ECLI:NL:RBAMS:2026:1454

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/13/770909 / HA ZA 25-1175
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:850 BWArt. 7:857 BWArt. 7:855 BWArt. 6:119 BWArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zakelijke borg aansprakelijk voor niet-betaalde kwartaaltermijnen lening vastgoedbedrijf

Go Real Estate, een Luxemburgs investeringsfonds, verstrekte een lening van €27 miljoen aan een vastgoedbedrijf, [bedrijf 2] B.V., dat in verzuim raakte met de betaling van kwartaaltermijnen. De bestuurder van de stichting die indirect zeggenschap had over [bedrijf 2], [gedaagde], had zich persoonlijk garant gesteld voor een bedrag tot €2,7 miljoen. Go Real Estate sprak [gedaagde] aan voor betaling van twee kwartaaltermijnen van in totaal €675.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank oordeelde dat de borgstelling een zakelijke borgtocht betrof, omdat [gedaagde] als indirect bestuurder feitelijk als ondernemer moest worden beschouwd. Go Real Estate mocht [gedaagde] aanspreken zonder eerst verhaal te halen op verpande bankrekeningen van [bedrijf 2]. [gedaagde] was gehouden tot betaling van de openstaande termijnen minus het bedrag dat al was voldaan na beslaglegging.

De rechtbank wees het verweer van [gedaagde] af dat hij niet tot betaling gehouden was of dat de kosten onredelijk hoog waren. De gevorderde wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag na de sommatiedatum. De proceskosten werden deels toegewezen en deels in mindering gebracht op de gevorderde kosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de zakelijke borg tot betaling van openstaande kwartaaltermijnen, rente en kosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/770909 / HA ZA 25-1175
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
GO REAL ESTATE S.A., SICAV-RAIF,
te Munsbach (Luxemburg),
eisende partij,
hierna te noemen: Go Real Estate,
advocaat: mr. L. van Waegeningh,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D.J.A. van den Berg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 november 2025,
- de akte houdende vermeerdering en wijziging van eis van Go Real Estate, met productie,
- de akte na mondelinge behandeling tevens antwoordakte vermeerdering en wijziging van eis van [gedaagde] , met producties,
- de antwoordakte tevens houdende akte vermindering en vermeerdering van eis van Go Real Estate, met een productie,
- de antwoordakte vermindering en vermeerdering van eis van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is bestuurder van de [stichting] (hierna: de Stichting). [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) is een dochter van de Stichting. [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) is weer een dochter van [bedrijf 1] . [gedaagde] is als voorzitter van het bestuur van de Stichting zelfstandig bevoegd om beslissingen te nemen. De Stichting is bestuurder van [bedrijf 1] en van [bedrijf 2] .
2.2.
[bedrijf 2] is een vastgoedbedrijf dat een financiering nodig had voor het verwerven van vastgoed in [plaats] .
2.3.
Go Real Estate is een Luxemburgs investeringsfonds dat (her)financieringen verstrekt voor vastgoedbeleggingen. Go Real Estate heeft in februari 2019 een lening verstrekt aan [bedrijf 2] van in totaal € 27 miljoen euro. Bij die leningsovereenkomst, door partijen Facility Agreement genoemd, trad het Duitse bedrijf Wilmington Trust SP Services (Frankfurt) GmbH (hierna: Wilmington) op als
security agent. Wilmington is ten behoeve van Go Real Estate beheerder van verstrekte zekerheden.
2.4.
[bedrijf 2] diende ieder kwartaal termijnbetalingen voor rente en aflossingen aan Go Real Estate te voldoen. De oorspronkelijke einddatum van de lening was augustus 2020, maar is verlengd.
2.5.
In augustus 2022 heeft [gedaagde] zich tegenover Go Real Estate en Wilmington persoonlijk garant gesteld voor rente en aflossingen van de lening uit de Facility Agreement tot een maximum van € 2,7 miljoen euro. Deze overeenkomst is getiteld Deed of Personal Guarantee en daarin is Nederlands recht van toepassing verklaard en een forumkeuze voor de Amsterdamse rechtbank opgenomen.
2.6.
[bedrijf 2] is sinds 30 november 2024 in verzuim om termijnbetalingen te voldoen.
2.7.
