ECLI:NL:RBAMS:2026:146

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
81/311215-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor gewoontewitwassen van € 1.310.365 door contante stortingen op bankrekeningen

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 64-jarige man, die werd beschuldigd van gewoontewitwassen van een totaalbedrag van € 1.310.365 over een periode van meerdere jaren. De verdachte had contante geldbedragen gestort op zijn eigen bankrekeningen en die van aan hem gelieerde vennootschappen. De rechtbank oordeelde dat de verdediging niet aannemelijk had gemaakt dat het geld afkomstig was uit legale bronnen, zoals de verkoop van privébezittingen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 6 maanden en een taakstraf van 240 uren, waarbij rekening werd gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van 41 maanden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank sprak de verdachte partieel vrij van het medeplegen van het witwassen, omdat niet was aangetoond dat hij in nauwe samenwerking met anderen had gehandeld. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan gewoontewitwassen, wat een ernstige bedreiging vormt voor de legale economie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/311215-21
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende op het adres: [adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
18 december 2025 en 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.B.A. Frakking, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 2 december 2015 tot en met 18 januari 2020 schuldig heeft gemaakt aan:
Primair
het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een totaalbedrag van € 1.310.365;
Subsidiair
feitelijk leidinggeven aan het (gewoonte)witwassen door Timed Cars B.V. en/of Lynmouth B.V. en/of [naam B.V.] van een totaalbedrag van € 1.310.365;
Meer subsidiair
het medeplegen van schuldwitwassen van een totaalbedrag van € 1.310.365;
Meest subsidiair
feitelijk leidinggeven aan het schuldwitwassen door Timed Cars B.V. en/of Lynmouth B.V. en/of [naam B.V.] van een totaalbedrag van € 1.310.365.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen van het ten laste gelegde totaalbedrag van € 1.310.365. Het gaat om het voorhanden hebben van contante geldbedragen met een criminele herkomst en het omzetten en overdragen van deze bedragen door die op zijn privé en zakelijke bankrekeningen te storten en als lening of aflossing aan een derde over te maken. De opzet op het witwassen ligt besloten in de uiterlijke verschijningsvorm van het veelvuldig storten van de contante bedragen en het vervolgens overmaken onder de noemer van gefingeerde verbintenissen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het aan hem ten laste gelegde, nu verdachte betwist dat het ten laste gelegde totaalbedrag een criminele herkomst heeft. Het geld is afkomstig uit de verkoop tegen contant geld van (grotendeels) privébezittingen, zoals (klassieke) auto’s, kunst en antiek.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Wettelijk kader witwassen geldbedragen uit onbekend misdrijf
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Het is hiervoor voldoende dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een misdrijf, wel worden bewezen, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.
Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.
Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit dit onderzoek zal voor een bewezenverklaring moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is.
Tegen de achtergrond van dit wettelijk kader wordt het volgende overwogen.
Feiten en omstandigheden [1]
Het onderzoek Tunbridge is gestart naar aanleiding van een TCI-melding bij de FIOD in 2019, inhoudende dat verdachte geld zou witwassen voor criminelen door contante geldbedragen aan te nemen, deze te storten op zijn rekening en de bedragen middels leenovereenkomsten weer terug te storten. Hiervoor zou verdachte een vergoeding ontvangen. Daarnaast bleek uit onderzoek in de politiesystemen dat door banken en geldtransactiekantoren zeven contante geldstortingen door verdachte als ongebruikelijke transacties zijn gemeld en die later door de
Financial Intelligence Unitals verdacht zijn aangemerkt. [2]
Naar aanleiding hiervan zijn de transactiegegevens van zowel de privébankrekening van verdachte als de bankrekeningen van de besloten vennootschappen waarvan verdachte (enig) aandeelhouder was over de periode van 1 december 2015 tot en met 13 december 2019 opgevraagd. Uit de gevorderde gegevens volgt dat er in deze periode een geldbedrag van in totaal € 1.310.365 aan contante gelden is gestort op de bankrekeningen die aan verdachte of aan hem gelieerde vennootschappen toebehoren. [3]
Volgens de FIOD is sprake van meerdere witwastypologieën. [4] Bij de contante stortingen gaat het immers om aanzienlijke bedragen, waarbij ook coupures van € 500 zijn gebruikt. Omdat het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich meebrengt en het gegeven dat coupures van € 500 in het normale betalingsverkeer zeldzaam zijn, is het hoogst ongebruikelijk dat een privépersoon dergelijke contante bedragen voorhanden heeft. Daarnaast volgt uit de aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting van verdachte over de jaren 2015 tot 2018 dat verdachte nauwelijks inkomsten heeft gehad die deze contante stortingen kunnen verklaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden zonder meer een witwasvermoeden rechtvaardigen. Dit betekent dat van verdachte wordt verlangd dat hij een verklaring geeft dat deze bedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn.
