ECLI:NL:RBAMS:2026:1478

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
25/7394
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen herziening en terugvordering WIA- en Ziektewetuitkering

Verzoeker ontving sinds 2021 een Ziektewetuitkering en vanaf eind 2022 een WIA-uitkering. Het UWV ontdekte in 2022 vermoedelijke fraude en concludeerde in 2024 dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband, waardoor verzoeker geen recht had op de uitkeringen. Het UWV schortte de uitkering op en herzag de besluiten, waarbij het de uitkeringen terugvorderde over één kalenderjaar. Verzoeker maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde en een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat verzoeker onvoldoende onderbouwde dat hij financieel niet kon rondkomen of medische kosten niet kon betalen. Hoewel verzoeker ernstig ziek is en de procedure een mentale belasting vormt, is dit onvoldoende voor een voorlopige voorziening. Ook was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat zonder diepgaand onderzoek niet kon worden aangenomen dat het UWV onjuist handelde.

Verder werd opgemerkt dat het UWV voorschotten die de voorzieningenrechter eerder had bevolen niet had uitbetaald, wat de voorzieningenrechter opmerkelijk vond. Dit kan de rechtsbescherming uithollen, maar vormt geen reden voor een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en bepaalde dat het UWV geen voorschotten hoeft te betalen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7394

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] (Duitsland), verzoeker

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om voorlopige voorziening, gericht tegen de herziening en afwijzing van een Ziektewet- en WIA-uitkering en de terugvordering hiervan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat niet gebleken is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het UWV heeft verzoeker op 8 februari 2021 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend op basis van een voorschot. Op 24 maart 2021 heeft het UWV verzoeker per 1 januari 2021 een definitieve Ziektewetuitkering toegekend. Vanaf 26 december 2022 ontving verzoeker een uitkering op grond van de Wet WIA [1] .
3. Op 28 december 2022 heeft het UWV een melding van vermoedelijke fraude ontvangen. De afdeling Handhaving heeft vervolgens onderzoek verricht naar de feitelijkheid van de arbeidsovereenkomst van verzoeker. Op 20 november 2024 heeft het UWV geconcludeerd dat sprake is van een gefingeerd dienstverband, omdat het onderzoeksrapport een beeld geeft dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen verzoeker en zijn werkgever niet aan de orde is geweest. Verzoeker heeft daarom geen recht op een uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet WIA. Het UWV heeft daarom op 28 mei 2025 de WIA-uitkering van verzoeker geschorst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Op 18 juli 2025 heeft het UWV de toekenningsbesluiten van de Ziektewet- en WIA-uitkering herzien en besloten dat verzoeker geen recht had op deze uitkeringen. Het UWV heeft daarnaast de uitbetaalde Ziektewet- en WIA-uitkering van verzoeker teruggevorderd. Het UWV heeft deze terugvordering beperkt tot één kalenderjaar, omdat zij nader onderzoek had moeten doen naar de arbeidsrelatie van verzoeker voordat zij de uitkeringen toekende. Verzoeker heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
5. Op 25 juli 2025 heeft het UWV € 15.482,80 bruto van verzoeker teruggevorderd. Verzoeker heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6. Op 10 december 2025 heeft het UWV de bezwaren van verzoeker tegen deze drie besluiten ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Bal, waarnemer van zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich via een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
8. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Dat betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat zij inhoudelijk op het verzoek in kan gaan.
9. Bij een financieel belang, zoals in deze zaak, ligt die lat hoog. In principe kan namelijk na afloop van de beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat alsnog worden (terug)betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt (zoals faillissement) of als er geen acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
10. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij geen inkomstenbron heeft en dat hij door zijn slechte gezondheidstoestand niet kan werken. Verzoeker is gediagnosticeerd met dikke darmkanker en ondergaat in het buitenland intensieve chemotherapie en bestraling. Dit is inmiddels uitgezaaid naar zijn lymfeklieren, longen, lever, buikvlies en botten. De mentale belasting van de onzekerheid over zijn inkomen kan onherstelbare gezondheidsschade veroorzaken. De combinatie van een evident onrechtmatig besluit en de langdurige en belastende procedure zal leiden tot ernstige psychische belasting.
11. De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel zij wil aannemen dat verzoeker (ernstig) ziek is en dat de lopende procedures een negatieve impact hebben op zijn mentale gezondheid, dit op zichzelf niet doorslaggevend is bij de vraag of sprake is van een spoedeisend belang. Dit is immers de financiële situatie van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen stukken ingediend die zijn financiële situatie onderbouwen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker op de zitting toegelicht dat hij niet kan aangeven of verzoeker een zorgverzekering of recht op een Duitse WW-uitkering heeft. Verder heeft de gemachtigde van verzoeker op de zitting toegelicht dat verzoeker momenteel leeft van een buffer. De hoogte van deze buffer is echter onduidelijk gebleven. Verzoeker heeft zich verder niet op het standpunt gesteld dat hij zijn medische kosten niet kan betalen of niet rond kan komen. Ook anderszins is dit niet gebleken. Hoewel de gemachtigde van verzoeker op de zitting heeft toegelicht dat er een noodsituatie dreigt, heeft hij niet toegelicht waaruit en wanneer deze noodsituatie zal ontstaan. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een spoedeisend belang niet is gebleken.
12. Als het spoedeisend belang ontbreekt, kan de voorzieningenrechter alsnog een voorlopige voorziening treffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het UWV ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk stand zal houden.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet zonder meer, en zonder nader onderzoek naar de relevante feiten of het recht, kan worden geconcludeerd dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit.
Ten overvloede
14. Verzoeker heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter het UWV in een eerdere uitspraak heeft opgedragen voorschotten aan verzoeker uit te betalen, maar dat het UWV deze voorschotten nooit heeft uitbetaald. Desgevraagd heeft het UWV op de zitting erkend dat zij deze voorschotten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter in, niet heeft uitbetaald, omdat verzoeker hier geen belang bij zou hebben. De voorschotten zouden namelijk gereserveerd worden ter verrekening van de terugvordering, omdat verzoeker geen recht heeft op een Ziektewet- of WIA-uitkering. Aangezien verzoeker deze voorschotten zeer waarschijnlijk zou moeten terugbetalen, zou dit schuldverhogend werken, aldus het UWV.
15. Deze toelichting van het UWV vindt de voorzieningenrechter op zijn minst opmerkelijk. De redenen die het UWV noemt kunnen gedurende de voorlopige voorzieningprocedure ter verweer worden aangevoerd, maar het is niet aan het UWV om zelfstandig te beslissen of een uitspraak van de voorzieningenrechter ten uitvoer moet worden gelegd of niet. Het UWV kan er van uitgaan dat de voorzieningenrechter bij de totstandkoming van een uitspraak rekening houdt met dergelijke omstandigheden. Als het UWV deze zorgen bespreekbaar wil maken, leent de behandeling ter zitting zich hier bij uitstek voor. Het bevreemdt dan ook des te meer dat het UWV zich, in de voorlopige voorzieningprocedure die tot toewijzing van de voorschotten heeft geleid, heeft afgemeld voor de zitting. De voorzieningenrechter wijst er tot slot op dat deze handelswijze van het UWV kan leiden tot uitholling van de rechtsbescherming die van een voorlopige voorzieningprocedure uitgaat. Dat dit niet wenselijk is behoeft geen verdere toelichting.

Conclusie en gevolgen

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat van een spoedeisend belang niet is gebleken. Dat betekent dat het UWV geen voorschotten aan verzoeker hoeft te betalen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.