Go Real Estate heeft [gedaagde] aangesproken op betaling van twee kwartaaltermijnen van bij elkaar opgeteld € 675.000. Bij deurwaardersexploot van 3 december 2024 heeft Go Real Estate [gedaagde] gesommeerd dat bedrag binnen 14 dagen te betalen, dus uiterlijk op 17 december 2024.
2.8.
Go Real Estate heeft ten laste van [gedaagde] conservatoire beslagen gelegd op bankrekeningen van [gedaagde] . Bij e-mailbericht van 24 juli 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van Go Real Estate geschreven bereid te zijn het door het beslag getroffen bedrag per direct aan Go Real Estate te betalen en dat in de daarvoor nog op te maken akte kan worden opgenomen dat [gedaagde] schuld erkent voor de hoofdsom van de vordering, te vermeerderen met wettelijke rente en geliquideerde proceskosten.
2.9.
Op 6 oktober 2025 is vanuit het beslag in totaal € 119.746,28 door [gedaagde] aan Go Real Estate betaald.
2.10.
Toen Go Real Estate [gedaagde] in december 2024 aansprak, stond er op twee rekeningen van [bedrijf 2] die zij aan Wilmington heeft verpand afgerond € 225.000.

3.Het geschil

3.1.
Go Real Estate vordert – samengevat – na vermeerdering en vermindering van eis, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
€ 555.253,72, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2025 en de wettelijke rente over een bedrag van € 675.000 vanaf de dag van verschuldigdheid tot 6 oktober 2025;
€ 60.367,73 aan kosten van juridische adviseurs, incassokosten en griffierechten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, te verminderen met het bedrag dat aan proceskosten verschuldigd is;
de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.
3.2.
[gedaagde] maakt bezwaar tegen de laatste eiswijziging, namelijk voor zover Go Real Estate haar eis onder ii. ten opzichte van de laatste eis met € 4.878,72 heeft vermeerderd. [gedaagde] legt aan dat bezwaar ten grondslag dat het in strijd is met de goede procesorde om in dit stadium de eis opnieuw te vermeerderen.
3.3.
De rechtbank volgt [gedaagde] niet in dat bezwaar. Uitgangspunt is dat een eiser zijn eis mag wijzigen zolang nog geen eindvonnis is gewezen (zie artikel 130 Rv Pro). Dat is anders als de wijziging in strijd is met de goede procesorde, bijvoorbeeld omdat gedaagde onredelijk wordt bemoeilijkt in zijn verdediging. Daarvan is hier geen sprake omdat de vermeerdering voortborduurt op de eerder ingestelde eis (en dus dezelfde grondslag heeft) en omdat de vermeerdering voor [gedaagde] te voorzien was. Go Real Estate had namelijk al eerder aangekondigd dat zij haar eis zou vermeerderen met extra juridische kosten als die gaande het proces nog zouden worden gemaakt. [gedaagde] is door de eiswijziging dan ook niet bemoeilijkt in zijn verdediging, zodat het bezwaar wordt gepasseerd en de eiswijziging wordt toegestaan. [gedaagde] heeft al de gelegenheid gehad en benut om op de gewijzigde eis te reageren.
3.4.
Go Real Estate legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [bedrijf 2] is in verzuim met nakoming van haar betalingsverplichtingen en [gedaagde] is verplicht om uitvoering te geven aan de door hem gegeven gegarandeerde betalingsverplichtingen. [gedaagde] heeft zijn betalingsverplichting erkend, maar komt die niet na. Daarom vordert Go Real Estate nu de twee kwartaaltermijnen minus het bedrag dat na het beslag is voldaan (vordering onder i.) en de kosten die zij in en buiten rechte heeft gemaakt (vordering onder ii.). Ten slotte vordert zij ook de proceskosten (vordering onder iii.), die dan weer in mindering moeten worden gebracht op de totale kosten (onder ii.).
3.5.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna wordt besproken.

4.De beoordeling

Rechtbank Amsterdam bevoegd en Nederlands recht van toepassing
4.1.
De zaak heeft internationale aspecten omdat eiseres in Luxemburg is gevestigd. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is. Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen en dat op de tussen partijen gesloten overeenkomst Nederlands recht van toepassing is (zie 2.5). De rechtbank zal partijen hierin volgen.
De overeenkomst tussen partijen is een zakelijke borgtochtovereenkomst
4.2.