Verdachte heeft een aantal mogelijke verklaringen gegeven voor de herkomst van de geldbedragen. Voor zover relevant worden die verklaringen hieronder besproken.
-
Verkoop auto’s via Timed Cars B.V.
Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 18 januari 2020 verklaard dat hij via zijn onderneming Timed Cars B.V. samen met zijn zakenpartner [naam zakenpartner] tussen de 40 en 50 auto’s zou hebben verhandeld. Het grootste gedeelte van de betalingen zou contant hebben plaatsgevonden en door verdachte op de bankrekening van Timed Cars zijn gestort.
Naar aanleiding van de verklaring van verdachte heeft nader onderzoek plaatsgevonden.
Zo is een deel van de administratie van Timed Cars bij de accountant gevorderd, waaruit is gebleken dat er geen administratie is die ziet op de verkoop van auto’s. [5] Ook in het pand waarin Timed Cars was gevestigd is door de verhuurder geen administratie aangetroffen. [6] Verder verklaart de verhuurder dat er geen activiteiten plaatsvonden in het pand. De verhuurder verklaart wel eens een paar auto’s en een autotrailer te hebben gezien, maar hij kreeg niet de indruk dat de autovoorraad veel wisselde. [7]
De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden niet aannemelijk dat de verkoop van de auto’s via Timed Cars de contante stortingen van ongeveer € 800.000 op de bankrekening van Timed Cars rechtvaardigt. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat verdachte op de zitting wisselend heeft verklaard ten aanzien van de verkoop van de auto’s via Timed Cars, namelijk dat hij juist geen auto’s heeft verhandeld met Timed Cars. Dit komt de geloofwaardigheid van zijn verklaringen niet ten goede.
-
Verkoop klassieke auto’s
Verder heeft verdachte verklaard in zijn verhoor bij de politie dat hij zijn privécollectie klassieke auto’s heeft verkocht tegen contante betaling. Ter onderbouwing van het standpunt van verdachte heeft de raadsman van verdachte voorafgaand aan de zitting een overzicht aan de rechtbank gestuurd met een opsomming van vijftien klassieke auto’s die verdachte tegen contant geld zou hebben verkocht.
Naar aanleiding van de verklaring van verdachte is nader onderzoek verricht. Hieruit is naar voren gekomen dat op de telefoon van verdachte afbeeldingen van vijftien Engelse kentekenbewijzen op naam van verdachte zijn aangetroffen. [8] Deze kentekenbewijzen zijn echter geen bewijs van eigendom, maar houden in dat de tenaamgestelde verantwoordelijk is voor de verzekering en de belasting van de betreffende auto. [9] Uit de administratie van verdachte volgt dat hij vermoedelijk drie auto’s heeft verkocht. [10] De verkopen in Engelse ponden van deze auto’s (met een verkoopwaarde variërend van £ 2.500 tot £ 13.000) verklaren naar het oordeel van de rechtbank echter niet de contante stortingen in euro’s in Nederland. Bovendien hebben de transacties op basis van de in de facturen genoemde rekeningnummers niet contant, maar giraal plaatsgevonden.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het door de raadsman verstuurde overzicht niet voldoende concreet en verifieerbaar is. Het is immers niet bekend aan wie of wanneer de auto’s zijn verkocht, omdat facturen ontbreken. Ook is ten aanzien van een groot gedeelte van de auto’s het kenteken niet bekend. Van het Openbaar Ministerie kan daarom niet worden gevergd dat naar deze verklaring over de herkomst van het geld nader onderzoek wordt verricht. Daarnaast geldt dat het overzicht pas op de dag voorafgaand aan de zitting is toegestuurd, terwijl dit veel eerder had gekund, waardoor nader onderzoek voorafgaand aan de zitting ook niet meer mogelijk zou zijn geweest.
