ECLI:NL:RBAMS:2026:1419
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beklag tegen inhouding rijbewijs wegens alcoholgebruik als beginnend bestuurder
De klager, een beginnend bestuurder, werd op 8 december 2025 betrapt op het rijden met een alcoholgehalte van 985 microgram per liter uitgeademde lucht, wat leidde tot invordering van zijn rijbewijs. De officier van justitie besloot het rijbewijs voor zeven maanden in te houden. Klager diende een beklag in op grond van artikel 164, achtste lid, Wegenverkeerswet 1994, met het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs vanwege zijn werkzaamheden als dj en bezorger, en de daarmee gepaard gaande noodzaak om te kunnen rijden.
De rechtbank behandelde het beklag op 27 januari 2026 en hoorde klager, zijn raadsvrouw en de officier van justitie. De rechtbank oordeelde dat de inhouding van het rijbewijs rechtmatig was, maar dat het persoonlijke belang van klager bij het beschikken over zijn rijbewijs zwaarder weegt na twee maanden inhouding. Daarom werd de teruggave van het rijbewijs per 8 februari 2026 bevolen.
De rechtbank merkte op dat klager een blanco strafblad heeft en dat de teruggave eerder dan de door de officier van justitie bepaalde termijn geen belemmering vormt voor een eventuele latere ontzegging van de rijbevoegdheid in de strafzaak. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door rechter M.A.E. Somsen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt teruggave van het rijbewijs aan klager per 8 februari 2026.