Go Real Estate noemt de overeenkomst tussen haar en [gedaagde] een persoonlijke garantie, geen borgtocht. Zij wijst er ook op dat op de overeenkomst staat: Deed of Personal Guarantee. Daarom zijn de bepalingen in boek 7 BW over borg volgens Go Real Estate niet van toepassing op de overeenkomst tussen partijen.
4.3.
Voor de beantwoording van de vraag of een overeenkomst een borgtocht is of niet, is niet doorslaggevend hoe partijen deze noemen. Kijkend naar wat partijen hebben afgesproken komt de rechtbank tot de conclusie dat het hier om borgtocht gaat. De ene partij – [gedaagde] – heeft zich namelijk tegenover de andere partij – Go Real Estate, de schuldeiser – verbonden tot nakoming van een verbintenis die een derde – [bedrijf 2] – tegenover Go Real Estate heeft. Daarmee is voldaan aan de omschrijving van borgtocht in artikel 7:850 BW Pro.
4.4.
Volgens [gedaagde] is het een particuliere borgtocht. Het gevolg hiervan is dat op Go Real Estate een bijzondere zorgplicht rust, die onder meer inhoudt dat Go Real Estate als professioneel kredietverstrekker hem had moeten waarschuwen voor de aan de borgtocht verbonden risico’s. Dat heeft Go Real Estate volgens [gedaagde] niet (genoeg) gedaan. Zo heeft Go Real Estate bijvoorbeeld niet vermeld dat [gedaagde] ook kan worden aangesproken voor andere bedragen dan termijnbetalingen, zoals juridische kosten. [gedaagde] vernietigt bepalingen in de borgtochtovereenkomst voor zover die in strijd zijn met de dwingendrechtelijke bepalingen over particuliere borgtocht.
4.5.
Om van een particuliere borgtocht te kunnen spreken moet het gaan om een natuurlijke persoon die (1) niet handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en (2) ook niet handelde ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van (in dit geval) een besloten vennootschap, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen heeft (artikel 7:857 BW Pro). Bij een particuliere borgtocht geldt een grotere zorgplicht voor de professionele tegenpartij en mag van een aantal beschermende artikelen in het BW niet worden afgeweken. De beschermingsgedachte is ervoor om particulieren te beschermen, die vaak door overwegingen die samenhangen met de persoonlijke relatie tot de hoofdschuldenaar tot het aangaan van een borgtocht worden bewogen, terwijl het bij hen aan inzicht ontbreekt die juist nodig is voor het beoordelen van de gevolgen van de borgtocht. Die bescherming van hen (en hun gezin) is niet nodig als iemand een borgtochtovereenkomst aangaat voor een bedrijf dat alleen formeel op afstand staat, maar in werkelijkheid een bedrijfsactiviteit van de borg zelf is. De Hoge Raad heeft dan ook bepaald (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1402) dat de maatstaf niet slechts is of het gaat om een statutair bestuurder van de betrokken vennootschap, maar dat moet worden beoordeeld of in dit geval de borg zo nauw verbonden is met de onderneming dat hij in de praktijk als ondernemer kan gelden, doordat hij de zeggenschap uitoefent en financieel belang heeft bij de bedrijfsresultaten van de vennootschap ten behoeve waarvan hij zich als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Daarbij is niet relevant of de borg rechtstreeks of via een tussengeschakelde vennootschap de bestuurder is (HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7513).
4.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de lening van [bedrijf 2] past binnen haar normale bedrijfsvoering, omdat de lening was bedoeld voor het (her)financieren van vastgoed. Wel staat ter discussie of [gedaagde] moet worden gezien als, of gelijk moet worden gesteld aan, een bestuurder die (indirect) de meerderheid van de aandelen in [bedrijf 2] heeft. [gedaagde] heeft erop gewezen dat hij weliswaar indirect bestuurder is van [bedrijf 2] , maar geen aandeelhouder, ook niet indirect. De aandelen worden (via [bedrijf 1] ) immers gehouden door de Stichting. Daarom geldt de borgstelling volgens hem als een particuliere borgstelling. Om deze reden is de borgstelling ook medeondertekend door de echtgenote van [gedaagde] , wat bij een zakelijke borgstelling niet nodig is.
4.7.
