volledige duur van 480 dagen had mogen plaatsvinden. Gezien de persoonlijke omstandigheden en het belang van succesvolle re-integratie beperkte de rechtbank de herroeping tot 120 dagen.
De veroordeelde werd op die grond gedeeltelijk in het bezwaar gevolgd en opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld na afloop van die periode. De beslissing benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging tussen de bescherming van de samenleving en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.