De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden niet aannemelijk dat de verkoop van de collectie klassieke auto’s van verdachte de contante stortingen op zijn bankrekeningen rechtvaardigt.
-
Verkoop kunst en antiek
Tot slot heeft verdachte verklaard uit financiële noodzaak zijn waardevolle kunst- en boekencollectie te hebben verkocht. Uit een door de raadsman voorafgaand aan de zitting toegestuurd overzicht zou volgen dat de kunstcollectie een totale waarde had van € 419.000. Volgens de verklaring van verdachte zou de verkoop van zijn boekencollectie in 2016 en 2017 tussen de € 200.000 en € 300.000 hebben opgebracht. De waardevolle goederen zouden volgens verdachte veelal contant zijn verkocht, waarna het geld door hem op zijn bankrekening is gestort. Dit zou volgens verdachte een groot gedeelte van de contante stortingen op zijn bankrekeningen verklaren.
De rechtbank is van oordeel dat ook dit standpunt van de verdediging onvoldoende is onderbouwd. De verdediging heeft immers geen facturen of administratie overlegd waaruit op enige wijze valt vast te stellen dat delen van de kunst- en boekencollectie van verdachte daadwerkelijk, en voor de genoemde bedragen, zijn verkocht. De door verdachte, daags voor de zitting, overgelegde foto’s van enkele goederen en staatjes waarin de vermeende verkopen staan genoteerd, zijn daarvoor onvoldoende. Ook volgt uit navraag bij de verzekeraar van verdachte dat zijn inboedel in de periode van 2 december 2015 tot en met 2 december 2017 voor een bedrag van slechts € 37.000 verzekerd was, een bedrag dat niet in de buurt komt van de door verdachte genoemde waarde van zijn kunst- en boekencollectie. [11]
De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden niet aannemelijk dat de verkoop van de kunst- en boekencollectie van verdachte de contante stortingen op zijn bankrekeningen rechtvaardigt.
Conclusie
Gelet op de conclusies van de rechtbank dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de door hem gestorte contante geldbedragen, is de rechtbank van oordeel dat deze geldbedragen middelijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen. Gezien de periode waarover de bewezen verklaarde witwashandelingen hebben plaatsgevonden en de frequentie waarmee dit gebeurde, is het witwassen naar het oordeel van de rechtbank bovendien te kwalificeren als gewoontewitwassen.
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het medeplegen daarvan, nu uit het procesdossier niet duidelijk volgt dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gehandeld. De betrokkenheid bij het witwassen van de (rechts)personen aan wie verdachte geldbedragen heeft overgemaakt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het enkel door hen ontvangen van deze bedragen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
in de periode van 2 december 2015 tot en met 18 januari 2020 in Nederland, meermalen, van voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 1.310.365 euro, de werkelijke aard en herkomst heeft verhuld en deze voorwerpen voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarbij in strafverminderende zin rekening is gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn met bijna vier jaar. Daarnaast heeft de raadsman van verdachte verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn gezondheidstoestand.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door in een periode van meerdere jaren grote contante geldbedragen, waarvan hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren, op zijn zakelijke en privérekeningen te storten. Hiermee heeft verdachte structureel de criminele herkomst van deze geldbedragen verhuld en deze in het legale financiële verkeer gebracht. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Daarnaast zorgt het witwassen van crimineel geld voor het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit. Door zich schuldig te maken aan gewoontewitwassen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 10 oktober 2025, waaruit volgt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
De op te leggen straf
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank tevens gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor witwassen gaat de rechtbank uit van de
oriëntatiepunten voor fraudedelicten. Hieruit volgt dat bij een benadelingsbedrag van
€ 1.310.365,- in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vierentwintig maanden of meer op zijn plaats is.