De rechtbank volgt hem daarin niet. Tijdens het aangaan van de borgtochtovereenkomst was [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank zo nauw verbonden aan [bedrijf 2] dat hij in de praktijk als ondernemer moet gelden, niet als particuliere borg. De rechtbank zal dat hierna uitleggen. Dat de echtgenote van [gedaagde] de borgtochtovereenkomst ook heeft ondertekend, verandert dat niet.
4.8.
[gedaagde] was indirect bestuurder van [bedrijf 2] . Hij was als voorzitter van het bestuur van de Stichting, die via [bedrijf 1] 100% van de aandelen in [bedrijf 2] hield, zelfstandig bevoegd om alle beslissingen te nemen in [bedrijf 1] en in [bedrijf 2] . Hij had daarmee alleen, zonder anderen, de feitelijke leiding over [bedrijf 2] . Hiermee lag de volledige zeggenschap over de gang van zaken binnen het bedrijf in handen van [gedaagde] . Hij was ook daadwerkelijk op de hoogte van de stand van zaken binnen [bedrijf 2] , ook met betrekking tot de financieringsontwikkelingen die er waren waarvoor [bedrijf 2] krediet aantrok. [gedaagde] was degene die de besprekingen hierover namens [bedrijf 2] voerde en die ook de Facility Agreement heeft ondertekend. Dat hij op de hoogte was van de financiële positie van [bedrijf 2] en de risico’s voor hem als borg, heeft hij ook met zoveel woorden verklaard in de overeenkomst tussen hem en Go Real Estate:
2.11
The Guarantor (rb: [gedaagde] ), being assisted and advised by professional attorneys-at-law acting in his interest, declares that he is fully aware of the (financial) position of the Borrower (rb: [bedrijf 2] ), also because of his position as indirect executive director of the Borrower. The Guarantor also declares that the aforementioned professional attorneys-at-law have pointed out the risks in connection with this Personal Guarantee and that he is fully aware of and accepts these risks.
2.12
The Guarantor declares that he realizes that non-performance by the Borrower under the Facility Agreement may have the consequence that the Personal Guarantee will be called upon by the Creditors (rb: Go Real Estate en Wilmington). The Guarantor declares that he is fully aware of these possible consequences of the Personal Guarantee.
De omstandigheid dat [gedaagde] zelf geen aandelen houdt in [bedrijf 2] , is in dit kader van ondergeschikt belang. Hij heeft namelijk wel de volledige zeggenschap over die aandelen als bestuurder van de Stichting. Concluderend is sprake van niet-particuliere, oftewel zakelijke, borgtocht.
Go Real Estate mocht [gedaagde] aanspreken
4.9.
Go Real Estate heeft [gedaagde] in december 2024 als borg aangesproken op betaling. Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 2] toen in verzuim was. Op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst mocht Go Real Estate vanaf dat verzuim-moment [gedaagde] aanspreken. Die overeenkomst bepaalt namelijk:
2.2
The Guarantor will not be liable to perform under the Personal Guarantee until the Borrower is in default (
verzuim) under the Facility Agreement (…).
4.10.
Anders dan [gedaagde] aanvoert, was er geen verplichting voor Go Real Estate om zich (via Wilmington) eerst op het saldo van de bankrekeningen van [bedrijf 2] te verhalen door het inroepen van het pandrecht dat Wilmington op die bankrekeningen had, voordat zij [gedaagde] als borg mocht aanspreken. Dat volgt niet uit de overeenkomst tussen partijen, en evenmin uit 7:855 BW. In dat artikel (dat partijen overigens hebben uitgesloten in hun borgtochtovereenkomst) staat dat de borg niet is gehouden tot nakoming voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten. En daarvan was hier inmiddels wel sprake: [bedrijf 2] was tekortgeschoten in haar betalingsverplichting en was ook al in verzuim.
4.11.
[gedaagde] heeft in dit verband ook nog gewezen op artikel 16.3 onder b en artikel 16.4 onder h van de Facility Agreement waarin staat:
16.3
b At any time when a Default has occurred and is continuing the Security Agent (rb: Wilmington) may:
(i) operate the Rent Account;
(ii) notify the Borrower that its rights to operate the Rent Account are suspended, such notice to take effect in accordance with its terms; and
(iii) withdraw from, and apply amounts standing to the credit of, the Rent Account in or towards any purpose for which moneys in any Account may be applied.
