ECLI:NL:RBAMS:2026:1478
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen herziening en terugvordering WIA- en Ziektewetuitkering
Verzoeker ontving sinds 2021 een Ziektewetuitkering en vanaf eind 2022 een WIA-uitkering. Het UWV ontdekte in 2022 vermoedelijke fraude en concludeerde in 2024 dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband, waardoor verzoeker geen recht had op de uitkeringen. Het UWV schortte de uitkering op en herzag de besluiten, waarbij het de uitkeringen terugvorderde over één kalenderjaar. Verzoeker maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde en een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat verzoeker onvoldoende onderbouwde dat hij financieel niet kon rondkomen of medische kosten niet kon betalen. Hoewel verzoeker ernstig ziek is en de procedure een mentale belasting vormt, is dit onvoldoende voor een voorlopige voorziening. Ook was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat zonder diepgaand onderzoek niet kon worden aangenomen dat het UWV onjuist handelde.
Verder werd opgemerkt dat het UWV voorschotten die de voorzieningenrechter eerder had bevolen niet had uitbetaald, wat de voorzieningenrechter opmerkelijk vond. Dit kan de rechtsbescherming uithollen, maar vormt geen reden voor een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en bepaalde dat het UWV geen voorschotten hoeft te betalen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.