De rechtbank heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6
van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 18 januari 2020, de dag waarop verdachte is aangehouden op Schiphol, hij is verhoord door de politie en zijn woning is doorzocht. Verdachte kon er op dat moment in redelijkheid vanuit gaan dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld ter zake van het toen geconstateerde feit. Nu het vonnis wordt uitgesproken op 15 januari 2026 is de redelijke termijn met bijna vier jaar overschreden. Deze vertraging is naar het oordeel van de rechtbank gedeeltelijk aan verdachte te wijten, nu de zaak op de terechtzitting van 5 juni 2025 is aangehouden, omdat verdachte destijds niet werd bijgestaan door een advocaat, terwijl hij eerder wel bijstand van een advocaat had. De rechtbank zal daarom in strafmatigende zin rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn van 41 maanden.
Ook houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft op de terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte het feit enkel heeft gepleegd uit financiële noodzaak, na meerdere verkeerde zakelijke keuzes te hebben gemaakt die uitliepen op faillissementen. Hoewel verdachte ook korte tijd goed lijkt te hebben geleefd van de opbrengsten van het witwassen, onder meer getuige de bedragen die hij aan huur heeft betaald voor zijn woningen in Engeland, lijkt verdachte behoorlijk veel verloren te hebben. Zo heeft verdachte op de zitting verklaard dat hij al enige tijd noodgedwongen in een bouwkeet in Portugal woont en dat hij moet rondkomen van het salaris van zijn partner. Ook kampt verdachte met (geestelijke) gezondheidsproblematiek. Gelet op deze omstandigheden, en het feit dat verdachte zich in de afgelopen jaren niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en goed bereikbaar is gebleven voor justitie, schat de rechtbank het recidiverisico als laag in. Verder weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat het witwassen al geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. De rechtbank weegt daarentegen in het nadeel van verdachte mee dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven over de contante stortingen op zijn bankrekeningen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank een flink lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een forse taakstraf opleggen, nu de raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte in staat is om een taakstraf uit te voeren en hij hiervoor naar Nederland zal komen. Het opleggen van een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank niet passend, mede vanuit het oogpunt van rechtseenheid en generale preventie.
Alles afwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.

8.Het beslag

Onder verdachte zijn een geldbedrag van € 750 en een telefoon in beslag genomen.
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht om zowel het geldbedrag als de telefoon te retourneren aan verdachte. Omdat de telefoon reeds vernietigd is, heeft de officier van justitie verzocht om de tegenwaarde van de telefoon aan verdachte terug te geven.
De raadsman van verdachte heeft eveneens verzocht tot teruggave van het in beslag genomen geldbedrag en de telefoon.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er op basis van het procesdossier geen causaal verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de in beslag genomen goederen. Het in beslag genomen geldbedrag en (de tegenwaarde van) de telefoon dienen daarom aan verdachte te worden geretourneerd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig)uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig)dagen.
Gelast de
teruggaveaan verdachte van:
  • Een geldbedrag van € 750 (voorwerpnummer 6064753_130804);
  • Een telefoontoestel (iPhone 6) (voorwerpnummer 6064753_133321).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. A. Eichperger en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 januari 2026.

Voetnoten

1.De rechtbank stelt de feiten en omstandigheden vast op basis van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen. Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.AMB-008, p. 80-82.
3.AMB-001, p. 34-39. AMB-002, p. 45-47. BOB-009-06, p. 257-258. AMB-003, p. 48-52. AMB-004, p. 56-60. AMB-017, p. 108-109. AMB-010, p. 87-91. AMB-015, p. 104-105.
4.AMB-007, p. 66.
5.AMB-018, p. 115.
6.G-006-01, proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] van 28 januari 2020, p. 643.
7.G-006-01, proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] van 28 januari 2020, p. 643.
8.DOC-029, p. 518-532.
9.AMB-018, p. 114.
10.DOC-030, p. 533-535. DOC-031, p. 536-538. DOC-032, p. 539-541.
11.AMB-022, p. 139.