(…)
16.4
h At any time when a Default has occurred and is continuing the Security Agent may:
(i) operate the Reserve Account;
(ii) notify the Borrower that its rights to operate the Reserve Account (with prior consent of the Security Agent) are suspended, such notice to take effect in accordance with its terms; and
withdraw from, and apply amounts standing to the credit of, the Rent Account in or towards any purpose for which moneys in any Account may be applied.
Uit deze bepalingen volgt echter alleen dat Wilmington in het geval van verzuim van [bedrijf 2] bevoegd is om de aan haar verpande bankrekeningen (zie 2.10) te beheren en daarvan af te boeken. Een verplichting voor Go Real Estate om het saldo van deze bankrekeningen éérst aan te wenden en pas daarna [gedaagde] als borg aan te spreken, kan dus ook in deze bepalingen niet worden gelezen.
4.12.
De slotsom is dat Go Real Estate [gedaagde] als borg mocht aanspreken en dat [gedaagde] vervolgens gehouden was tot betaling van de twee kwartaaltermijnen van (toen) bij elkaar € 675.000. Op 6 oktober 2025 is daarvan € 119.746,28 betaald, zodat nog € 555.253,72 resteert.
4.13.
Partijen hebben nog gediscussieerd over de vraag of [gedaagde] de verschuldigdheid van de twee kwartaalbetalingen in deze procedure had erkend en of hij daarop in de loop van de procedure nog kon terugkomen. [gedaagde] was naar eigen zeggen pas kort voor de mondelinge behandeling in november 2025 op de hoogte geraakt van de bedragen op deze rekeningen van [bedrijf 2] , waardoor hij de verschuldigdheid van de hoofdsom niet eerder kon betwisten. Of in de conclusie van antwoord sprake is van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv Pro, waarop [gedaagde] dus niet zomaar kan terugkomen, kan naar het oordeel van de rechtbank verder in het midden blijven, omdat hiervoor al is vastgesteld dat [gedaagde] als borg verplicht is tot betaling van de twee kwartaalbetalingen.
Rente over de kwartaaltermijnen
4.14.
[gedaagde] heeft het volgende aangevoerd in reactie op de gevorderde rente onder i. Hij betwist rente verschuldigd te zijn over de kwartaaltermijnen. Als dat wel zo is, dan is hij uitsluitend wettelijke rente verschuldigd na 17 december 2024. Verder had Go Real Estate al vanaf 1 augustus 2025 kunnen beschikken over een deel van het verschuldigde bedrag door mee te werken met het opheffen van het beslag op die € 119.746,28 (zie 2.8 en 2.9). Over dat bedrag is vanaf 1 augustus 2025 dan ook geen rente verschuldigd, aldus steeds [gedaagde] .
4.15.
De gevorderde wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro wordt vanaf 18 december 2024 toegewezen. [gedaagde] is gesommeerd het openstaande bedrag van in totaal € 675.000 uiterlijk op 17 december 2024 te betalen (zie 2.7), en sindsdien is hij in verzuim.
4.16.
Op 6 oktober 2025 is € 119.746,28 betaald. Dat Go Real Estate al eind juli 2025 akkoord had moeten gaan met het opheffen van het beslag, ziet eraan voorbij dat [gedaagde] als voorwaarde stelde dat hij alleen de geliquideerde proceskosten zou voldoen. Zoals hierna nog aan de orde komt, had Go Real Estate recht op de werkelijk gemaakte kosten, dus hoefde zij met deze voorwaarde niet akkoord te gaan. Pas in september 2025 heeft [gedaagde] deze voorwaarde laten varen, waarna het beslag alsnog is opgeheven en het getroffen bedrag aan Go Real Estate is uitgekeerd. Dit verweer van [gedaagde] wordt dan ook gepasseerd, en hij dient de gevorderde wettelijke rente over het hele bedrag (€ 675.000) van 18 december 2024 tot 6 oktober 2025 te betalen, en vanaf die datum over (€ 675.000 minus € 119.746,28 is) € 555.253,72.
Hoogte kosten in en buiten rechte
4.17.
[gedaagde] maakt bezwaar tegen de hoogte van de gevorderde kosten onder ii. Weliswaar heeft hij in de borgovereenkomst (artikel 2.15) ervoor getekend dat hij de kosten zal dragen voor het uitoefenen en bewaren van de rechten van Go Real Estate, in en buiten rechte, maar die kosten moeten wel redelijk zijn. Dat zijn ze volgens hem niet, om een aantal redenen:
  • sommige kosten hebben betrekking op [bedrijf 2] , niet op Go Real Estate;
  • als was uitgegaan van de gebruikelijke buitengerechtelijke incassokosten-staffel zou hooguit € 4.027,36 zijn toegewezen voor de werkzaamheden vóór de dagvaarding;
  • de dagvaarding was onnodig lang en er is veel tijd besteed aan overleg;
  • [gedaagde] heeft steeds aangegeven dat hij zich bewust was van zijn betalingsverplichting, maar hij kon eenvoudigweg niet betalen omdat hij niet beschikte over de daarvoor benodigde financiële middelen;
  • de tijd die is besteed aan het níet innen van de bedragen op de bankrekeningen van [bedrijf 2] (zie 2.10) was onnodig;
  • de opgenomen griffierechten vallen onder de standaard proceskostenveroordeling.
4.18.
[gedaagde] heeft concreet verwezen naar de specificatie bij een overgelegde factuur van 17 april 2025 ter onderbouwing van zijn standpunt dat sommige werkzaamheden betrekking hadden op [bedrijf 2] . De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Die specificatie spreekt al vanaf de eerste werkzaamheden begin november 2024 over werkzaamheden in het kader van de ‘personal guarantee’. Verder heeft de advocaat van Go Real Estate bij de mondelinge behandeling en daarna bij akte een toelichting gegeven op de specificaties en uitgelegd dat de werkzaamheden betrekking hebben op het uitwinnen van de borgtochtovereenkomst en dat pogingen om een minnelijke regeling te treffen. De rechtbank heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen, en die toelichting is door [gedaagde] ook niet op specifieke punten weersproken.
4.19.
De andere klachten die [gedaagde] heeft over de bestede tijd aan bepaalde werkzaamheden en de lengte van de dagvaarding zijn inherent aan de zaak zelf én mede te wijten aan zijn eigen opstelling. Zo heeft hij gevraagd om betalingsuitstel en meerdere toezeggingen gedaan om (gedeeltelijk) te betalen, maar kwam hij die toezeggingen steeds niet na. Verder kwam [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure met een nieuw verweer over de bankrekeningen van [bedrijf 2] (zie 2.10), waarvoor aan de kant van Go Real Estate uitzoekwerk nodig was. Al met al is er geen twijfel dat de door Go Real Estate gevorderde kosten daadwerkelijk gemaakte kosten zijn en ook zijn er geen aanwijzingen dat er onnodige werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank ziet dan ook (ambtshalve) geen aanleiding om de kosten te matigen op de voet van artikel 242 Rv Pro.
4.20.
Go Real Estate heeft onder iii. ook de forfaitaire proceskosten gevorderd, maar bij ii. al aangegeven dat die in mindering moeten worden gebracht op de totale kosten. Daartoe zal de rechtbank inderdaad overgaan.
Slotsom en proceskosten
4.21.
De slotsom is dat [gedaagde] de vorderingen onder i. en ii. van Go Real Estate dient te betalen, en dat de forfaitaire proceskosten worden afgehaald van ii. en apart worden toegewezen. Die forfaitaire proceskosten aan de kant van Go Real Estate worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- overige explootkosten (beslag) 7.772,07
- betaald griffierecht 6.147,00
- salaris advocaat
14.892,00(4,0 puntenx factor 1,0 × tarief € 3.723
Totaal € 28.955,54
Inclusief forfaitaire nakosten van € 189,00 komt het totaal aan forfaitaire proceskosten op € 29.144,54.
4.22.
De vordering onder ii. van € 60.367,73 zal worden verminderd met de forfaitaire proceskosten van € 28.955,54, zodat in totaal € 31.412,19 wordt toegewezen.
4.23.
De gevorderde wettelijke rente over ii. en iii. zal worden toegewezen zoals verzocht. Hiervoor onder 4.15 is al uitgelegd hoeveel rente [gedaagde] over i. moet betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Go Real Estate van € 555.253,72, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 6 oktober 2025 tot de dag van betaling, en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 675.000 vanaf 18 december 2024 tot 6 oktober 2025;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling € 31.412,19, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van Go Real Estate begroot op € 29.144,54, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, bijgestaan door mr. R.D. Lok, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.